‘Wie loopt test onvermijdelijk het geheugen, wie wandelt denkt gemakkelijk het verleden in, niets aan te verhelpen. Wandelen is een spoor trekken door wat achter je ligt.’ Voor zijn 50-jarig schrijverschap ging Otto de Kat terug naar Munnikenland en hij schreef er een subliem boek over aan de hand van Martinus Nijhoff’s ‘Het kind en ik’, waar hij de titel van heeft overgenomen. Klein van omvang, groots van stijl en diepgang.
Ingrepen in het landschap gaan altijd gepaard met pijn en wekken terstond de nostalgie. Dorpen die onder water verdwijnen omdat er een stuwmeer moet komen. Wat zo niet aan verleden, beschaving en de tastbaarheid bij herinneringen verdwijnt.
Hoe actueel: Moerdijk nu, dat plaats moet maken voor industrie. Polders die worden opgeheven opdat het water, dat ruimte moet hebben, weer kan vloeien.
Wim T. Schippers speelde met het idee door in 1979 in een vijver op de campus van de Universiteit Twente het bovenste stuk van een klokkentoren van een kerk te plaatsen, waar de suggestie van uitgaat dat het dorp waar de toren het hoogste punt van was zich onder het water bevindt. Het Torentje van Drienerlo is ijkpunt en beeldmerk. Schippers heeft het komische verbonden aan het serieuze thema van klimaatverandering, al had het in 1979 nog niet de betekenis die het tegenwoordig heeft.
Ingrepen in het landschap. Rivieren verleggen, ruilverkaveling, onteigening – er zijn vele vormen. Het is van nu, het is van toen.
‘Ruimte voor de rivier’ was een programma dat de Waal meer vloeigebied zou geven. In het Munnikenland voelde boer Duijzer het van verre aankomen. Toen de Alpen nog bezig waren het rivierwater druppelsgewijs aan te voeren, wist hij al wat eraan zat te komen. Protest, inspraakrondes, juridische stappen, maar tegen een vloed van ambtenarij is geen dijk bestand. De zoon moest het overnemen, zo lang duurde het nog, maar ook hij moest aanzien dat de bulldozers kwamen, al hebben de machines zelden schuld.
‘Ik haal af en toe de verhalen van vader en zoon door elkaar. Omdat ze dezelfde toon hadden, er klonk dezelfde woede en onmacht in door. Maar het was de zoon die ten slotte zijn grond af moest. De advocaat had niets meer kunnen verzinnen, zijn laatste juridische uitwegen waren doodgelopen. Het ‘algemeen belang’ won het van het individuele bezit, het recht van de sterkste, Goliath won van David, de boerderij werd onteigend, het land ging op de schop – letterlijk.
De plattegrond van oeroude herinneringen werd verstoord, de kaart klopte niet meer, het gebied bood nergens houvast, wat was leek nooit bestaan te hebben. Monniken, soldaten, boeren en boerinnen, knechten en vreemdelingen, alles en iedereen ging ten onder in de papieren wereld van architecten en dijkgraven. De logica regeerde, de angst voor overstroming en evacuatie deed de rest.
Maar bestond de plattegrond dan ook niet meer? Oude geschiedenissen laten zich niet verdringen en niet verdrinken. Je kan er zand overheen gooien, dijken verleggen, huizen slopen, maar de verhalen krijg je niet onder de grond, de herinneringen laten zich niet verslaan, het geheugen is een listige machine.’
Een lange passage uit een dun boek: Het kind en ik van Otto de Kat (pseudoniem van Jan Geurt Gaarlandt (*1946)). Een nieuw deeltje in Terloops, de piekfijne wandelingen-reeks van uitgeverij Van Oorschot. ‘Het kind en ik’, ja, dat gedicht van Nijhoff. De Kat zet met dit kleinood zijn 50-jarig schrijverschap luister bij. Hij is een uitmuntend stilist.
Hij wandelt door Munnikenland, het westelijk deel van de Bommelerwaard. Ooit woonde hij daar, zijn ouders hadden een dijkhuisje gekocht. Al op zijn vijftiende mocht hij van zijn vader met de auto rijden, naar slot Loevestein, in hun Renault Dauphine. Aan de hand van de dichtregels van Martinus Nijhoff, die als wegwijzers fungeren, wandelt hij in dit boek (hier past geen verkleinwoord, al zijn het maar zestig pagina’s) door het landschap en door zijn geheugen. Het is alsof hij voor- en achteruit loopt.
Het is een gebied met illustere namen, namen die een diep verleden suggereren. Ook door de aanwezigheid van water, van rivieren. Waar vinden we mooiere plaatsnamen dan hier? Brakel, Poederoijen, Zuilichem, Gameren. Unieke poëzie is het, poëzie die het geheugen opent en gedachten stuurt naar lang geleden. Dorestad, al ligt dat daar helemaal niet.
Zaltbommel zelf, het ‘Bommel’ uit ‘De moeder de vrouw’ van Nijhoff: ‘Ik ging naar Bommel om de brug te zien’ – nog even en alleen de Moerdijkbrug herinnert nog aan Moerdijk. Moerdijk, moeder – het vloeit associaties.
Waar denk je eigenlijk aan als je over een rivier tuurt? Hier, en de overkant ginds. De tijd die passeert, verpakt in seizoenen. De moeder als begin, de bulldozer als het eind, de bruggen die het leven verbinden. Dat je over de brug ook terug kunt, komt zelden in je op. Geen landschap maakt zulke bespiegelingen los als een gebied met rivieren waar, inderdaad, alles stroomt.
Het kind en ik is subliem. Lang eruit citeren is niet de bedoeling, maar goed, eentje nog:
‘Het Munnikenland was het land van God, geen twijfel mogelijk. Hij had zich er duurzaam gevestigd, de dorpen in de omgeving wisten en weten ervan. Gekrookte Rieters of niet, ze hoeven er niet over na te denken: de Eeuwige is hier neergestreken. En wie om zich heen kijkt, gewiegd door het dromerige tempo van een onthaaste wandeling kan het beamen: de eeuwigheid besluipt je, de uiterwaarden omsluiten je, als de koekoek roept. In de stiltes tussen zijn roep hoor ik insecten die je normaal gesproken nooit hoort, krekels, een vliegende tor, bijen, sprinkhanen.’
Otto de Kat: Het kind en ik. Een wandeling.
Serie Terloops, 60 p’s, Van Oorschot.