In De man in Westerbork, de derde thriller in zijn reeks rond hoofdinspecteur Charlie Swieninck schuwt John Kuipers Joodse oorlogsmisdaden niet.

Meteen vanaf zijn debuut, het met de Gouden Strop bekroonde Musserts schaduw, was duidelijk dat Nederland met John Kuipers (70) er een thrillerschrijver van formaat bij heeft. Niet in de laatste plaats omdat hij het zich, door de beperking die hij zich heeft opgelegd, niet makkelijk heeft gemaakt. Zijn thrillers – drie nu – hebben Den Haag als decor, Den Haag in oorlogstijd wel te verstaan.

Dan kan hij natuurlijk wel van alles verzinnen, maar bij zo’n setting kan hij simpelweg niet om de feiten heen. Dus gaat er aan het schrijven een enorme hoeveelheid research vooraf – of Kuipers moet dat allemaal paraat hebben, al dan niet uit liefhebberij. Het gaat dan niet alleen om historische feiten, maar ook om straatnamen, functies van gebouwen, eigenschappen van de verschillende Haagse wijken en ook personen. Hij slaagt erin om zijn verzonnen personages soepel om te laten gaan met historische figuren. Achterin de boeken staan pagina’s lang korte karakteriseringen van zowel Duitse bezetters als Nederlandse personen. In de derde thriller in de reeks, De man in Westerbork, bijvoorbeeld Jetty Cantor. Zij was zangeres en actrice, overleefde zowel Westerbork als Auschwitz en speelde in de eerste twee seizoen van Swiebertje de rol van Saartje, later overgenomen door Riek Schagen.

De speurder in Kuipers’ reeks is Charlie Swieninck, hoofdinspecteur van de Haagse recherche. Voor geen kleintje vervaard – zelf is hij ruim twee meter en dat is in de omgang met de Duitse officieren wel eens handig. Snauwen maakt indruk, heeft hij gemerkt. Hoe hoger de rang, hoe meer tact is gevraagd. Dat gaat hem ook goed af.

Verder is het natuurlijk op eieren lopen. Hij probeert zijn neutrale positie te handhaven, wat de Duitsers redelijk van hem accepteren omdat hij succes heeft in het oplossen van de misdaden die – op het oog – niet met de bezetting te maken hebben. De Duitsers kijken wel naar de misdaden, onderzoeken ook wel, maar zodra ze menen dat Kuipers het wel af kan, kan hij zijn gang gaan.

In De man in Westerbork lijkt dat het geval. In een kerk wordt een man aangetroffen die is gekruisigd.

Pardon? Ja, gekruisigd. In deze tijd zou bij zo’n verschrikkelijke moord in no time een rechercheteam van honderd rechercheurs worden opgetuigd, maar in Den Haag in de oorlog is het een klus voor Swieninck en zijn rechterhand Valk. Het blijkt om een man te gaan die wel eens ‘klusjes’ uitvoert. Maar er is een Joodse link, en dan wordt het link.

Kuipers deinst er niet voor terug om te schrijven over een Joodse misdaadfamilie, die ook nog eens, zo blijkt later, voor bizar veel geld gemene zaken doet (ijzer importeren voor de Duitse industrie!) met hoge Duitse officieren, die er op hun beurt een eigen handeltje op na houden waar hun meerderen dan weer niets van weten. Een complex verhaal, helder uitgelegd door Kuipers die een heerlijke no-nonsense stijl hanteert, wat precies past bij het karakter van zijn speurder.

Lof ook voor de bijfiguren. Swieninck’s buurvrouw en bedpartner Fie (die een sleutelrol krijgt), Valk dus, patholoog Peer en Trude Ternauw, zeer eigengereide secretaresse en daarnaast wandelende encyclopedie als het gaat om namen. Ze heeft een vrijwel absoluut geheugen, al duurt het soms een nacht, maar dan weet ze opeens weer de bijzonderheden die bij een naam horen.

In dit derde deel weet Swieninck niet alleen goed de weg in Den Haag, hij bezoekt ook Westerbork. Het is ronduit knap hoe Kuipers de situatie daar beschrijft. Met elke stap wordt de sfeer meer sinister, hoe goed de Duitsers hun best ook doen Westerbork op een dorp (met beperkingen uiteraard) te laten lijken. Dat de Joden die hier worden ‘verzameld’ naar concentratie- en mogelijk vernietigingskampen worden vervoerd, wordt even aangestipt – het woord vergast valt een keer -, maar verder ging de kennis toen niet. De lezer weet meer; fijn is dat niet.

Het is hier dat Swieninck Jetty Cantor tegenkomt, ze is Joods maar treedt er als zangeres op. Want het moest lijken dat het een kamp was waar arbeidskrachten voor de Duitse industrie bijeen waren gebracht. Dus entertainment moest er ook zijn.

(Entertainment ook in een schitterende scene in gebombardeerd Rotterdam, waar hij een vrouw kan spreken die een dubbelrol vervult in een hotel waar de bezetters met Wein, Weib und Gesang oud en nieuw vieren alsof er geen oorlog bestaat.)

Ook dit moet Kuipers tijdens de research tot in de finesses hebben nagezocht. Hij ontkomt er op sommige momenten in het boek niet aan om veel uitleg te geven. Dan is het een kwestie van doseren, want het is een thriller en geen geschiedenisboek. De feiten moeten het verhaal dienen. Het lukt hem heel goed, al zijn er natuurlijk details die hij rustig had kunnen negeren. Al vrij vroeg in De man in Westerbork schrijft hij over de film The Great Dictator van Charlie Chaplin. Hij haast zich om te schrijven dat de film uit 1940 weliswaar verboden was, maar dat er wel scènefoto’s bekend van waren. Goed gevonden, maar overbodig.

Kritiek mag er ook zijn op de moorden die worden gepleegd. Een kruisiging en een man die  opengesneden op zijn kop aan een molenwiek wordt gehangen. Grotesk welhaast, en het wekt de indruk dat Kuipers het niet heeft kunnen laten om zwaar in te zetten, zoals het in thrillers wel vaker gebeurt. Een moord moet gruwelijk zijn.

Wat nu als beide slachtoffers ‘gewoon’ met een schot waren gedood? Een kruisiging is bovenal een signaal, en het is duidelijk dat de molenmoord een antwoord daarop is. Maar het blijft het hele boek de vraag waarom de opdrachtgever van de eerste moord een antwoord zou willen uitlokken. 

Aan het eind van het boek, dat dus speelt rond kerst en oud en nieuw is het 1943. Klinkt cru, maar gelukkig voor de lezers van Kuipers’ geweldige reeks zijn er nog een paar oorlogsjaren te gaan.

 John Kuipers: De man in Westerbork. 346 p’s. Cargo

foto: Johan Wieland