Voor het eerst, en zeker niet voor het laatst, is er een overzichtstentoonstelling van het werk van Erwin Olaf. In het Stedelijk Museum uiteraard. Eerst de som, later de delen, dat lijkt het idee. En dan later ongetwijfeld die delen nog eens in andere, verdiepende verbanden. Olaf’s verhaal is dat hij, ook hij, niet is ontkomen aan de toenemende ernst van het leven, wat met kleurverlies gepaard ging.


door Theo Hakkert


Wat opvalt aan de kunst van Erwin Olaf is hoe het ongedwongene, vrolijke en het spannende langzaam verdwijnt, des te langer de tijd verstrijkt. Je ziet het aan de kleuren. Hij begon als persfotograaf, in tijden dat zwart-wit nog in zwang was. Goed getimede, snelle shots. Vervolgens begon hij een studio, ontwikkelde zich daar van fotoreporter tot regisseur, zodat hij kon stileren en vormgeven. In de tijd dat kleuren allang de overhand hadden genomen.
Een fiësta aan spetterende kleuren kwam uit die studio naar buiten, bij onderwerpen die allengs gedurfder werden. Veel naakten. Mooie lijven, lelijke lijven. Schoonheid was niet de standaard, niet het doel. 

Om vervolgens tegen het einde van zijn leven – Erwin Olaf (Springveld), 1959-2023 – terug te keren, niet geheel naar zwart-wit, maar met de lol en het geile verdwenen rond corona de hoop en het optimisme, om plaats te maken voor zorgen over het klimaat, de mensen, de aarde, de bossen. Waar gedekte kleuren bij passen. Diepgroen en andere aardse kleuren. Bijna was daarmee een cirkel rond, maar daardoor lijkt het wel of het negatieve overheerst. Omdat de laatste beelden de neiging hebben te overheersen, alsof ze de conclusie zijn van een intens geleefd leven. Niet terecht.

Een activist kan nooit stoppen

Olaf ging kort voor covid losbrak naar München en kwam daar niet zozeer tot inkeer, maar wel tot inzicht. Hij zag de grote bewegingen van toeristen, maar ook van mensen die voor hun werk op pad en reis waren. Hij zag het onverschillige daarin, de exploitatie van de natuur, zonder overigens zichzelf daarvan uit te sluiten, want hij was net nog eventjes weer in Palm Springs geweest. De serie die hij daar maakte, is niet zijn sterkste, maar is daarmee niet minder veelzeggend. Hij vond, en legde er leegte vast. De actieve activist in hem voelde zichzelf knagen. Maar een activist kan nooit stoppen.

Op heel groot afgedrukte foto’s laat hij onder meer, op een van de achttien foto’s uit de Beierse serie, een bergmeer zien waar een smalle, primitieve gondel – lang geen Venetië – op stilligt terwijl de suggestie is dat hij vaart. Met voorop aan boord twee gesluierde vrouwen en op de achtersteven een man met een roeispaan. Een dystopisch beeld, mede door de suggestie van kleuren, afwezig zijn de kleuren net niet. Heel indrukwekkend, niet alleen door de grootte.
Ook fotografeerde hij, nadrukkelijk gestileerd, zoals vrijwel al zijn werk nadat hij de persfotografie achter zich had gelaten, zichzelf in een Beiers woud.

Heel veel ‘muzen’, maar zelf ook eindeloos in beeld

Zou Erwin Olaf zich net zo vaak of zelfs vaker dan Rembrandt hebben afgebeeld? In Olaf’s geval maakt het dit overzicht veel persoonlijker dan wanneer hij er niet op had gestaan maar telkens alleen met modellen – en die had hij er veel, massa’s! – had gewerkt. Met dit effect dat we hier een sterk aan de persoon van de maker gerelateerde tijdlijn zien van Nederland, van eind jaren zeventig tot het begin van dit decennium. Maker, getuige.

De laatste fase mag niet maatgevend zijn voor het complete werk, maar dat het niet zo feestelijk eindigt als het in de jaren 80 was, toen we wellicht in de hoop leefden dat de wereld een dansfeest was en zo blijven, wat een illusie was, geeft te denken.
De vrijheid, het grenzeloze optimisme en het idee dat alles kon – werkelijk alles kreeg een aantal keren een vreselijke knauw. Eerst de aidsepidemie die met name in de homo-erotische kringen waar Erwin Olaf zelf in verkeerde, diepe wonden sloeg. (Zijn activisme op dit terrein kan niet worden overschat.) De aanslagen van 9/11, de moord op zijn vriend Theo van Gogh, die hij diverse malen had gefotografeerd in de werkelijk meest onorthodoxe poses en kleding. Vervolgens covid, toen de wereld een tijdlang dicht ging.

