Tjadine Stheeman is een van de vertalers van Zadie Smith’s nieuwe essaybundel Dood en Levend. Eerder vertaalde ze onder meer romans van Paul Lynch, die voor Prophet Song de Booker Prize kreeg toegekend. ITA heeft de roman deze maand naar het theater gebracht. Non-fictie vertalen, fictie vertalen, wat speelt daar? Alle reden voor een interview.

door Theo Hakkert

Niet eerder vertaalde je Zadie Smith. Is het belangrijk om ook ander werk van een schrijver te kennen voordat je aan het nieuwe boek begint?
– Ik heb wél eerder werk vertaald van Zadie Smith, maar alleen haar essays, haar romans zijn volgens mij allemaal door Peter Abelsen vertaald. Ik heb, in samenwerking met drie andere vertalers, de essaybundel Feel Free (Voel je vrij, 2018) vertaald, daarna het coronaproject Intimations (Overpeinzingen, 2020), een miniboekje met beschouwingen over de verwarrende tijd die de pandemie veroorzaakte. En nu dus is er Dood en Levend, waar ik ook weer met verschillende vertalers aan heb gewerkt. Toen ik aan Feel Free begon had ik van haar wel The Embassy of Cambodia gelezen, dat ik heel erg mooi vond, en ik was in White Teeth begonnen, maar tot mijn schaamte heb ik dat nooit uitgelezen. Op zich is het niet nodig om het eerdere werk van een schrijver te kennen, het gaat erom dat je ‘iets hebt’ met de stijl, de humor, de manier van denken van een auteur. En ik heb ook vaak debuten vertaald, dan heb je helemaal geen referentiekader. Je zou eigenlijk kunnen zeggen dat het moet klikken tussen jou en de auteur.

Dit is non-fictie. Kun je in het algemeen iets zeggen over het verschil tussen het vertalen van fictie en non-fictie? In aansluiting: is non-fictie gemakkelijker te vertalen omdat in fictie vaak meer lagen zitten, al dan niet verborgen? Terwijl in non-fictie mogelijk meer vaktaal zit?
– Ik ben een echte fictievertaler, ik heb maar heel weinig non-fictie gedaan, in het begin van mijn carrière wel, vooral omdat ik het toen nog niet altijd voor het kiezen had.
Inmiddels maak ik nog maar zelden een uitstapje naar non-fictie, alleen als ik het een interessant project vind en als ik er mijn literaire stem in kwijt kan. Bij Zadie is haar stijl natuurlijk uitdrukkelijk aanwezig. Bij haar gaan inhoud en stijl hand in hand.

Een van de redenen dat ik liever geen non-fictie vertaal is dat daarbij de inhoud heel belangrijk is. Je kunt er niet zomaar een slag naar slaan, je moet alles tot op de bodem uitzoeken, elke term die voorbijkomt checken. Er zit ook vaak een register bij, een verantwoording, alle referenties en noten die vertaald moeten worden. Geef mij maar fictie waar de creatieve marge een stuk groter is en je meer je eigen stem kwijt kan. Het klopt dat er in fictie vaak meer lagen zitten, maar dat maakt het vertalen juist leuk.
Maar voor Zadie Smith maak ik dan graag weer een uitzondering omdat ik haar zo’n bijzondere denker vind en haar manier van schrijven een uitdaging is om te vertalen.

Zadie Smith





Aan deze bundel van Zadie Smith hebben meer vertalers gewerkt. Hoe gaat zo’n samenwerking? Is daar overleg over of is het gewoon een kwestie van verdelen? Jij deze, ik die. Hoe verloopt die samenwerking? 
– De samenwerking is ook een beetje noodgedwongen. De uitgever, Prometheus, komt vaak met een deadline die je in je eentje niet kunt halen omdat de essays van Smith echt heel lastig te vertalen zijn. Dat is niet een kwestie van er even doorheen speren. Maar het is ook prettig om met verschillende vertalers aan zo’n project te werken, zodat je kunt sparren en wat langer over een tekst kun doen. Ik weet niet of het voor de andere vertalers geldt, maar ik zou geen 400 pagina’s van Zadie in mijn eentje kunnen vertalen, dat wordt me gewoon te veel. Het is bij haar soms puzzelen op de vierkante millimeter. Omdat de essays zo verschillend van toon en inhoud waren, konden we ze makkelijk onder elkaar verdelen. Niet dat we ze de ander door de strot duwden, hoor, we mochten allemaal aangeven welke essays we het liefst wilden vertalen. En af en toe moest er even gesteggeld worden, maar we zijn er heel goed uitgekomen.

Samenwerken doe ik sowieso graag. Ik heb lange tijd samengewerkt met Gerda Baardman en heb inmiddels een heel fijne andere vertaalcollega, Lidwien Biekmann, met wie ik onder anderen Margaret Atwood, Ottessa Moshfegh en Paul Lynch heb vertaald. We hebben dezelfde manier van vertalen, zelfde taalgebruik, zelfde humor. Dat is heel belangrijk voor een goede samenwerking. En we zijn het meestal wel met elkaar eens. En ook hier geldt dat het fijn is om een sparringpartner te hebben. Maar voor de afwisseling is het lekker om af en toe iets alleen te doen.

