Meer dan vijfentwintig jaar dobberde in het hoofd van Juan Gabriel Vásquez het idee een biografische roman te schrijven over beeldend kunstenares Feliza Bursztyn, een Colombiaanse landgenote van hem die volgens Gabriel Garçia Márquez was gestorven van verdriet. Bursztyn’s roerige leven liep synchroon met alle spanningen binnen de grote geschiedenis van Zuid-Amerika. Vásquez, die zichzelf in zijn speurtocht naar haar leven steeds wegcijfert, heeft er een sublieme roman over geschreven.


door Theo Hakkert


Wie haar naam niet kent, bevindt zich in goed gezelschap. Feliza Bursztyn (1933-1982) was een Colombiaanse beeldhouwster die in The Story Of Art Without Men, het standaardwerk van Katy Hassel uit 2024 over vrouwelijke kunstenaars, niet voorkomt. Sinds Hassel’s boek verscheen, en dat is eigenlijk nog maar zeer recent, hebben vele vrouwelijke kunstenaars alsnog hun plek in de kunstgeschiedenis gekregen. Andere boeken en tal van publicaties en tentoonstellingen trekken het beeld recht.

Uitgerekend in hetzelfde jaar als The Story Of Art Without Men verscheen in het Spaans de roman Los nombres de Feliza van Juan Gabriel Vásquez, nu vertaald onder de titel De namen van Feliza. De geschiedenis rechtzetten kan ook met een biografische roman, zo blijkt. En wat voor een.

Vásquez (Bogota, 1973) heeft zich jarenlang in Bursztyn verdiept, reisde haar leven na, bezocht de plekken waar ze had gewoond, sprak vrienden en ook haar weduwnaar, uitgebreid. Hij is erin geslaagd een vorm te vinden waarin feit en fictie elkaar ondersteunen omdat de auteur zichzelf op de juiste momenten terugtrekt en het verhaal het verhaal laat zijn.

De vonk die zijn fascinatie voor Feliza Bursztyn deed ontstaan, was een opmerking van Gabriel Garçia Márquez (1927-2014), niet alleen Vásquez’ landgenoot en collega, Nobelprijsdrager bovendien. Maar in dit verband veel belangrijker is het gegeven dat ‘Gabo’, zoals hij in de roman wordt aangeduid en onder welke naam hij in Colombia bekend staat, een goede vriend was van Feliza Bursztyn. Hij was zelfs getuige van haar overlijden, op 8 januari 1982 in een restaurant in Parijs. In een gezelschap met ook Márquez’ vrouw Mercedes zouden ze dineren, maar Feliza zat nog maar nauwelijks aan tafel of ze werd onwel. Waarna Márquez op 20 januari een column publiceerde die begon met deze zin:
‘De Colombiaanse beeldend kunstenares Feliza Bursztyn, die in Frankrijk in ballingschap leefde, is afgelopen vrijdagavond 8 januari om 10.15 uur in een restaurant in Parijs van verdriet gestorven.’
Toen Vásquez de column las, die was opgenomen in Márquez bundel Notas de prensa, drongen allerlei vragen aan hem op. Wie was in hemelsnaam die kunstenares, waarom leefde ze in ballingschap, maar vooral: hoe te sterven van verdriet?

Om het in perspectief te zetten: Vásquez was op het moment van Bursztyn’s overlijden 9 jaar oud. Hij debuteerde in 1997. Zijn faam bouwde hij op in dit millennium en nu geldt hij als een van de grootste Latijns-Amerikaanse auteurs van zijn generatie. Stilistisch sluit hij, met zijn meanderende, ritmisch vloeiende zinnen, aan bij de auteurs van ‘de boom’. Zelf woonde hij ook een tijdlang in Parijs.

De roman is een beschrijving van de speurtocht naar zijn landgenote. In het begin van de hoofdstukken is hij de ik-figuur, maar hij verdwijnt uit het verhaal zodra de kennis die nodig is voor weer een episode is verzameld. Het is dan ook een bijzonder leven, dat van Feliza Bursztyn. Al snel had Vásquez begrepen dat hij voor een grote klus stond, want naast de vele feiten was er dat eigenzinnige karakter van Bursztyn én de roerige geschiedenis van hun land. ‘Maar snel realiseerde ik me dat het een lastig onderneming was om Feliza te begrijpen, niets aan haar was eenvoudig, zelfs haar naam niet.’