Erwin Olaf, April Fool, in de lege tijden van covid

Schitterend maar hartverscheurend is de serie die hij maakte over die lege wereld, met zichzelf, jawel, in de hoofdrol. Als April Fool gekleed, met een wit gemaakt gelaat, loopt hij verdwaasd door een lege supermarkt, duwend aan een leeg karretje. Dat wit, het doet denken aan de witte gezichten van personen die in tijden van de pest de straten reinigden en lijken wegwerkten. Hier is Erwin Olaf een clown die treurt. Die kant hebben clowns, maar die andere kant, hun grote lach, de grollen die daarbij horen, is hier niet te zien.

Op een van de foto’s staat hij met zijn hoge puntmuts op dicht tegen een muur aan, het hoofd iets gebogen, hopeloos, hulpeloos, radeloos. Voorbij was het feest
En wat was het een feest geweest! Het begon al met zijn reportages waar hij de zelfkant niet schuwde en de beat, underground en het nachtleven van Amsterdam zocht en vond, maar het feest bleef toen hij in de studio niet meer die snelle foto’s hoefde te schieten – snel, want die opgestoken middelvinger is er maar even. Binnen kon hij eindeloos stileren, eindeloos met licht experimenteren, eindeloos opnieuw beginnen en zijn ‘muzen’, zoals hij zijn modellen noemde, kon uitputten.

Hier werd hij de perfectionist die hij mogelijk al was, maar in de studio zat hem daarbij niets meer in de weg qua snelheid. De achterzijde daarvan is dat een Olaf zeer nadrukkelijk een perfecte foto is, wat onvermijdelijk dorheid in de hand werkt, hoe afwijkend, bijzonder, onverwacht, kinky of grotesk de afbeelding ook. Soms is het gewoon te mooi.
Dit moet met het gegeven te maken hebben dat het om een foto gaat. Bij een overgestileerd schilderij is dat effect er veel minder snel.

Hyperrealisme – alsof het is getekend

Een verhaallijn hierbij is ook de ontwikkeling van de techniek. Van grofkorrelig naar super- of hyperrealistisch, ook dat is een aspect van de tijdlijn van Erwin Olaf. Grappig is dat sommige portretten zo onwaarschijnlijk helder-realistisch zijn dat ze van de weeromstuit doen denken aan de over-the-top grote, met potlood getekende portretten die MORE in Gorssel soms tentoonstelt. Die precisie.

Over MORE gesproken. Daar hangt, soms, een foto uit de waarschijnlijk mooiste serie die hij deze eeuw maakte: Grief. Een foto uit 2007. Een rouwende vrouw, Barbara, in wat een hotelkamer lijkt. Ze wil haar nylons aantrekken, maar de beweging is gestold door haar gedachten. Hoofd omlaag, haar linkervoet gekanteld ‘op driekwart’, zoals ze op röntgenafdelingen zeggen. In het Stedelijk hangt de hele serie. Nostalgische kleuren, Mad Men werd gezegd, Hopper, oude films. De eenzaamheid van rouw vastgelegd met de lege ruimte rond de modellen. Je kunt de stilte horen.

Van de grenzeloze uitspattingen, de feesten in de Roxy en andere tenten, de exorbitante vrijpostigheden, de taboeloze tijden van een optimisme dat niet op leek te kunnen tot het trage dimmen van de verbeelding, het grauwe van de 21e eeuw. Ontegenzeggelijk het verval. Daarmee geeft deze tentoonstelling een tijdsbeeld van een halve eeuw vaderlandse geschiedenis. Misschien is het al met al toch één lange reportage over de sfeer, cultuur en uiteindelijke vervlakking van dit land. Een van zijn beroemdste foto’s is die van een blote man die een spuitende champagnefles onder tegen zijn buik houdt, een orgastisch suggestief beeld. Zo bruiste het eens, zo bruiste het daarna zelden tot nooit meer. Erwin Olaf, een Nederlandse tijdlijn.

*Erwin Olaf – Freedom
Nog tot en met 1 maart. Stedelijk Museum, Amsterdam

(Het Stedelijk Museum staat de publicatie van één foto toe. De beschreven foto’s zijn gemakkelijk te vinden.)