Édouard Louis heeft zijn eigen À la recherche de temps perdu afgerond. Na Proust’s zevendelige roman fleuve met die parapluterm van een eeuw geleden heeft de Franse literatuur een nieuw septet om mee te pronken. Zeven boeken van Édouard Louis over zijn familie en daarmee over de sociale klassen die er nauwelijks in slagen op te klimmen in het leven.

Wit T-shirt. Korte mouwen. Vrieskou buiten, brrr. Binnen zit Édouard Louis (33) er kennelijk warmpjes bij. Lange antwoorden, scherp geformuleerd. Raoul de Jong, goed bevriend, als interviewer van dienst.
ILFU was vanwege de grote belangstelling voor de sterauteur – lelijk woord, maar die status heeft hij – uitgeweken naar de Stadsschouwburg. De schrijver is op tournee nu De ondergang is verschenen, zijn zevende en laatste boek over zijn familie. Boek, ja, ‘roman’ staat er niet op. Hier is er geen reden om de clichédiscussie te voeren of de schrijver al dan niet samenvalt met de verteller. Dat is wel het geval.

De ondergang gaat over ‘mijn broer’, een broer die geen naam krijgt, een broer die aan alcohol ten onder is gegaan. Met 38 jaar was het voorbij.
Eerdere boeken gingen over zijn vader, zijn moeder – twee boeken, ze wil er eigenlijk nog een – en hij had nog door kunnen gaan, zei hij in Utrecht, hij heeft nog broers en zussen “genoeg”, maar dit is het. Andere verten lonken. Hij zou over seksualiteit willen schrijven. Of over Marco Polo. Waarschijnlijk wordt het allebei. Tenzij.

Édouard Louis zoekt de eeuwigheid niet

Tenzij is waar hij op hoopt. Tenzij zich in de realiteit van alledag een onderwerp aandient dat hij in literatuur moet behandelen, omzetten, tegen het licht moet houden.
Iemand had eens tegen hem gezegd dat door te schrijven over Macron en Sarkozy zijn boeken over enige tijd niet meer zullen aanspreken, omdat die politieke en sociale actualiteit dan voorbij is. Édouard Louis zoekt de eeuwigheid niet, zoals andere auteurs, zei hij. Liever nu een boek dat inslaat en impact heeft, ’een bom’, zo zei hij het, dan een stoffig artifact waar de academici in de letterkunde tot in lengte van dagen op kunnen studeren.

Het grote thema van zijn werk is sociale stijging en de onmogelijkheid daarvan. Zijn vader in eerdere boeken en de ‘mijn broer’ in De ondergang hebben die ladder niet kunnen vinden. Tegengewerkt door het systeem, de maatschappij, hun omgeving en hun onkunde of gebrek aan wil, talent, opleiding. Zijn moeder is dat wel gelukt, door zich los te worstelen van haar gewelddadige man, met behulp van Édouard en diens boezemvriend schrijver Didier Eribon. En Édouard Louis zelf natuurlijk, die kon gaan studeren – door daar voor te vechten, steun kreeg hij niet binnen het gezin.

Zijn moeder lukte het, het ‘verslag’ daarvan is te vinden in Monique ontsnapt, waarin hij haar meeneemt naar Hamburg voor een voorstelling over haar, gebaseerd op een boek van haar zoon. Ze ging voor het eerst vliegen, voor het eerst een landsgrens over, voor het eerst naar een hotel, voor het eerst naar het theater, waar ze werd onthaald op een groot applaus alsof ze zichzelf had gespeeld op dat podium. Inmiddels is ze bevriend met Catherine Deneuve. De filmster antwoordt op de vraag of ze Édouard Louis kent: ‘Nee, zijn moeder wel.’

‘De literatuur moet het doen
nu de politiek het niet kan’

Zo’n sociale stijging gunt hij iedereen. Louis kan er gepassioneerd over spreken. Over de extra laag die de gegoede burgerij – om maar een oude term te bezigen – heeft. Die mensen hebben al die, in hun ogen kleine dingen waar sociale onderlagen niet aan toe komen. Bij gebrek aan geld en belangstelling. Waar zijn moeder naar haar vlucht kennis mee had gemaakt dus: hotels, vliegtuigen, theaters, etentjes, omgang met beroemdheden.
Niet zonder ironie: in de zaal in Utrecht zat niemand uit de sociale omgeving die hij zo’n moment zou gunnen.

