Het eindeloze boek is er. Eindeloos in de goede betekenis van het woord. Heldinnen van Kate Zambreno is zo’n boek waar je in blijft, niet alleen in blijft lezen en bladeren, maar ook telkens weer in terugkeert terwijl je het nog aan het lezen bent.
Soms hoor of lees je: ik vind dit boek zo geweldig, ik vrees het moment dat ik het uit heb.
Of: gelukkig zijn er nog honderd pagina’s te gaan.
Of: ik ga steeds langzamer lezen, dan duurt het langer voordat het uit is.
Heldinnen van Kate Zambreno heb ik niet uit. Ik zal ook nooit de laatste bladzijde bereiken, want ik moet steeds terug – dit is een omgekeerde paradox van Zeno. Niet omdat ik het niet begrijp en het nog eens moet lezen omdat ik het anders niet snap, juist wel, maar omdat het zo fascinerend is, en veelkantig. Omdat Zambreno op sommige plekken zo voor de diepte heeft gekozen of een zijpad in is geslagen waarin ik hun nog volgen moet.
Ondertussen stapelen op de tafel allerhande andere boeken zich op. Boeken van schrijfsters over wie Kate Zambreno (*1977, zij/hun) schrijven, waar zij overigens zelf ook steeds naar terugkeren om weer een ander aspect aan te duiden en te duiden en te bevragen en opnieuw tegen het licht te houden. Heldinnen is van alles maar zeker ook een cursus hartstochtelijk lezen.
Ook is het een bibliotheek bestaande uit de boeken die ik uit de kast trek om ze ook weer te lezen, om passages te zoeken waarvan de herinnering moet worden opgefrist. Boeken van Virginia Woolf, Elizabeth Hardwick, Marguerite Duras, Jane Bowles, Jean Rhys. En al die andere heldinnen wier levens Zambreno distilleren uit de boeken en verhalen van en over hen. Met steeds weer deze invalshoek: deze vrouwen waren muzen van bekende mannelijke auteurs, maar zelf schreven ze ook, vaak vele malen beter dan hun partners maar altijd, werkelijk altijd belandden zij en hun geschriften in de marge.
Of, nog sterker: wat zij hadden geschreven werd door hun partner geclaimd als het zijne, geroofd en onder zijn naam gepubliceerd.
En, nog sterker: vaak werden deze vrouwen afgeschilderd als hysterisch, gek, depressief en op alle niveaus onbekwaam. Om liefde- en rücksichtlos in inrichtingen te eindigen – en daar te verbranden, wat Zelda Fitzgerald overkwam.
Kate Zambreno maakten zich daar al langer boos, woedend, ziedend over, en toen zij eind 2009 een blog openden over deze vrouwen was de bijval groot, evenals de herkenning, en kwam er iets op gang wat hun verbaasde qua omvang. Op dit blog, ‘Frances Farmer is My Sister’, gingen ze over die schrijfsters – modernistische vooral – schrijven, ze onderzochten patronen van de onderdrukking door het patriarchaat. T.S. Eliot, Francis Scott Fitzgerald – wat een horken. Achterbaks, denigrerend, schofterig.
Woorden van Zelda Fitzgerald werden geroofd door haar man en tot de zijne gemaakt. Zambreno wijst diverse plekken in The Great Gatsby aan waar het is gebeurd.
Waar ze achter kwamen: de vrouwen herkenden de onderlinge pijn niet in de ander. ‘Geleidelijk werd ik me bewust van de noodzaak van een ander soort onzichtbare gemeenschap. We lijden meestal in ons eentje, in anonimiteit.’
Was Viv Eliot zichzelf ook kwijtgeraakt, vraagt Zambreno zich af, ‘als ze iets van een gemeenschap had gehad’.
Ze lezen de boeken er op na, speurend naar sporen, vaak van autobiografische aard, al dan niet overgedragen aan een van de personages. Over de eenzaamheid in gezelschap zegt Rhoda, uit The Waves van Virginia Woolf: ‘Maar hier ben ik niemand. Ik heb geen gezicht. Dit grootse gezelschap, iedereen gekleed in bruin kamgaren, heeft me beroofd van mijn identiteit. We zijn allemaal onthard, ontvriend.’
