Sinds 2008 heeft de Scharf Collection een museum in Berlijn, maar een grote selectie uit de grootste privé-verzameling van Duitsland is soms ook elders te zien. Zoals nu in Düsseldorf met vooral Franse kunst: Monet, Cezanne, Renoir, De Toulouse-Lautrec, Bonnard – alle grote namen.
door Theo Hakkert
Otto Gerstenberg (1848–1935) deed in verzekeringen. Niet als eenvoudig agentje, nee, groots. Een landelijke Duitse business zette hij op, zo lucratief dat hij het rond zijn vijftigste kon permitteren flink in kunst te investeren. Schilderkunst. Eerst richtte hij zich op Duitse en Nederlandse kunst uit vanaf de vijftiende tot en met de zeventiende eeuw.
Al snel voegde hij ook Goya, Courbet en Constable aan zijn verzameling toe. Courbet was hierbij de voorbode en richtingwijzer. Zo ook Delacroix. Contemporaine Franse schilders. Renoir, Monet, Degas. Hij kocht ze soms vers van de ezel.
Niet alleen had hij de smaak te pakken, hij droeg de liefde ook over aan zijn dochter Margarethe Scharf (1889-1961) die erin slaagde een flink deel van de collectie, die haar naam kreeg, schadevrij door de oorlog te loodsen, om die vervolgens over te doen aan haar zonen Walther (1923-1996) en Dieter (1926-2001). De familielijn van Walther heeft de verzameling nu in handen, en ze voegen er nog altijd aanwinsten aan toe. Claude Monet’s Waterloo Bridge (uit 1903) bijvoorbeeld, een brug in de nevel. En een Bonnard, en een Matisse. Waarom niet?

(Claude Monet, Waterloo Bridge, 1903, oil on canvas, 65 x 100 cm © The Scharf Collection, Photo: Ruland Photodesign)
Alleen, al die kunstwerken zijn privébezit. Ik probeer me voor te stellen hoe je ’s morgens de trap afdaalt en daar een vrouw van Renoir passeert en haar vriendelijk groet, onderweg naar het ontbijt op een Monet stuit en in de woonkamer, nog voor de eerste koffie, een wand inspecteert met een complete verzameling van De Toulouse-Lautrec – de Scharfs hebben al diens grafische werk.
Het was lang een niet-openbaar museum, de Scharf Collection. Sinds 2008 is er een museum in Berlijn. In het tijdperk van delen gaan de depots geleidelijk verder open. Een selectie was te zien in de Alte National Galerie in Berlijn. Die is nu naar het Kunstpalast in Düsseldorf verhuisd met nog eens zestig extra kunstwerken. Japans houtsnijwerk – Hokusai, Kuniyoshi. De onvoorstelbare rijkdom achter de collectie leidt haast af van de schoonheid hier.
Kunst en kapitaal is een oud verhaal. Bizarre bedragen gaan erin om. Toevallig – of hier waren de algoritmes aan het werk – verscheen deze week een oud filmpje op Instagram met Gerhard Richter (die niet in deze selectie uit de Scharf Collection zit). Het komt uit de documentaire The Price of Everything uit 2018. Hij wijst naar een klein werk van hem aan de wand in een museum. Het heeft de waarde van een woning, zegt hij. ‘Dirty money’. Dus is het goed dat het in een museum hangt, want dan kan tenminste iedereen er naar kijken. Niet oppotten, delen.
Zo werkt het ook met de verzameling die nu in het Kunstpalast hangt. Ze zijn te zien. Maar hoe goed is deze kunst? Omdat deze werken nauwelijks te zien waren, rijst het vermoeden dat het niet de hoofdwerken van deze kunstenaars zijn. Het kan, om het onvoorstelbare te denken, toch niet zo zijn dat hier een doek van de klasse van Manet’s Le dejeuner sur l’herbe opduikt? Nee, dat niet. Sterker nog: de naam Picasso werkt altijd als een lokkertje, maar die ene collage die hier van hem te zien is, is zeker geen topstuk uit zijn oeuvre.
Een les Franse kunstgeschiedenis
Het interessante is nu juist dat het oeuvre van al deze kunstenaars – ook Bonnard, Vuillard, Daumier zitten er tussen – in de breedte worden aangevuld terwijl de tentoonstelling tegelijkertijd een les Franse kunstgeschiedenis van rond 1850 tot diep in de twintigste eeuw is. Van realisme naar impressionisme. Van het objectieve naar het subjectieve. Al die ontwikkelingen zijn hier te volgen aan de hand van fascinerend onbekend werk van deze grote kunstenaars.