‘De literatuur,’ zei hij tegen het slot, ,,de literatuur moet het doen nu de politiek het niet kan.” Uitbuiting, onderdrukking, tegenwerking, de hele rits punten waarmee de samenleving zichzelf tekort doet, faalt. Het bekende verhaal van de kleine man die wordt vermalen door de raderen van het systeem, maar dan in een fris Frans exposé. De verrechtsing die alom gaande is, niet in de laatste plaats omdat de onderste sociale klasse – er zijn geen landen zonder sociale klassen, zei hij – ook nog eens tegen hun eigen belangen in stemmen.

In De ondergang laat hij dat zien aan de hand van het levensverhaal van een van zijn oudere broers. Een broer die hij haatte, zo haatte dat hij hem al bijna tien jaar was ontlopen tot het telefoontje van zijn moeder kwam dat die broer was overleden. Of zou zijn overleden, hij lag in het ziekenhuis, waarop Édouard alsnog een sprint inzette, maar te laat kwam.

Wel een keer of zeven, acht keer is hij daarna begonnen aan dit boek, want iets zette hem daartoe aan. Wat precies wist hij ook niet. Pas toen hij doorhad dat zijn broer aan zijn eigen dromen ten onder was gegaan – zo zou hij de beste en bekendste slager (sic) ter wereld worden – vond hij de juiste sleutel. ‘Mijn broer was ziek van zijn dromen’, schrijft hij al vroeg in het boek. En even verderop: ‘Ik had vaak een hekel aan mijn broer, maar ik wil zijn leven begrijpen’.

Minutieus ontleedt hij het leven van de broer. Diens geweld, diens alcoholisme, diens homohaat ook. Tegenover anderen verklaarde hij dat hij Louis, zijn homoseksuele broer, op zijn bek zou slaan.
‘Mijn broer was anders. Zijn homohaat zat in zijn geest verankerd.’ Hij noemt het een ideologie. ‘Waarom?  Mijn broer had zo weinig – geld, dromen, geluk – dat die manier van praten, zo vol haat, op een bepaalde manier het enige was wat hij had. Ik denk dat hij er zich daarom zo aan vastklampte. Die manier van praten gaf hem een plaats, een zekere consistentie in de wereld. Zonder had hij niets meer, was hij niets meer.’

Op andere momenten liet de broer zich liefdevol en lovend over Édouard uit. ‘Mijn broertje gaat doen wat mij nooit is gelukt en dat is mijn trots,’ moet hij hebben gezegd. ‘Mijn broertje is mijn wraak.’

Wraak, het woord viel vaak in Utrecht. Wraak werkt bevrijdend, stelde hij. Wraak is de reactie op, het antwoord op de maatschappij als het individu zich van de ketenen heeft weten te bevrijden. Wat hem bracht tot de uitspraak: ‘Als er geen wraak is, bestaat er geen vrijheid.’

‘Ik wil kunnen geloven wat ik weet’

Psychologisch dringt hij door tot in de poriën. Om toch op het eind te twijfelen. ‘Misschien weet ik niets van mijn broer, maar ik wil kunnen geloven wat ik weet. Misschien heb ik een verhaal nodig, een verklaring, iets dat betekenis geeft.’
Verhaal, ja. Louis wordt een gegeven moment geconfronteerd met grove termen, woorden, uitspraken van zijn broer over bezoeken aan prostituees.
Er staat: ‘Ik weet niet of de literatuur die woorden kan weergeven. Ik twijfel aan haar vermogen om de eenvoud en de grofheid over te brengen waarmee mijn broer die woorden uitsprak.’
Maar zonder gaat ook niet. ‘Als ik het bestaan van die taal verhul, verhul ik dan niet het leven van mannen als mijn broer?’

Over taal nog dit. Ik heb de eerste – naar bleek 86 – pagina’s van De ondergang beluisterd via Spotify. Toen ik daarna aan het papieren boek begon, viel de opmaak op. Het wit. De vetgedrukte woorden. De cursieve passages. Daar was allemaal niets van te horen in de luisterversie. Een hoofdstuk staat tussen haakjes, in welke boeken gebeurt dat? Maar dit wordt niet vermeld. Spelen met opmaak, met korte zinnen die een alinea zijn, de herhaling van een zin door die op een volgende pagina te herhalen, het is allemaal niet te horen. Zonder een papieren boek gaat veel verloren, zonder een papieren boek gaat het niet.

*Édouard Louis: De ondergang.
Vertaling door Kiki Coumans van L’Effrondement.
230 p’s. De Bezige Bij.

Foto: Heike Huslage-Koch