Natuurlijk kun je je, met strenge regels in het achterhoofd, afvragen of Zambreno zo maar de fictie van een roman kan behandelen of het memories of dagboeken betreft. Maar de passages die ze vinden maken klip en klaar dat veel uit de roman zeer direct aan het dagelijks leven van de schrijver en zijn vrouw afkomstig zijn. Omdat zij ze in memoires, dagboeken en toch ook romans hebben genoteerd, omdat ze erover klagen – ook al vonden ze het eerst vaak wel grappig of flatteus. Tot het zover kwam dat bijvoorbeeld June Miller bij de scheiding van Henry Miller hem voor de voeten gooide: ‘Dan heb je meteen het laatste hoofdstuk van dat rotboek van je.’
Zoals André Breton Nadja niet meer wilde zien, en haar niet opzocht toen ze in een inrichting zat, nadat hij haar uitgewrongen en gedemoniseerd in zijn boek over haar – dat hij dan wel weer was begonnen te schrijven op haar suggestie.
Soms was er een weerwoord. Zelda Fitzgerald (1900-1948) schreef in zes weken tijd haar versie van de gebeurtenissen in Tender Is The Night, een van de hoofdwerken van Francis. Haar Save Me The Waltz is te lezen als een antwoord op de roman van haar man.
Dit voor de antwoordliteratuur waar het nu eventjes over gaat in de letteren.
Overigens vond hij dat zij werk van hem had gebruikt en misbruikt. Eerder keurde hij het niet goed dat ze op dans en ballet wilde.
Heel veel personages in de modernistische literatuur zijn dus gebaseerd op personen uit de directe omgeving van de auteurs. Wat Zambreno tot deze vraag en opmerking brengt: ‘Schenk je iemand het leven als je diegene tot personage maakt, of ontneem je haar het leven? Misschien is mensen tot personage maken een manier om mensen van zichzelf te vervreemden, zodat hun leven wordt gezien door de ogen van het personage.’
Over ingesleten leesgewoontes gaat het ook. ‘Mijn studenten die de personages in de literatuur reduceren tot symptomen. Die kunnen worden aangepakt, opgelost. Ze leren het vanaf, hoe je diagnosticus kunt worden, ze leren het van mensen die vanuit hun luie stoel beroemdheden diagnosticeren. We diagnosticeren vaker vrouwelijke personages dan mannelijke personages. We psychologiseren ze, vervolgens pathologiseren we ze. Mannelijke personages hebben het aangename model van de antiheld – hebben we het ooit over antiheldinnen als we het over literatuur hebben? Is ze soms bipolair of zo?’
Studenten, ja. Kate Zambreno doceert. Niet zonder ironie is het – maar zo kwam ze via haar leven wel op het patroon – dat zij met haar man John van zijn standplaats naar zijn volgende standplaats trokken. Dit verhaal zit verweven door het boek dat ook qua stijl – het is van 2013 – nieuw was. Bij hun vinden we al de vele witregels die tegenwoordig in veel literatuur opduiken. Hier werken ze perfect. Aaneengeschreven zou het chaotisch kunnen lijken. Van de hak op de tak, maar hier ontbreekt de stam. Korte, opvlammende opmerkingen zijn het. Met veel interne verwijzingen, van voor naar achter. Verbanden tussen echtparen, ze wijzen ze moeiteloos aan, onvermoeibaar. Associatief, gedreven vooral, razend. Alsof ze de zinnen uitspuwen. Zo veel energie. Over Daisy in The Great Gatsby schrijven ze, en het slaat ook op hunzelf: ‘Haar taal heeft een jazzachtige syntax, een repetitief ritme.’
Zo, en nu verder in dit boek, terug, ik was al achterin, maar gelukkig krijg ik het nooit uit.
Kate Zambreno: Heldinnen.
Vertaling: Nicolette Hoekmeijer.
Voorwoord: Basje Boer. Koppernik.