Vandaar de titel De namen van Feliza. Lijkt haar voornaam nog vrij eenvoudig, zelfs op haar grafsteen staat die fout gespeld. Om over haar achternaam maar te zwijgen. Die was voor Colombiaanse begrippen nogal ‘buitenlands’. Het kwam Vásquez niet verkeerd uit. Elke nieuwe spelling die haar naam kreeg was een volgend bewijs van haar veelzijdigheid en ook ongrijpbaarheid. Alsof ze zich met telkens een anders gespelde naam niet liet vangen in het beeld dat mensen (en de autoriteiten) van haar hadden.

Juan Gabriel Vásquez. Foto: Casa de América / Flickr

Feliza Bursztyn ging radicaal haar eigen weg. In de kunsten en in de snel veranderende politieke verhoudingen in Colombia. Haar leven spiegelt de geschiedenis van haar vaderland en daarmee heel Zuid-Amerika.
In de kunsten werd haar keuze om te werken met zware metalen niet begrepen en ‘dus’ afgekeurd. Ze smolt oud ijzer om, staal, alles waar ze haar hand op kon leggen en maakte er abstracte beelden van. Een vrouw! Met metaal! In een mannenwereld, want zo zat de kunstwereld in Colombia in elkaar. Later werd ze leerling/collega van Zadkine in Parijs, maar altijd bleef het hoofdschudden en het onbegrip.

Politiek was ze zeer kritisch op de steeds rechtser wordende autoriteiten. Bezoekjes aan Cuba, dat kon toch werkelijk niet. In de roman staat een aantal interviews met Colombiaanse kranten die haar vooral vragen naar haar politieke voorkeuren, en die van haar vrienden. Zijn die ook zo links? ‘Geen idee, het zijn vrienden’.

Maar wat vindt u de missie van kunst? Choqueren, mensen krenken?
‘Ik weet het net, ik denk dat kunst geen missie heeft. Als het een missie wordt, is het slechte kunst. Maar het is onvermijdelijk dat ze kritisch is, en kritiek krenkt altijd wel iemand.’

Vragen krijgt ze ook over Márquez, die ook Colombia een tijd was ontvlucht. Bursztyn: ‘Natuurlijk krijgt hij kritiek. Maar dat is niet wat mensen dwarszit, wat ze dwarszit is dat hij zoveel succes heeft. Dat wordt iemand die openlijk links is niet vergeven.’
Zoals hij zichzelf wegcijfert en uiteraard alle focus richt op Feliza Bursztyn, zo heeft Vásquez de mogelijke neiging om een wereldwijd populaire man als Gabo ruim op te voeren in de roman weten te onderdrukken. Maar deze omschrijving van Márquez is te mooi om niet citeren: ‘een broodmagere knul met een Arabisch uiterlijk, had een Valentino-snorretje dat een dikke moedervlek niet kon verhullen en bracht continue een sigaret naar zijn mond, niet per se om te roken, zo leek het, maar om zijn handen iets te doen te geven.’ Het citaat loopt nog door.
In haar levensverhaal speelt haar Joodse achtergrond mee, ze was de dochter van twee Joodse vluchtelingen – vandaar die voor Colombiaanse begrippen ongewone achternaam. Maar ook deze dunne draad krijgt geen extra nadruk. Alles in deze roman is perfect afgewogen.

Werk van Feliza Bursztyn. Foto VlasovP /Wikimedia Commons

In 1957 vluchtte ze al eens naar Parijs. Vásquez: ‘Ze was net drieëntwintig maar had niettemin genoeg tijd gehad om te trouwen, drie dochters te krijgen, van haar man te scheiden en voor het eerst te sterven.’
Veel later leidde, terug in Colombia, de politieke onderdrukking tot een inval in haar huis – ze was inmiddels zwaar gewond door een nare val in haar atelier – en het werd tijd om definitief te verkassen. Via Márquez huis in Mexico werd het opnieuw Parijs, om daar te sterven van verdriet. Verdriet om het afgesneden zijn van familie en vrienden, van Colombia?
Aan het eind verschijnt Vásquez weer en hij heeft, geen toeval, de antwoorden niet. Feliza’s moeder Chaja, die in Jeruzalem woonde, schreef eerder al over haar dochter dat ze een open boek was.

‘Nee, Feliza was geen open boek; ze leefde eerder het soort leven dat geen biografie kan navertellen.’ Net als Chaja denkt iedereen die bij haar begrafenis was, schrijft Vásquez, dat ze het mysterie Feliza hebben doorgrond. Dat zal de lezer ook niet lukken, maar het maakt het lezen van deze superieure roman juist alle moeite waard.

Juan Gabriel Vásquez: De namen van Feliza.
Vertaling: Brigitte Coopmans. 320 p’s. Meulenhoff