In Laatste man, de nieuwe roman van Marc Reugebrink, zijn de thema’s uit zijn vroegere werk weer ruim vertegenwoordigd. „Het woord ‘vlees’ valt vaak. Ik denk dat het altijd mijn thema is geweest. Het kwetsbare, verwondbare lichaam dat alles ondermijnt. Maar dat ook alles draagt, zonder lichaam gaat het niet.”


door Theo Hakkert


Dit wordt een recensie die persoonlijker van aard is dan gebruikelijk. Ik ken de schrijver goed, Marc Reugebrink. Niet alleen zijn werk, maar ook hem persoonlijk, en niet sinds hij schrijver is, maar al voor die tijd.

Wijlen zijn oudere zus Ernalien zat bij mij in de klas op de middelbare school in Lochem. De familie Reugebrink kwam uit Goor, ik uit het aanpalende Markelo. We groeiden in dezelfde tijd op en in dezelfde cultuur. Bevriend waren we niet, we kenden elkaar wel. Lezers waren we, daar kwamen we al snel achter zonder dat we daar verder iets mee deden.

Marc ging naar Groningen, ik was al naar Amsterdam en we kwamen elkaar weer tegen toen hij zijn debuut publiceerde, de dichtbundel Komgrond. In 1988. Mijn eerste schrijversinterview was met hem, voor de Twentsche Courant, die toen nog niet was gefuseerd met Dagblad Tubantia, waar ik in 1990 naar overstapte, naar de kunstredactie. Andere interviews met Marc Reugebrink volgden, in Amsterdam, in Gentbrugge, in Diepenheim. Diepenheim, waar hij in zijn late tienerjaren de jeugdsoos frequenteerde, Why Don’tcha, een van de laatste nog altijd bruisende jeugdsociëteiten van Nederland.

Een weerslag daarvan kreeg de lezer te lezen in Het grote uitstel, de roman uit 2007 waar hij in 2008 De Gouden Uil voor in ontvangst mocht nemen. Verscholen in de taal van fictie speelt het eerste deel, voor wie ter plekke bekend is, zich daar af, in de soos. In Zout, zijn roman uit 2019, vormt Delden het decor, stad met een zoutmuseum.

Al in het debuut de dood van de vader

Maar het ging dieper dan de aanwijsbare plekken. Marc Reugebrink (1960) heeft altijd veel van zijn familieverhalen verwerkt in zowel zijn poëzie als zijn romans. Met Komgrond begon het al, in de gedichten zit zijn worsteling verpakt met de dood van zijn vader en met hun relatie van voor dat moment. Het is een constante in zijn werk.
‘Ik zocht naar een vorm om het te hebben over wat mij omver geblazen had: de dood van mijn vader. Ik stond erbij en keek ernaar. Je ziet iemand voor je ogen sterven. Wat is dit? En alles wat daarmee samenhangt. De angst, de raadselachtigheid.’ 

Dit citaat komt uit november 2023, toen ik hem voor het laatst interviewde voor Tubantia. Aanleiding was de verrassende terugkeer van de dichter Marc Reugebrink. Voor het eerst in 32 jaar was er een nieuwe bundel, zijn derde: Om honing gaat het niet. De tweede, Wade was verschenen in 1991. Hij had toen meer dan een reden gehad om geen gedichten meer te schrijven. Een was een geval van zachtjes knetteren de letteren.

Het rollenspel met de Maximalen

‘Als je een bundel publiceert hoor je bij ‘de poëzie’. Bij een geheel van opvattingen, meningen, oordelen enzovoort en ik wilde dat niet.’ Zei hij in dat interview.
‘Ik vond die vorm bij voorvaderen als Gerrit Kouwenaar en Hans Faverey. Ik ben schatplichtig aan die dichters. Voor mij was het een bundel over mijn vader. Maar hij kwam uit in de tijd dat de Maximalen hoogtij vierden. (Dichterscollectief met onder anderen Joost Zwagerman, Pieter Boskma en Koos Dalstra dat meer straatrumoer in de literatuur voorstond – red.) De bundel werd aangegrepen als voorbeeld van hoe het niet moest.’

