In de nu vertaalde brieven van Federico García Lorca brandt het poëtische vuur dat ook zijn lyrische werk kenmerkt. In en om Granada wordt de nagedachtenis aan Spanje’s grootste dichter in ere gehouden, maar dat hij aan het begin van de burgeroorlog werd gefusilleerd en in een massagraf verdween, blijft een smet op de geschiedenis. Open einde, open wond.
door Theo Hakkert

In Granada, zo halverwege de Avenida de la Constitución, zitten twee mannen op een bankje. Hier is een brede strook aangelegd voor wandelaars. De bejaarde man met de stok staat op, legt vriendschappelijk zijn hand bij de ander op de schouder en lijkt hem voordat hij wegloopt kort toe te spreken. De ander reageert niet. Dat kan ook niet. Het is een beeld. Een bronzen beeld van Federico García Lorca (1898-1936), de grootste dichter die Spanje heeft voortgebracht. Hij zit er voor altijd, het rechterbeen over het linker geslagen en met in zijn hand een eveneens in brons gegoten exemplaar van Romancero Gitano, zijn bekendste bundel.
Zijn jaartallen verraden dat hij niet oud is geworden. De Spaanse burgeroorlog was nog maar amper begonnen of hij werd opgepakt en gefusilleerd, waarschijnlijk bij Viznar in de buurt, een dorp met nog geen duizend inwoners zo’n tien kilometer buiten Granada. Lorca was homoseksueel. Was het dat? Of was het omdat hij al openlijk socialistische denkbeelden uitte? Dezelfde dag, 18 augustus 1936, werd ook zijn zwager vermoord, de linkse burgemeester van Granada, Manuel Fernández-Montesinos.
(de tekst gaat door onder de foto)

Beelden van Lorca zijn er, bijvoorbeeld ook in Madrid staat er een, maar een graf is er niet. Waarschijnlijk werd zijn lichaam in een massagraf gedumpt. Soms worden nog pogingen ondernomen om zijn lijk op te graven, maar het is niet te vinden. Gezocht wordt bij de Fuente Grande bij Viznar. Hoe wrang dat Lorca in 1921 in een brief had geschreven: ‘Een, twee en drie, in het ravijn ermee’. Het is een terloops zinnetje in het boek Ik houd nog veel verborgen, een Privé-domeindeel met zijn brieven.
Uit de brieven, waar soms lange tijd tussen zit, komt hij naar voren als een zeer gedreven dichter, toneelschrijver en musicus. Vol plannen, met grote levensdrift. Een citaat uit vele:
‘Ik werk nogal hard. Ik heb enkele gedichten gecomponeerd over de koekoek (een prachtig en symbolisch vogeltje) en de dromerijen van de rivier, pathetische gedichtjes die ik in me voel opwellen, in het diepste van mijn ongelukkige hart. Je hebt geen idee hoe groot mijn lijden is wanneer ik mezelf in de gedichten terugzie; ik stel me voor dat ik een enorme paarsgekleurde mug ben op het optellinkje van de emotie’. (augustus 1922).
Hij kwam uit een welvarend gezin, maar in veel brieven naar huis in Granada, wanneer hij in Madrid studeert en verder probeert van de pen te leven, moet hij bedelen om geld. Geld dat niet altijd komt. Zijn vader hoopt hem op deze manier terug te lokken naar Granada. Dat wil de zoon wel en niet. Madrid en Barcelona zijn stad waar schrijvers kans maken, tegelijk is hij verknocht aan Andalusië.
‘Hier in Granada voel ik me rustig en ook een beetje droevig, vrij van wat vluchtig is, en heb ik vrede met mezelf. Madrid verdwaast me zeer, en hoewel ik totaal niet deelneem aan wat men het letterkundige leven noemt, word ik voortdurend bestookt door verschillende, tegenstrijdige en uitermate moeilijke sentimentele conflicten, waarmee ik al twee of drie jaar opgezadeld zit, zowel bij zonneschijn als bij sneeuw. Hier rust ik uit.’ (januari, 1928).
En hij verzamelt de polyfone muziek die in en rond Granada kan worden gehoord. Hij was aangesloten bij een gezelschap dat naar de Alpujarras wilde reizen, een bergachtig gebied in Andalusië, een deel van de Sierra Nevada. Ze zouden poppentheater spelen, mede gebaseerd op Lorca’s Romancero gitano, zijn Zigeunerliedboek uit 1927.
In de bergen rond Granada, tegenover het hoog boven de stad uittorende Alhambra, woonden vanaf de vijftiende eeuw zigeuners, Joden en Moren in grotwoningen. Die grotten waren niet op natuurlijke wijze ontstaan, maar moesten worden uitgehouwen in de bergwanden. Hier, in Sacromonte, is de dichter van het Zigeunerliedboek niet vergeten. Naast de ingang van een van de grotten die te bezichtigen zijn in het Museo Cuevas del Sacromonte hangt een gedicht van Lorca: Romance de la luna, luna. Met dit gedicht opent de bundel.
(onder de foto gaat de tekst verder)

