‘Stel je voor dat vrouwen echt even een man zouden
kunnen zijn! We zouden ons toch goed amuseren, niet?’


Gaea Schoeters, de auteur die op de shortlist staat van De Boon Literatuurprijs met Het geschenk, speelt naar eigen zeggen al minstens vijfentwintig jaar promomeisje voor de Franstalige Vlaamse schrijfster Jacqueline Harpman (1929-2012). Voor de heruitgave van de roman Orlanda (1996/1997) schreef zij het nawoord. VersTwee drukt het graag af.


door Gaea Schoeters



‘En als ik nu eens van geslacht veranderde?’ Aline Berger zit in een café in Parijs en leest voor de tiende keer de cruciale passage van Virginia Woolfs Orlando, waarin zijn transformatie plaatsvindt, in een wanhopige poging de diepere betekenis ervan te begrijpen, als deze gedachte in haar opkomt. En meteen Jacqueline Harpmans roman Orlanda in gang zet, want zo schreef Margot Dijkgraaf in NRC Handelsblad, ‘wat Woolf zich in stilte afvroeg, laat Harpman “echt” gebeuren’. Eén tel later splitst Alines ziel zich in twee en nestelt haar ‘mannelijke helft’ zich in het lichaam van Lucien Lefrène, de knappe, stevig behaarde, blonde twintiger die aan een tafeltje verderop zit. Zodra ze op de trein naar Brussel stappen, gaan Aline en ‘Lucien’, die Harpman lachend Orlanda doopt, hun eigen weg. De altijd – en niet eens altijd discreet – aanwezige schrijfster volgt hen afwisselend, observeert nauwgezet hun gedragingen en gedachten en werpt zichzelf en de lezer zo de vraag voor hoe de wereld eruit zou zien als we de helft van onze persoonlijkheid (want in elk mens zitten ‘mannelijke’ en ‘vrouwelijke’ eigenschappen) niet van kindsbeen af zouden (leren) verdringen en onderdrukken. Of, met Harpmans eigen woorden: ‘Stel je voor dat vrouwen echt even een man zouden kunnen zijn! We zouden ons toch goed amuseren, niet?’

Amuseren doet Orlanda zich in elk geval. Terwijl Aline worstelt met een onbestemd gevoel van gemis, ook al ligt ze in de armen van haar partner Albert, laat haar mannelijke helft Vrouwe Kuisheid, Reinheid en Ingetogenheid zonder omkijken achter zich en rent vrolijk zijn ongeremde driften achterna. Dat hij daarbij in geen tijd het leven van de echte Lucien totaal verstoort, dringt nauwelijks tot hem door: Orlanda, in het diepst van zijn gedachten een onverantwoordelijke twaalfjarige (op die leeftijd heeft hij zich van Alines persoonlijkheid afgesplitst: toen haar moeder het puberende meisje verbood zich nog ‘als een jongen te gedragen’), leeft in het nu en voor zijn plezier, en is na al die jaren onderdrukking door de welopgevoede Aline, ‘zijn cipier’, niet van plan zich, nu hij eenmaal ontsnapt is, bij zijn vrolijke herontdekking van de wereld door wie of wat dan ook te laten tegenhouden. Onbeschaamd verleidt hij man na man, want zijn seksuele voorkeur is niet veranderd, en struikelt zo stomtoevallig het leven van de discrete eeuwige vrijgezel Paul Renault binnen. 

(tekst gaat onder de foto verder)

Foto: Michiel Hendryckx
https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Jacqueline_Harpman_756.jpg

Toch komen we over zijn seksuele escapades weinig te weten; Harpman laat de slaapkamerdeur zedig dicht, zogezegd om de meelezende Virginia Woolf te sparen. Want schreef die in Orlando niet: Laat anderen de pen opnemen en over sekse en seksualiteit schrijven; wij stappen zo gauw mogelijk van zo’n afschuwelijk onderwerp af.’ Een literair leugentje om bestwil, want ook in Harpmans andere romans zijn geen seksscènes te vinden, hoewel veel van haar boeken over liefde en passie gaan; ook zij vond dat expliciete maar niks. In een interview in Knack zei ze daarover: ‘Op mijn zevenennegentigste zal ik een pornografische roman schrijven. Ik heb dus nog wat tijd. Voorlopig weiger ik. (…) Ik haat dat, tenzij het met ontzettend veel talent is geschreven.’ Het is er nooit van gekomen; ze overleed op haar drieëntachtigste.