Hij werd uitgedaagd, vond hij, voor een spel dat met de inhoud van Komgrond niets te maken had. ‘Het werd pingpongen in het openbaar. Wat ik niet goed begreep was het mechanisme van de publiciteit. Ik wilde dicht bij mezelf blijven, maar het publiceren maakte dat de poëzie onderdeel werd van een openbare discussie waarin ik een bepaalde rol kreeg toebedeeld. Die moest ik spelen, vond ik. Ik begon poëzie te schrijven die almaar hermetischer werd. En ik begon uit het oog te verliezen wat ik eigenlijk wilde uitdrukken.’

‘Mij kwelt nog wel een dode soms’

De andere reden was het overlijden van zijn zus.
Daar schreef hij over, bedekt, in Het huis van de zalmen, waar het ook gaat over het overlijden van zijn moeder. In Om honing gaat het niet sterft een grootvader.
Een lang citaat bij die bundel uit het interview van november 2023:

‘Mij kwelt nog wel een dode soms
met zijn herinnering aan mij’.

Deze beginzin van het gedicht ‘Recept’, een zin die door de plaatsing van ‘mij’ aan het begin en het eind zo subtiel afgerond lijkt, raakt aan de diepste thematiek van Marc Reugebrink’s oeuvre, de romans incluis. Woorden die daarin terugkeren: vlees, dood, herinnering. Een van zijn romans heet Wild vlees.
Een minzame glimlach. „Het woord ‘vlees’ valt vaak. Ik denk dat het altijd mijn thema is geweest. Het kwetsbare, verwondbare lichaam dat alles ondermijnt. Maar dat ook alles draagt, zonder lichaam gaat het niet.”
Einde citaat, volgend citaat:
‘Marc Reugebrink probeert uit het verhaal te komen waarin hij gevangen zit en dat zich steeds herhaalt. „Dat is mijn visie op het leven geworden. Ik zou proberen eraan te ontsnappen. Daarom is er (in Om honing gaat het niet, Th.H.) een afdeling over de liefde. Daar hoop ik te ontsnappen aan de eenzaamheid van het lichaam. Van de persoon die ik ben. Ik heb dat nog eens willen vertellen.”
Nog eens vertellen, maar toch weer anders verwoord, gebeurt in Laatste man, Marc Reugebrink’s nieuwe roman, de achtste.

Aan de zes hoofdstukken gaat een soort proloog vooraf: ‘O’. Het is de beschrijving in de ik-vorm van het sterfbed van ‘mijn vader’. We zijn weer in Komgrond.

Raymond, de zoon van Coen Moulijn

En dan is daar dat eerste hoofdstuk: ‘Rotterdam (1969)’. Verteller Martin Oonk – in Het grote uitstel troffen we al een Groot-Oonk – is opgenomen in het Sophia Kinderziekenhuis in de Rotterdamse wijk Bergpolder. Het is 1969.
Hij ondergaat gruwelijke behandelingen aan zijn urinewegen. Voor mij persoonlijk een hoofdstuk dat fysieke en mentale pijn terug brengt, de herinnering aan de drie keer dat ik zelf voor een soortgelijk malheur in het St. Geertruidenziekenhuis in Deventer lag. Over een overleden zus gesproken, eerder was een zus van mij, die ik nooit heb gekend, overleden aan de aandoening die ik heb overleefd dankzij de vorderingen van de medische wetenschap. Dus: leve de wetenschap.

Zoals Reugebrink de verpleegafdeling schildert. Het metaal, het glas, de ‘zusters’, de andere jonge patiënten: het is een op een, het is ook mijn verhaal.
Alleen kwam bij mij niet de zoon van een beroemde voetballer op de afdeling liggen. Bij Martin Oonk wel, namelijk Raymond Moulijn, de zoon van Coen, een van de meest legendarische spelers van Feyenoord. Oonk is hier duidelijk Reugebrink zelf. In een verantwoording achteraf schrijft hij met alle data erbij: ‘Ik heb met hem gevoetbald’.

