VersTwee was op Crossing Border, jaargang 33. Hier een aantal korte impressies.
KAMEL DAOUD kreeg een fatwa over zich heen omdat hij in zijn roman Houris, die vorig jaar werd bekroond met de Prix Goncourt en nu vertaald is verschenen bij Ambo|Anthos, had geschreven over de Algerijnse burgeroorlog. Maar dat is daar bij wet verboden. Anders dan in landen als Zuid-Afrika (de waarheidscommissie), Duitsland en Spanje, zei hij, wil Algerije het niet openlijk verwerken, maar verzwijgen. Zwijgen is verplicht. Hij voelt zich vrij in Den Haag, maar de inwoner van Parijs liep met een klein cordon aan beveiligers rond.
Eén vraag kon.
Dit weekend muntte Thomas de Veen in NRC de term ‘antwoordliteratuur’. Romans of verhalen als antwoord op oudere. Ik was dat meisje van Anne Mieke Backer is een repliek op Spel en tijdverdrijf van de Amerikaanse schrijver James Salter. In Salter’s boek gaat het over een Amerikaanse ex-student die een relatie heeft met een Frans meisje. Het is vooral het verhaal van de ex-student. Anne Mieke Backer’s roman geeft het meisje een stem.
Eerder al, vorig jaar nog namelijk, gaf Percival Everett een tegenstem in James, aan Jim, de zwarte man in Huckleberry Finn. Hetzelfde verhaal uit andere hoek verteld, door – laten we zeggen – de onderliggende, gedomineerde partij.
Maar er is een ouder voorbeeld. In Moussa, of de dood van een Arabier, richtte Kamel Daoud zich in 2015 op Haroen, de broer van de vermoorde Moussa in Albert Camus’ L’etranger/De vreemdeling. Daoud gaf antwoord op Camus.
Of hij een ouder voorbeeld wist toen hij aan dat boek begon, vroeg ik Daoud. Glimlachend: ‘Nee, zelf bedacht. Het copyright is van mij.’
Komende week meer over ‘antwoordliteratuur’.
PETER BUWALDA hecht meer waarde aan de literaire werkelijkheid, maar ook die in bijvoorbeeld films, dan aan de alledaagse werkelijkheid. In een interview door Jelle van Riet, die hij een aantal keren liefdevol-vilein repliek gaf, kwam hij met een fraaie uitleg.
Als je op de fiets naar de film gaat, zeg je na afloop: ‘Ik heb nu toch iets meegemaakt.” Dan bedoel je niet de twee fietstochtjes. Dan heb je het over de film.
Overigens bevestigde Buwalda opnieuw dat hij aan deel 3 van zijn trilogie werkt.
SANDRO VERONESI legde voor een volle zaal, vrijdag al om 18.15 uur, uit dat hij voor de vorm van Zwarte september leentjebuur heeft gespeeld bij James Joyce’s verhaal ‘The Dead’. Hij heeft, net als Joyce, iedere keer iets achtergehouden om pas tegen het eind de plot te onthullen. Hij noemde dat het 7/8-ste effect. Zeven episodes iets achterhouden, bij acht volgt de oplossing. Hij vergeleek het met vrouwenkleding die eindigt net boven het onderste eind van de rok. 7/8-ste bedekt de rest van de kleding, het achtste deel, het stukje rok, is nog net te zien.
Veronesi weer erop dat Zwarte september zijn eerste roman is die niet in de actualiteit speelt, maar in 1972, het jaar van onder andere de Olympische Spelen in München waar Palestijnse terroristen elf Israëlische deelnemers doodden. Of hij in het licht van de Hamas-aanval van 7 oktober 2023 – opeens leek zijn roman toch op de actualiteit aan te sluiten – nog had getwijfeld over de titel. Heel even. Maar uiteindelijk hield hij de titel aan omdat het, naar zijn zeggen, niets met de actualiteit had uit te staan.
EDUARDO HALFON voegde recent een nieuw, zevende deel toe aan zijn web aan boeken dat wel draait rond Eduardo Halfon maar niet autobiografisch mag heten: Tarantula. Over een Joods jongetje, zoals hij, dat van Guatemala naar New York is verhuisd, meteen het Spaans achter zich laat en vol voor het Engels gaat, die dan toch wordt teruggestuurd naar Guatemala. Waar hij terechtkomt in een kamp dat vredig lijkt, scouting-achtig, maar al snel verandert in wat op een concentratiekamp lijkt. Naar later blijkt om jonge Joden te leren hoe om te gaan met antisemitisch geweld. Halfon’s vader heeft later lang keihard ontkend dat deze herinnering van Eduardo echt kon zijn. Maar nadat de roman was verschenen heeft hij inmiddels al zo’n vijftig meldingen gekregen van Joodse kinderen die het ook was overkomen.
Langere impressie van het gesprek volgt.
ÉRIC CHACOUR was bankier in Montreal. In een periode van vijftien jaar schreef hij, met tussenpozen dus, aan wat zijn wereldwijde succesdebuut is geworden: Wat ik van je weet.
Hij is afkomstig uit Egypte en de uitgever aan wie hij het had gestuurd was – in deze volgorde: argwanend en dolenthousiast. Kon een bankier in zijn vrije tijd dit prachtige debuut hebben geschreven? Hoe er ook gegoogled werd, er waren geen sporen van plagiaat of jatwerk.
In het boek gaat het over de ontluikende liefde tussen twee jonge mannen, maar Chacour zelf ziet het als een ode aan het Egypte uit de tijd van zijn ouders. Prachtig zijn uitleg van wat er gebeurt in een familie als iemand, zoals de homo-jongen, is vertrokken. Het gesprek gaat dan niet meer over hem, maar hij beheerst wel alles. ‘De pilaar die hij was binnen de familie is weg en nu moeten de anderen samen het plafond stutten anders stort het huis is. Zo is hij dus nog altijd belangrijk. En mogelijk aanweziger dan hij eerder was.’