Zelf heeft Lorca dit boek altijd ook kritisch benaderd. Hij ging zelfs zo ver dat hij het anti-folkloristisch noemde. Voor zijn grote vriend Salvador Dalí was dat niet genoeg. De schilder verweet Lorca ‘de platste gemeenplaatsen’. Later zou hun vriendschap uiteen spatten. Lorca’s dichterschap ontwikkelde zich sterk in andere richtingen, maar hij zou uiteindelijk het Zigeunerliedboek toch ‘mijn beste werk’ noemen. De grote thema’s van het leven – het leven, de dood, de liefde, de vrijheid en de smart – tast hij af in lyrische poëzie, die inderdaad verre uitsteekt boven het folkloristische.
Veel brieven in Ik houd nog veel verborgen gingen naar andere dichters, vol aansporingen en soms kritiek, altijd opbouwend en stimulerend. Zijn nieuwe gedichten stuurde hij soms mee. Ter lering ende vermaak. Het is fijn om die in dit brievenboek aan te treffen, het plaatst ze rond het moment van schrijven. Soms gaan brieven verdekt naar minnaars. Hij kon in depressies geraken wanneer een vriend hem verliet en met een vrouw trouwde.
Het mooist zijn de passages vol vuur, die hij spontaan op het briefpapier lijkt te hebben gepend, zoals deze:
‘Ik ben als een vleesgeworden oude illusie en hoewel mijn horizon zich in de formidabele schemering van hartstochten verliest, sleep ik zoals Prometheus een ketting met me mee en dat vergt veel van me… nog een geluk dat ik niet tussen de rotsen gevangenzit… Alleen knaagt aan mijn hart geen paling maar een uil. Dat is allemaal hoogst oprecht. Volstrekt oprecht! Iets anders zou belachelijk een grotesk zijn. Ik voel me vol poëzie, krachtige poëzie, vol, fantastisch, religieus, slecht, diep, smerig, mystiek. Alles, alles! Ik wil alles zijn! Ik weet maar al te goed dat de dageraad heel soms in de bossen een sleutel verborgen houdt, maar ik zal hem vinden…’
In Granada wordt hij in ere gehouden. Er is een mooi museum, een modern pand waar in de foyer zijn hele oeuvre in prachtig vormgegeven deeltjes voorhanden en te koop is. Alles is hier bijeengebracht. Zijn manuscripten hangen in een kluis – verzameld voor iedereen even zichtbaar als onbereikbaar tegelijk – aan het plafond.
(onder de foto gaat de tekst door)