In het interview uit 2023 had hij het er al over. ‘Het heeft met mijn allervroegste ervaring te maken. Ik lig op een tafel, omringd door figuren die mij iets op mijn gezicht duwen en die mij weg willen maken. Ik vecht daar tegen, ik moet toen 3 jaar zijn geweest.”
Deze ziekenhuisgeschiedenis bepaalde de verhouding tot zijn ouders. ‘Ik denk dat ik me vanaf dat moment verraden heb gevoeld, niet meer veilig. Nooit meer veilig, daar komt deze bundel uit voort. Nooit. Meer. Veilig.’

En niet alleen de bundel Om honing gaat het niet komt eruit voort,  ook Laatste man.
Ik herinner me dat hij zei zich zo te voelen, de laatste man. Het kwam niet in het uitgewerkte interview terecht. Hij voelde zich ‘laatste man’, na het overlijden van zijn gezinsleden.

De passiviteit van ‘de laatste man’

Natuurlijk is ‘laatste man’ ook een begrip uit het voetbal. De laatste veldspeler vóór de doelman, de man ook die het spel en de bal op zich af ziet komen en daar dan een verdedigend weerwoord op moet bedenken. Alle actie komt op hem af. Het is afwachten. Goed gekozen, want Martin Oonk is in de andere delen van de roman ook de passiviteit zelf.
Het is dat Danielle, dochter van het hoofd van de lagere school in Stokkum, spontaan en pardoes op zijn penis plaatsneemt anders was het nooit tot een vrijpartij gekomen, en bij andere vrouwen in de jaren die volgden ging het al niet anders.

Stokkum. Buurtschap van Markelo, buurtschap der buurtschappen in Twente. Lees ook: Jaap Scholten – Suikerbastaard.
Marc Reugebrink is in dit eerste hoofdstuk weer op vertrouwde grond. Het regent verwijzingen naar bestaande mensen, straten, gebeurtenissen. Straten in Goor, namen van collega’s van zijn vader, die doceerde op de Mavo in Goor. Nu niet een verwijzing naar de soos in Diepenheim, wel naar de E8, een bekende discotheek in Goor.

Slalommen als Coen Moulijn

Citaat uit Laatste man.
‘En mijn moeder jammerde. Nu zou ze me nog minder zien dan ze me toch al zag. Ik voelde me meteen beledigd, omdat ik haar sinds de dood van mijn vader vaker opzocht dan daarvoor, maar Aline nam de meeste zorg op zich, woonde het dichtstbij, zei ik tegen mezelf. En zelfs al had ik bij haar in de straat gewoond, dan nog zou ik het meeste aan Aline hebben overgelaten. Maar Aline stierf. En ik was het laatste wat nog overbleef van het gezin dat met de geboorte van Aline begonnen was, een dochter, en daarna een zoon, een rijkeluiswens, zeiden de mensen, een koningskoppel, zeiden ze, het geluk van een vredig gezinsleven zoals dat nog in de jaren vijftig als ideaal aan vrouwen werd voorgehouden, lachte haar toe. Maar ik werd ziek. Misschien was ik al ziek toen ik geboren werd. Ik weet het niet precies. De verhalen daarover zijn vaag. Alsof mij onthouden werd wat mij overkwam.’

De lange citaat is niet alleen een nadere uitleg waarom Reugebrink/Oonk zich de laatste man noemt. Het is ook een uitleg, een voorbeeld van de stijl van schrijven. De lange zinnen, afgewisseld met korte. De lange onderbroken door komma’s – zoals Coen Moulijn soleerde langs tegenstanders op de linker flank van het veld, waarbij elke komma staat voor een balcontact met zijn linker- en soms zijn rechtervoet. Links, tik, tik, rechts, slalommend op weg naar de laatste man, en hem voorbij.
Waar Moulijn zijn tegenstanders dolde, zo vervoert Reugebrink zijn lezers met de cadans van zijn verfijnde proza, waarin dood, ziekte en vlees de thema’s mogen zijn, maar waarin de lichte toets die voor humor en lucht zorgt niet ontbreekt. Laatste man is de zoveelste staalkaart van Reugebrink’s schrijfkunst.

Marc Reugebrink: Laatste man
Roman. 270 p’s. Querido

(met dank aan Reinier van Willigen voor het gebruik van de foto)