In Johnnie Walker schrijft Connie Palmen met de van haar bekende compromisloze openhartigheid over haar jeugd in Limburg, over haar fascinatie voor groepsvorming en over haar liefde voor het whiskymerk dat ze pas afzwoer na de dood van haar moeder. Het boek heeft de vorm van een memoir, terwijl ze dat ‘een bedrieglijk genre’ noemt. Zit er daarom stiekem een totaal fictieve verhaallijn in?
door Theo Hakkert
De laatste keer dat ik Connie Palmen (geb. 1955) zag, anderhalf jaar geleden bij de bekendmaking van de Libris Literatuur Prijs, dronk ze kombucha. Keurig, heet dat tegenwoordig, maar dat is een oordeel waar niemand zich naar hoeft te gedragen. Dat ze al jong ronduit verslaafd was aan whisky beschrijft ze zonder schroom in haar nieuwe roman, die ze dan ook maar meteen naar haar favoriete variant heeft vernoemd: Johnnie Walker.
Om het met de titel van haar verzamelde essays te zeggen: Het drama van de afhankelijkheid.
Om dat weer te relativeren: de slotzin van haar nog altijd fenomenale debuut, De Wetten: ‘Een titel kan toch nooit de lading dekken’.
Nog een keer derde ‘om’:
Om te beginnen eerst maar eens de genrekwestie afhandelen. Grofweg halverwege Johnnie Walker schrijft ze dat ze er later rigoureus voor koos ‘al mijn romans in de ik-vorm te schrijven’.
Nadat ze deze nieuwe was begonnen in de wij-vorm: ‘We woonden samen in een huis, we waren een familie.’ De ik-vorm komt later. Op grofweg een kwart staat:
Een roman kan een zoektocht naar je binnenwereld op gang brengen, je laten ontdekken met welke ideeën en overtuigingen je naar jezelf en anderen kijkt, maar een echt verhaal transformeert je blik op de buitenwereld.
Het bekende verhaal dat elk verhaal, elk boek, elke roman hoe dan ook vanuit en dóór de auteur ter wereld komt. Tegen het einde komt ze op de ik-vorm terug, die natuurlijk dicht tegen het autobiografische aan zit. De uitgever heeft ‘roman’ op het omslag en op de harde kaft gezet – maar niet op de titelpagina. Terwijl ik denk dat Johnnie Walker een memoir is, geschreven uiteraard met literaire middelen. ‘Autobiofictie,’ zei Palmen zelf ooit.
Daarover:
Hoewel ik een lichte afkeer heb van autobiografieën, ze net als dagboeken en brieven wantrouw, beschouw ik de roman als per definitie autobiografisch, al gaat hij over een witte walvis of een vuurtoren, niets eigener dan onze verbeelding, ons denken, hoe aangeleerd ook. Bij het speurwerk naar een dader en zijn motieven is de schrijver zelf de eerste en voornaamste verdachte.
Toen ik zocht naar een literaire manier om het evenzo bedrieglijke genre van de memoir te ontruimen en inzag dat ik daarvoor de muren van het huis van het geheugen moest slopen, die door zelfbedrog en eigenwaan bezette ruimte waarin de herinneringen wonen, was het alsof ik me de dood inbeeldde van degene die zich de dood inbeeldt, een möbiusband zonder verschil tussen binnen en buiten.
Johnnie Walker had twee jaar geleden een toptitel kunnen zijn toen de Boekenweek ‘Familie’ als thema had. Haar memoir begint met het verhaal van Palmen’s jeugd in Limburg waar zij het enige meisje was van een gezin met ook drie broers. Fraaie passages wijdt ze aan de strakke banden die de gezinsleden onderling hadden. Aan de klagende moeder – ‘Alle gezinnen draaien om wie het meest lijdt’. Aan de vader. Aan de broers. Aan zichzelf, terwijl ze haar eigen pad zocht. Stiekem vond ze het – ‘Dochters liegen beter over hun geluk dan zonen’ – in onder andere de drank, waarvoor ze op haar Vespa al jong de Maas overstak en een ‘Johnnie Walker’ bestelde. Op steeds weer diezelfde kruk in steeds hetzelfde café. Café De Vriendschap. In 1995 verscheen een roman van haar met de titel De Vriendschap.
De verbondenheid met haar broers bleef ook intact nadat ze allemaal uit huis waren vertrokken. Ze spraken af, ieder in hun eigen huis, op vrijdagavond te blijven kijken naar het Duitse opsporingsprogramma dat ze met z’n allen elke week hadden gekeken: Aktenzeichen XY … ungelöst. Een programma dat vormend was voor de schrijfster die Connie Palmen zou worden. Haar vader wees haar er indirect op dat de feiten van de onopgeloste misdrijven die aan de orde kwamen als verhaal waren verpakt omdat alleen met een verhaal de kijker werd (in)gepakt.
Of de broers en hun zus in Amsterdam ook inderdaad elke vrijdag ‘samen’ keken, zullen we niet weten, even appen kon toen nog niet, maar het idee dat er op deze manier een web bestond tussen de broers en hun zus is al mooi genoeg.
Ze bleef ook altijd fan van true crime. Smulde van Truman Capote en Patricia Highsmith, die ook nog eens overlappend cv bleken te hebben.
Bij uitbreiding gaat de roman over sociale verbanden
‘Families interesseren me,’ schrijft ze. Jammer dat ze nergens in het boek onderscheid maakt tussen gezin en familie; van alle ons omringende talen heeft alleen het Nederlands, met ‘gezin’, een apart woord voor de naaste familie.