Het begint al meteen met een mooie Courbet uit 1849, hij van L’origine du monde. Maar zo pikant en op eigen wijze baanbrekend is dit tafereel niet. In tegendeel. De filosoof Marc Troubadoux bladert in Courbet’s atelier door een boek met platen. In zand- en ander bruin. De craquelé boven het hoofd van de wijsgeer zal Gustave Courbet (1819-1877) niet hebben geschilderd, maar past wonderwel bij deze eenvoudige afbeelding. Toen een contemporain beeld, nu mooi oud geworden.
Al moderner, en ook inderdaad van dik twintig jaar later, is het door Camille Corot (1796-1875) geschilderde portret van een jonge blonde vrouw in een tuniek, uit 1871. Haar arm ligt vrij achteloos over de leuning van een stoel waar ze nadenkend poserend op zit. Het moet de kleurstelling in haar kledij zijn geweest die Picasso en andere modernisten in het werk aantrok. De schakeringen in haar tuniek zijn duidelijk van een andere, nieuwere tijd dan wat Troubadoux draagt. Voor de tentoonstelling is het schilderij gereinigd, waardoor de kleurstelling goed tot uitdrukking komt.
Van Corot is ook een wonderschoon, klassiek olieverfschilderij Bauernhof in Chailly (Duitse en Engelse titels bij Franse kunst, hoe dan?) te zien. Het licht valt op het dak van de statige, brede gele boerderij, de muur eronder bevindt zich in de schaduw, wat een enorme dieptewerking aan het doek geeft. De boer staat kippenvoer te strooien. Twee dikke paardenbipsen trekken zich nergens wat van aan. Aan de hemel een paar achteloze wolken.
Literair intermezzo
Manet, die realistischer leek, de werkelijkheid directer en natuurgetrouwer weergaf dan Monet met zijn zwevende en in elkaar overlopende kleuren waarin het beeld oploste en soms onherkenbaar werd als draaide het enkel om een impressie van kleur, nevel, riviermist, díe Manet kwam hem nu fantastischer voor, juist door zijn minutieuze blik, door de intensiteit van het groen, en door de ongewone combinaties, hoe realistisch elk detail apart ook was. Monet gaf een les in waarnemen, in waarheid, Manet in mogelijkheid.
uit: Nevenwezen van Donald Niedekker
De eerste tentoonstelling van wat de impressionisten zouden worden, had plaats in 1874 in het atelier van Nadar. Claude Monet’s Impression, soleil levant muntte de term. Maar ‘opkomende zon’ is al net zo veelzeggend. De kunstenaars trokken naar buiten en legden daar hun indrukken vast op doek en papier.
Wat ook kon: naar buiten kijken terwijl je binnen zat. Monet was rond 1900 vaak in Londen en vanuit zijn kamer in het Savoy schilderde hij wel veertig keer Waterloo Bridge. Waarbij het hem niet ging om de brug, die weliswaar robuust is met mooie bogen, maar ook weer niet zo spectaculair is. Het ging hem om het licht. Deze versie, uit 1903, is blauw met grijs en steen. Heel vaag bovendien. Zon en nevel houden elkaar in evenwicht. En dan te bedenken dat de vage, subtiele schoonheid van dit werk pas goed tevoorschijn kwam bij een grondige reiniging.

Een topstuk is ook Junge Frau met Blumenhut van Auguste Renoir (1841-1879). Pastelkrijt op papier. De streken in haar hoogsluitende rode jas geven een vluchtigheid aan, alsof het even in een achteloos moment is getekend. De bloemen op haar hoed trekken door de felle kleuren veel aandacht, maar net zo goed vallen haar lichtbruine haren op. Haar gesloten ogen geven een fijne sereniteit aan dit prachtwerk.
Literair intermezzo
Mensen met verstand van kunst vertellen ons tegenwoordig dat Renoir een grote achttiende-eeuwer is. Maar als ze dat zeggen vergeten ze de Tijd en dat er heel wat voor nodig is geweest, ook middenin de negentiende eeuw, eer Renoir als een groot kunstenaar werd ingehaald. Om een dergelijke erkenning te verwerven gaat de oorspronkelijke schilder, de oorspronkelijke kunstenaar, te werk op de manier van een oogarts. (…)
Vrouwen gaan op straat voorbij, anders dan die van vroeger, aangezien het Renoirs zijn, die Renoirs waarin je indertijd weigerde een vrouw te zien.uit: De kant van Guermantes II van Marcel Proust. Vertaling: Thérèse Cornips
Van de grote doeken is Place de Clichy van Pierre Bonnard (1867-1947) het meest indrukwekkend. Een zoekplaatje is het door de dynamiek en door het grote aantal stadse details die erin zijn aan te wijzen. De dynamiek komt door de verschillende perspectieven die hij heeft gekozen. Handelaren, passanten, maar ook een koets met paarden en zelfs een dubbeldeks tram – in het enige groen dat hier te zien is, fel groen. Op het eerste gezicht lijkt de tram een tribune waar mensen naar het gewemel op straat kijken, ook al omdat er nauwelijks plaats lijkt te zijn voor een rijdende tram.