Hoewel Harpman in Orlanda meermaals laat verstaan dat ze niet van biografische lezingen houdt en je de betekenis van een roman in de roman zelf moet zoeken, speelt ze vrolijk met verwijzingen naar haar eigen leven. Van de openingsscène in Parijs (een perfecte beschrijving van het moment waarop ze het idee voor de roman kreeg) tot Alines proefschrift over Proust, van de vaststelling dat Lucien niet Joods is tot huisvriendin Jacqueline (die de splitsing der zielen wetenschappelijk probeert te verklaren), van het Brusselse decor (waar ze haar hele volwassen leven woonde) tot het appartement dat Aline met Albert deelt (waarin Harpman zelf opgroeide) en de fascinatie van haar personages voor architectuur (de schrijfster was getrouwd met architect Pierre Puttemans)… 

Of Orlanda ook een duik in haar eigen verdrongen mannelijke eigenschappen is, laat de auteur in het midden. Zeker is dat Harpman, in het dagelijkse leven psychoanalytica, gefascineerd is door de kronkels van de menselijke geest. En dus manoeuvreert ze haar personages graag in de meest onmogelijke situaties, altijd met de nodige humor, om hen vervolgens genadeloos te observeren. Het leverde haar voor Orlanda de Prix Médicis op. 

En de lezer? Die krijgt, naast veel humor (zoals de scène met Alines mansplainende collega Charles of haar scherpe aanval op het van intellectuele zelfbevlekking levende academische wereldje) en een hele rist literaire referenties, ook de nodige stof tot nadenken mee. Over male privilege, bijvoorbeeld. 

Want, dat benadrukte Harpman in de jaren negentig zelf al, net als Orlando is ook Orlanda geen roman over transseksualiteit, maar een onderzoek naar gesocialiseerde gendereigenschappen. Niet voor niks analyseert Aline Woolfs werk als een autobiografische beschrijving van Virginia’s opgroeien, waarin de vrouw Orlando gedwongen wordt de onbevangen en ongeremde ‘jongen’ in zichzelf te verdringen; het is precies die twaalfjarige helft, ontstaan uit verzet tegen de beperkingen die haar moeder de opgroeiende Aline oplegde, die er met het lichaam van Lucien vandoor gaat om alsnog de vrijheid op te eisen die ‘hem’ toekomt. Harpman leest daarin het verhaal van generaties vrouwen, die zichzelf en hun verlangens opofferden om zich te schikken naar de eisen van hun tijd. Zorgend en faciliterend te zijn, en vooral zelf niets te willen. Niets voelen. Nergens naar te verlangen. Niemand te verleiden. Niet te genieten van hun lichaam. Niets schunnigs te zeggen. Niet met grote passen lopen. Geen risico’s te nemen. Een thema dat gespiegeld wordt door de andere vrouwelijke personages uit het boek, zoals Luciens zus Annie. Gelukkig, zegt Harpman daarover in een interview in 1997, kunnen en mogen mensen intussen ‘androgyner’ zijn. En worden de rolpatronen minder dwingend. Een mooi en hoopvol wereldbeeld, maar klopt Harpmans gevoel nu, een kwarteeuw later, nog steeds? Of worden, nu de slinger van de geschiedenis terugslaat, de genderteugels net weer strakker aangetrokken? En is wat een vrouw en een man mag zijn nu weer minder vrij dan dertig jaar geleden – alle genderfluïditeit ten spijt?  Misschien maakt die backlash Harpmans boek net vandaag weer razend actueel.