Jezelf als vertaler herkennen in de redeneertrant van in dit geval Zadie Smith werkt dat inspirerend, en als het niet zo is: bemoeilijkt dat je werk?
– Voor literair vertalen geldt eigenlijk altijd dat je iets moet herkennen in het werk. Dat kan stijl zijn, of humor, of een bepaalde redeneertrant. Je hoeft het natuurlijk niet altijd eens te zijn met wat de schrijver beweert maar je moet hem of haar wel kunnen volgen. Van Zadie heb ik veel geleerd en door haar ging ik me verdiepen in bepaalde kunstenaars en schrijvers en hun werk. Heel interessant en inspirerend.

Soms vertaal je ook een schrijver die echt heel erg out of the box denkt en schrijft, zoals bijvoorbeeld Ottessa Moshfegh, die heeft echt een kronkel, maar dan is het als vertaler wel handig als je in haar gekte mee kunt gaan. En dat kan ik gelukkig. En wat ik al eerder zei, een schrijver waar ik weinig mee heb, zal ik niet snel vertalen. Dat laat ik dan liever aan een ander over.


Paul Lynch is een auteur die allengs intensere verhaallijnen schrijft. Hij speelt een duister spel met hoop en verwachting bij de lezer. Hoe lastig is het om je niet mee te laten slepen? Of is dat juist goed?
– Paul Lynch heeft een heel aparte stijl. Hij gebruikt geen aanhalingstekens, geen hij zei/zij zei, het leest in het begin misschien wat verwarrend maar naarmate je vordert wen je aan zijn stijl en merk je dat het juist goed werkt voor het verhaal dat hij wil vertellen. Je wordt meegezogen in het verhaal van Eilish, de moeder die haar gezin bij elkaar probeert te houden terwijl de situatie in het land steeds grimmiger wordt.
Als je aan het vertalen bent, ben je zo met de woorden en de zinnen bezig dat je geen tijd hebt om je echt te laten meeslepen door het verhaal. Dat gebeurt eigenlijk pas als je je eigen vertaling in zijn geheel doorleest, dan komen de emoties pas los.
Bij het vertalen is het niet handig als je compleet overmand wordt door het verhaal zelf, maar je weet dat je het goed doet, als je bij het doorlezen wel dezelfde gevoelens ervaart als die de schrijver wil losmaken. Dit boek heb ik ook samen vertaald met Lidwien, al heb ik het grootste deel gedaan, maar zij had een gruwelijke passage vertaald, waarbij ik helemaal volschoot toen ik die voor het eerst las. Dus dan heb ik wel die lezerservaring maar als ik zelf aan het vertalen ben, ben ik te veel aan het puzzelen om me te laten meeslepen, het is toch ook gewoon werk!

Ik hoorde je in Utrecht, meen ik, zeggen dat je contact met hem hebt gehad. Gaat het dan over dat soort passages?
– Lynch had soms wat onbegrijpelijke passages, metaforen die niet direct te duiden waren. En er zaten ook wat Ierse uitdrukkingen in. Dus daar heb je dan contact over. Hij weet natuurlijk niet de Nederlandse term maar als hij iets in andere woorden omschrijft, weet je meestal wel in welke richting je het moet zoeken. En sommige Ierse woorden waren onvindbaar op internet. Het woord ‘shuttle’ bijvoorbeeld. Dat bleek kolenkit te betekenen, maar in die betekenis kon ik het niet vinden. ‘Skuttle’ was het en dat wordt ook als ‘shuttle’ geschreven.

Tjadine Stheeman spreekt de afstuderenden aan de Vertalersvakschool toe.
Ze is daar geen docent meer, maar bestuursvoorzitter.
Foto: Elbert Besaris

Je doceert over vertalen. Wil je iets noemen waar je de studenten op hebt gewezen bij Paul Lynch?
– Ik doceer al een hele tijd niet meer maar ik heb ruim tien jaar lesgegeven op de Vertalersvakschool. Wel hou ik af en toe praatjes of lezingen over vertalen. Wat ik studenten vaak op het hart druk is dat ze moeten durven. Dat is heel lastig als je begint als vertaler, je losmaken van het origineel zonder er een heel andere tekst van te maken. Dat is vooral een kwestie van durf. Literair vertalen is een soort balanceeract, je moet loskomen van het origineel maar er niet te veel van afdwalen. Maar opereren binnen die creatieve marge maakt het vertalen ook juist spannend.

*Zadie Smith: Dood en Levend.
Vertaling: Gerda Baardman, Nicolette Hoekmeijer, Frank Lekens, Kitty Pouwels en Tjadine Stheeman. 320 p’s, Prometheus

Foto Zadie Smith: David Shankbone / Wikimedia Creative Commons

Op de andere foto: van rechts naar links Tjadine Stheeman, co-vertaler Lidwien Biekmann en Paul Lynch.