Maar bij uitbreiding gaat Johnnie Walker over sociale verbanden. Zijn die binnen een familie nog ‘biologisch’ bepaald, bij groepen mensen zijn weer andere wetten in het spel. Haar fascinatie voor groepsvorming wordt mede gevoed wanneer ze inziet hoe belangrijk taal daarbij is. Hoe kan het toch dat sektes ontstaan, groepen zonder het familieverband dat een gezin kenmerkt?
Een familie overkoepelt de onderlinge verschillen in een onafwendbaar verbond, maar laat ze gedijen; een sekte moet het onderscheid tussen de individuele leden vernietigen, de diverse identiteiten uitwissen om één organisme te worden. Het is dat iets waarnaar ik nieuwsgierig ben, iets wat mensen zo innig verbindt dat ze bereid zijn hun eigenheid op te offeren, op te gaan in een massa, hetzelfde te worden als ieder ander.
Ze leert al snel dat het overtuigen door middel van taal gebeurt, net zoals de tv-kijker bij het Duitse programma met taal het verhaal in werd gezogen. Hoe extremer, hoe sterker Palmen’s fascinatie. Hoe kon het toch dat sekteleider annex goeroe Jim Jones het (in 1978) voor elkaar kreeg dat 918 leden van zijn Peoples Temple collectief zelfmoord pleegden?
‘Zoekende zielen zijn vatbaar voor verhalen van valse profeten,’ leert Leonard Leonard haar, een Duitse man die het gezin bezoekt en naar blijkt verre familie is van Ulrike Meinhof, de journaliste (vrouw van het woord dus) die terroriste werd. Ze sloot zich aan bij Andreas Baader en werd kopstuk van de Rote Armee Fraktion (RAF), ook wel de Baader-Meinhof-groep genoemd.
Palmen heeft bewondering voor Meinhof; noemt haar ‘schaduwzus’. Niet dat ze bewondering heeft voor het terroristische geweld van RAF, maar wel voor de radicale stap die Meinhof – letterlijk – zette door met Baader door een raam te klimmen en ondergronds te gaan. Zo’n radicale breuk met de persoonlijke geschiedenis, Palmen herkent daar haar eigen vrijheidsdrang in, het bewandelen van haar eigen pad.
Wat een gelukkig toeval dat de reclameslogan van haar favoriete whiskymerk ‘je eigen pad bewandelen’ is.
Omdat Leonard betrokken is bij de opsporing van RAF-leden brengt hij bij elk bezoek nieuwtjes en achtergrond mee, wordt hij voor haar een bron van kennis. Hij deed ook de schrijver in haar ontwaken. Ze fantaseerde dat ze een werkstuk over Meinhof zou schrijven met Leo als verteller. ‘Maar vond de tijd nog niet rijp voor een vormexperiment.’ Werkelijk, toen al?
Leonard Leonardt was, naast haar vader, zeker niet de enige man die haar met zijn verhalen en wijsheden prikkelde. Er was ook Henri Martin, een psycholoog met wie ze al snel een intieme relatie kreeg, die haar over sektes vertelde. De namen zijn allemaal gefingeerd.
Best opmerkelijk dat Connie Palmen in haar oeuvre langzaam van de invloed van mannen is overgeschakeld naar vrouwen. Van zeven mannen in De Wetten via zeer persoonlijke boeken over haar liefdes Ischa Meijer en Hans van Mierlo via een boek over Ted Hughes en Sylvia Plath (Jij zegt het, in 2015, in de ik-vorm met Hughes als verteller) naar Voornamelijk vrouwen, elf om precies te zijn, plus Philip Roth, in 2023.
Het verschil tussen steden en dorpen,
uitgedrukt in geluk
En al net zo belangrijk, in Johnnie Walker schrijft ze over het dorp waar ze vandaan komt. ‘Weg komt’, zou Daniel Lohues zeggen. Vaak blijft onderbelicht dat de Nederlandse literatuur er een is met diepe wortels in de provincie. Een greep: Anjet Daanje, Jan Siebelink, Tommy Wieringa, Gerbrand Bakker, Lucas Rijneveld, Franca Treur, Maarten ’t Hart, Gijs Wilbrink, Jaap Scholten, Renske Jonkman, Leonieke Baerwaldt, Koos van Zomeren, Geert Mak, A.F. Th. van der Heijden.
En ook Connie Palmen. Zoals zo velen zou ze naar het westen te trekken, Amsterdam. Haar afkomst stelt haar in staat fraaie passages te wijden aan dorpen en steden. Het gaat te ver om die ene lange alinea op p. 120 en p. 121 hier helemaal te citeren. Alleen het slot:
Heen en weer reizend tussen de stad en het dorp leerde ik het verschil kennen tussen een geluk dat gezocht en ontdekt wil worden en een geluk dat geduldig wacht totdat jij terugkeert om op vastgelegde tijden het ceremoniële pad van theatraliteit en toewijding te betreden, een volgzame onvrijheid die wordt beloond met het sacrale gevoel deel uit te maken van een groter geheel en bij een gemeenschap te horen.
Tot slot de intrigerende vraag of Connie Palmen toch een totaal fictieve lijn door Johnnie Walker heeft gevlochten. Dat zou mooi zijn, toch? Toen ze nog in Limburg woonde, schrijft ze, kwam ene Abel Martha bij het gezin thuis. Deze opdringerige Abel, die vriendschap zou sluiten met een van de broers, zou later worden gezocht in verband met een poging tot moord op een decaan van de universiteit in Nijmegen in augustus 1983. Op internet is daar niets over te vinden.
Connie Palmen: Johnnie Walker
232 p’s. Prometheus
foto header: Copyright: Das Blaue Sofa / Bertelsmann