Dossier DFW, deel 6
‘Let op Franzen,’ zei Michael Chabon in de aflevering van gisteren. Hij bedoelde dat Jonathan Franzen (*1959) van het rijtje schrijvers dat hij noemde wellicht de hoogste ogen zou gooien – wat ook gebeurde. Zijn romans, De Correcties, Vrijheid en Zuiverheid werden stuk voor stuk onthaald door de kritiek én de lezers.
Klassieker van opzet zijn ze, maar toch vol verhaallijnen. Wat hem tot een van de maximalen maakte.
‘Let op Franzen’ kan ook anders worden geïnterpreteerd. Let een beetje op hem, hij heeft het niet makkelijk. In 1996 – zijn vriend David Foster Wallace zou in 2008 overlijden – schreef hij een autobiografisch verhaal over het writer’s block dat hij ervoer na zie publicatie van zijn tweede roman, Schokgolven in 1992.
Wat had het allemaal voor zin, vroeg hij zich af. ‘Why am I bothering to write?’
Hij schrijft in een beroemd geworden essay, ‘Wat kan het allemaal schelen’: ‘In het begin van de jaren negentig was het met mij even treurig gesteld als met de binnenstad van de literatuur’.
Het was hem ontgaan, schrijft hij, dat Philip Roth ‘de sociale roman’ al jaren daarvoor dood had verklaard. De ‘sociale roman’ leunt sterk aan tegen het idee van de Great American Novel. Amerikaanse auteurs analyseerden vaak in romanvorm hoe het land, de staten of de steden (of de voorsteden – Updike) er bij stonden. Toen Ton Anbeek, na lezing van Oek de Jong’s Opwaaiende zomerjurken (nog wel!) vroeg om meer straatrumoer in de Nederlandse literatuur, waren de Amerikaanse romans daarvan het voorbeeld. Minder navelstaren, meer samenleving – mijn woorden.
Maar Franzen’s probleem zat dieper. Hij raakte depressief. En ook stelde hij vast dat een hele reeks auteurs die zichzelf als uiterst serieuze schrijvers zagen – schrijvers die meenden dat hun analyserende, spiegelende, prikkelende verhalen nodig waren in de VS – zich amper lieten zien in een tijd waarin de schrijver meer en meer een publiek figuur en werd uitgenodigd voor talkshows, die dan weer van grote invloed waren op de verkoopcijfers.
Daaraan meedoen, dat ging niet. ‘De schrijver voor wie het gedrukte woord boven alles gaat, is ipso facto geen telegenieke persoonlijkheid, en het is leerzaam te bedenken hoeveel van onze door de kritiek hoog aangeslagen oudere schrijvers, in een land waar voor het overige publiciteit wordt nagejaagd als de Graal, gekozen hebben voor het afschermen van hun privacy.’
In het rijtje dat hij noemt, ontbreekt David Foster Wallace. Die had op dat moment alleen The Broom of The System nog maar gepubliceerd. In hetzelfde jaar waarin Franzen dit essay schreef zou Infinite Jest verschijnen.
Franzen noemt J.D. Salinger (om met de grootste kluizenaar te beginnen), Philip Roth, Mary McCarty, Don DeLillo, William Gaddis, Anne Tyler, Thomas Pynchon, Cynthia Ozick en Denis Johnson.
Weinig tot geen interviews, zelden op tournee, vaak zelfs nauwelijks gefotografeerd.
Vijf jaar later hield het Franzen nog bezig. Hij liet zich kritisch uit over het feit dat Oprah Winfrey zijn roman De Correcties had opgenomen in haar populaire en invloedrijke Bookclub. Het zou mannelijke lezers afschrikken, vreesde hij, waarop Oprah het boek uit de selectie haalde. Het zou tot Vrijheid duren voordat deze ruzie werd bijgelegd. Van publiciteit was hij minder vies geworden: hij stuurde haar een gesigneerd exemplaar.
Maar waar het in verband met DFW om gaat, zijn de depressieve gevoelens die ook Franzen niet vreemd waren. En ook Don DeLillo niet.
De eenzaamheid waarmee achter het bureau het denk- en schrijfwerk wordt verricht, kan aan schrijvers vreten.
Franzen: ‘Een depressie doet zichzelf voor als een realistische visie op de vuiligheid van de wereld in het algemeen en van je eigen leven in het bijzonder. Maar dat realisme is slechts een camouflage voor het wezenlijke van de depressie, een onweerstaanbare vervreemding van de wereld.’
En: ‘Hoe oprecht je ook gelooft dat de mensheid lijdt aan een ongeneeslijke ziekte, als je depressief bent, geef je je vroeg of laat over en zegt: ik wil me niet meer zo ellendig voelen.’
In vertwijfeling schreef hij DeLillo. Die antwoordde met onder meer: ‘Op de lange duur zullen schrijvers schrijven, niet om zich op te werpen als illegale helden van een subcultuur, maar voornamelijk om zichzelf ter redden, om het als individu te redden.’
Gered werd Jonathan Franzen door Shirley Brice Heath, een hoogleraar van Stanford, die hem kwam interviewen. Ze vertelde hem onder veel meer over twee soorten lezers. Franzen herkende zich in de solitaire lezers die zich vrijwel volledig afzonderen en daar soms als schrijvers uit naar voren komen. Toen kon hij al snel aan De Correcties beginnen.
Hij en DFW werden bevriende collega’s. DFW leed aan een complex van depressies en redde het niet. Het was Franzen die bij de uitvaart van DFW een toespraak hield. Daarover later meer.
Tot eindeloos vertier nog zeventien dagen.
*De citaten komen uit het essay ‘Wat kan het schelen? (Het Harper’s-essay). Het is te vinden Jonathan Franzen – De kunst van het alleenzijn. Vertaling: Paul van den Hout. Uitgeverij Prometheus, 2002.