Terug naar het verhaal, ik dwaal af – zou Harpman haar verteller laten zeggen, want ook die betrapt zichzelf er regelmatig op dat ze zich heeft laten verleiden tot het volgen van zijsporen. Of op twijfelen, en het ook niet allemaal haarscherp zeker weten. Wat ze evenwel wel zeker weet, is dat Aline en Orlanda niet zonder elkaar kunnen. Hoewel Aline eerst weigert Juliens verhaal (Ik ben u) te geloven, algauw zoekt ze zijn aanwezigheid net zo wanhopig op als hij de hare; alleen als ze hun voorhoofden tegen elkaar liggen, vinden de twee rust. Hun drang weer één te zijn haakt aan bij Harpmans genegenheid voor het verhaal van Tristan en Isolde, of bij Aristophanes’ bolmens, die, eenmaal door de goden gescheiden van zijn andere helft, zijn of haar hele leven lang zijn tweede deel zoekt. Een prachtige mythe, waarin ze haar personages graag laat leven. Dus na een weekje fun & games komt de rekening: het is mooi geweest, maar zo gaat het niet langer. Tijd voor ‘de grote omslag’, die de schrijver al eerder letterlijk aankondigde: een permanente hereniging dringt zich op. 

Ik herinner me nog levendig het verzet dat ik voelde, toen ik het boek als jonge twintiger voor het eerst las. Hoe ik me, net als Orlanda, hevig verzette tegen die idee, uit angst de zo moeizaam veroverde en herwonnen vrijheid van het kind, dat nog niet in het keurslijf van het vrouw-zijn is gedrongen, weer op te geven. Maar de gebeurtenissen hebben ook Aline veranderd, en met de terugkeer van haar tweede helft komen ook zijn ervaringen mee. Zijn veroveringen. Zijn bravoure. Die geleende ervaringen geven haar een nieuwe kracht, een nieuw elan. De welopgevoede vrouw heeft haar achterstand ingehaald, en slaat resoluut een nieuwe weg in, waarin ze al haar eigenschappen weet te verzoenen.

Zo wordt Orlanda toch nog een feministisch boek, een label waar Harpman altijd een gespannen verhouding mee had, al definieerde ze zichzelf wel als feministe – maar niet van het type coupe zizi, want, zoals ze zelf zei, daarvoor hield ze te veel van mannen. (Als we Orlanda mogen geloven, meer bepaald van oudere, flink behaarde, intellectuele mannen.) Een boek dat pleit voor het opheffen van de beperkingen die het opdelen van mens en maatschappij in ‘mannelijke’ en ‘vrouwelijke’ eigenschappen met zich meebrengt, en voor een wereld waarin iedereen, zoals ook Virginia Woolf, Carry van Bruggen en talloze andere begenadigde (misschien moet ik zeggen geniale, want dat is een van die adjectieven die blijkbaar voor mannen zijn voorbehouden en nooit voor vrouwen gebruikt worden) schrijfsters hebben bepleit, eindelijk gewoon mens mag zijn. Ook al zijn we fysiek verschillend. Waarin ons biologische geslacht niet bepalend is voor wat, wie en hoe we mogen zijn, en waarin vrouwen eindelijk recht hebben op alle mannelijke ervaringen en privileges, en mannen hun vrouwelijke kant kunnen en mogen ontdekken. (Als Aline zich bij Orlanda in Julien had gevoegd, had dat van hem misschien ook een empathischer mens gemaakt.) 

Een natuurlijke evolutie, volgens Harpman, want als je naar de literatuur kijkt, zie je dat mensen altijd nieuwsgierig zijn geweest naar de andere sekse. Omdat we altijd al androgyn waren, allemaal, maar dat niet konden of mochten uiten. Eeuwenlang hebben mannen en vrouwen de helft van zichzelf verstikt. Hoe mooi zou de wereld niet zijn als de verschillen tussen mannen en vrouwen eindelijk grotendeels oplosten, en iedereen al zijn kwaliteiten zou kunnen ontplooien. En eindelijk onbeschroomd zou kunnen zeggen: Ik ben ik.

Gaea Schoeters, oktober 2025


Jacqueline HarpmanOrlanda
Vertaling uit het Frans door Eveline van Hemert
Nawoord: Gaea Schoeters
304 blz., Uitgeverij Orlando, januari 2026
http://www.uitgeverijorlando.nl/


Bij Orlando verscheen eerder van Jacqueline Harpman Ik die nooit een man heb gekend. In het najaar zal haar Het strand van Oostende verschijnen.


Gaea Schoeters is lid van schrijverscollectief Fixdit