(Pierre Bonnard: Place Clichy. (1906). Foto: VersTwee)
Bonnard heeft bovendien een bekende uitgeefster een plek gegeven én zijn collega Édouard Vuillard. Ze zaten samen kortstondig in de groep Les Nabis, die zich alweer afzette tegen het impressionisme.
Literair intermezzo
Het geel van strand, zon, Frankrijk, le maillot jaune, dat hij, pigmenten mengend met eigeel of gekookte lijnolie, stap voor stap probeerde te benaderen, als wilde hij de zomer vangen, het geluk van het pedaleren door lavendelvelden en langs bergflanken, waaraan in de avondschemer het verre geluid van de tennisballen raakte, zou hij later bij Bonnard zien, een geel dat hij soms rook in de bakkerij en hoorde in het timbre van mevrouw Fijns stem.uit: Nevenwezen van Donald Niedekker
Bonnard en Vuillard, en andere leden van Les Nabis, zochten naar andere kleurverhoudingen tussen vlak en lijn, en verf en vorm. Ze herkenden het in de Japanse kunst die vanaf 1867 in Frankrijk populair werd nadat de onbekende Aziatische kunst op de Wereldtentoonstelling voor het eerst in Europa te zien was geweest. De Scharf Collection heeft een aantal prachtige voorbeelden van kleurenhoutsneden en dan ook meteen van Katsushika Hokusai (1760 – 1847; hij van De Grote Golf) en Utagawa Hiroshige (1777 – 1858). De litho’s van Vuillard ernaast laten zien hoe diep de invloed van de Japanse kunst ging. Het japonisme had zijn intrede gedaan.
Literair intermezzo
Er bestaan vele verhalen over het ontstaan van het japonisme, maar de mooiste versie is ongetwijfeld deze: in 1856 (…) viel het oog van de 23-jarige Parijse lithograaf Félix Bracquemond toevallig op het verpakkingsmateriaal van een lading oriëntaals porselein. (…) En wat voor afbeeldingen: vliegende vogels in zwart, grijs en roze, delicate bloesems en insecten zo ragfijn als kant. (…) Later zou Braquemond ontdekken dat het hier ging om houtdrukprenten van Katsushika Hokusai, behorend tot het zogenoemde kachō-ga-genre – dat letterlijk ‘beeltenissen van bloemen en vogels’ betekent.
Bracquemond was meteen volledig in de ban van zijn vondst. (…) Daarnaast was hij goed bevriend met jonge kunstschilders als Édouard Manet. Deze prenten, die in het geheimzinnige land van herkomst kennelijk zo alledaags werden bevonden dat er porselein in werd verpakt, boden hem en zijn vrienden opeens een geheel nieuwe manier om de werkelijkheid te verbeelden.
uit: De zwevende wereld van Annejet van der Zijl.

Van Edgar Degas (1834-1917) zijn vrouwenfiguren te zien. Naakten, maar het was hem te doen om hun houding. Een schitterend voorbeeld is Sich kämmender Akt: een vrouw op de blote rug gezien die haar haren kamt. Voelt ze de blik van de toeschouwer, is ze zich bewust dat ze wordt bekeken? Een spel dat Degas altijd speelde, waarbij de vrouwen soms ook terugkeken, al dan niet via spiegels. Hij bezocht daarvoor tal van etablissementen en nachtclubs.
Een methode die ook Henri de Toulouse-Lautrec (1864-1901) niet onbekend was. In de reeks Elles legde hij prostituees vast bij hun dagelijkse beslommeringen voordat de klanten kwamen. Van hem zijn ook zijn beroemde affiches te zien, onder andere de waarschijnlijk bekendste, de poster voor cabaretier en zanger Aristide Bruant.
Subtiel is zijn Konversation, uit 1899. Een man en een vrouw. Hij met hoed, zijn van achteren te zien. De kleuren zijn voor haar: blond haar, een blauwe bies langs haar kledij. Iets zegt dat het geen gemakkelijk gesprek is.
Van meer dan een halve eeuw later, dus ook van na de oorlog, is het stilleven Vase met Blumen und Statue van Fernand Léger (1881-1955). Brede oranje, groene, blauwe en gele strepen geven diepte en kleur aan de met zwarte lijnen uitgevoerde vazen en bloemen.
Het laatste hoogtepunt. Wat de Scharfs nadien hebben aangekocht, moet zich nog bewijzen – om het vriendelijk te zeggen. De tijd moet er nog overheen. Maar tegen het grote aantal indrukken van de oudere werken is moeilijk op te boksen.
Monet – Cézanne – Matisse. The Scharf Collection. Tot 9 augustus 2026 in Kunstpalast Düsseldorf