Schrijvers over de dood van Lorca
Onbereikbaar is zijn graf. Het blijft een fascinerend gegeven dat een graf voor liefhebbers van zijn werk zo belangrijk is. Alsof het iets rond zou maken. Wat in het geval van Lorca zou kunnen kloppen. Zijn vreselijke lot heeft van de verscheurdheid van de Spaanse geschiedenis een blijvende open wond gemaakt.
In Heem, zijn tweede roman, laat Alexander Nieuwenhuis (1984) de verteller dit schrijven: ‘Als ik niets te doen had wat eigenlijk voortdurend het geval was, ging ik op zoek naar het graf van Federico García Lorca. Maar iedereen aan wie ik vroeg waar dat graf was, werd stil en keek de andere kant op. Op de begraafplaats vond ik niets.’
Dat moet ook precies de reden zijn geweest dat Cees Nooteboom (1933-2026), toch Spanje-kenner bij uitstek, in zijn boek Tumbas (uit 2007), de imponerende neerslag van tientallen reizen naar schrijvers- en denkersgraven die hij ondernam met zijn partner Simone Sassen, die de foto’s maakte, niet eens Lorca’s naam noemt. In zijn standaardwerk over Spanje, De omweg naar Santiago, overigens ook niet.
‘Als we aan hun graven staan, zijn
hun woorden nog om ons heen’
Wel geeft Nooteboom in het inleidend essay in Tumbas aan waarom we graven bezoeken. ‘Waarom ga je naar het graf van iemand die je nooit hebt gekend? (…) Iets willen we nog van die dode. In ons geheime hart denken we dat hij of zij ons ziet, merkt dat we nog aan hem of haar denken. Want dat willen we, we willen door de doden opgemerkt worden, we willen dat ze weten dat we hen nog lezen, omdat ze nog steeds tegen ons praten. Als we aan hun graven staan, zijn hun woorden nog om ons heen.’
In Andalusisch logboek (uit 2018) kan Stefan Brijs (56), die naar Andalusië was verhuisd, aanvankelijk weinig chocola maken van Lorca’s poëzie. ‘Met Lorca als gids wilde ik me inlezen in de sfeer en de tradities van de regio die weldra mijn thuis zou zijn. Ik kwam behoorlijk bedrogen uit. (…) Ik begreep niets van wat Lorca wilde zeggen. De beelden die hij opriep kwamen we voor als schimmig, als onwerkelijk, als onzin.’
Het kwartje valt pas wanneer Brijs zich heeft ondergedompeld in de cultuur van zuid-Spanje. En dan gaat hij op zoek, tegen beter weten in, zoals iedereen (behalve Nooteboom, die wist dat het geen zin had), naar het graf. Eerst naar de executieplaats.
‘Aan het eind van het zandpad, daar moet het gebeurd zijn, bij een olijfboom die er vandaag nog steeds staat (…) is midden in de zandvlakte een massief blok graniet neergezet, waarop een tekst: ‘In herinnering aan Federico García Lorca en alle slachtoffers van de burgeroorlog 1936-1939’.
Brijs schrijft dat Lorca niet meteen dood was. Coup de grâce was nodig. Zijn lichaam werd langs de kant van de weg gelegd.
Het idee raakt Brijs als een mokerslag: ‘Het landschap heeft elke onschuld verloren, dit is voor altijd het decor van een tragedie. Dan begin ik plotseling over mijn hele lichaam te rillen, overvallen door emoties. (…) Het is deze geschiedenis, deze schrijver maar bovenal deze plek die me benauwt. Ik word er zo door aangegrepen dat ik meteen hiervandaan wil.’ Open einde, open wond.
De lange wandelstrook van de Avenida de la Constitución is een populair gebied. Lorca zit er voor zich uit te staren. De bejaarde man met de stok is al even uit zicht als een meisje naast het beeld van de dichter gaat zitten. Haar vader leest de titel van het boek dat het beeld in de hand houdt en knikt. ‘Kom,’ zegt hij en ze lopen verder.
Federico García Lorca: Ik houd nog veel verborgen.
Brieven. Geselecteerd, vertaald, geannoteerd en van een nawoord voorzien door Bart Vonck. Privé-domein 332. 288 p’s. Arbeiderspers.
Lorca’s verzamelde gedichten zijn opgenomen in de Perpetua-reeks. Athenaeum – Polak & Van Gennep.
Alexander Nieuwenhuis: Heem. Van Oorschot
Cees Noooteboom: Tumbas. Atlas.
Stefan Brijs: Andalusisch logboek. Olympus.

In Casa Arabe Zafra in Granada hangt deze collage met de belangrijkste momenten van de 20ste eeuw. Einstein, Guernica, Beatles, de maanwandeling, de oorlogen, de atoombom, de Verenigde Naties. En Federico García Lorca. Foto: VersTwee.
Dit is het eerste van een reeks verhalen over kunst en cultuur in Andalusië.