‘Alle verhalen werden voor deze bundel door de auteur herzien’, maar speciaal voor de bundel in kwestie, Het aanwezige been, schreef Arnon Grunberg geen enkel nieuw verhaal. Alle 24 werden al eens gepubliceerd. Of eenmalig voorgelezen, zoals ‘De vergroeingen’, dat hij voorlas op een studiedag van de vrijmetselarij in Driebergen-Zeist. Zou het? Vrijmetselarij? Aangezien Grunberg overal komt, is het plausibel.
Het aanwezige been bevat het fictieve werk op de korte baan dat hij schreef (en deed uitgeven of voorlezen, waarschijnlijk is er meer dat nog in zijn cloud zit) sinds de publicatie van zijn vorige verzameling, Apocalyps, uit 2013.
Verhalen van Arnon Grunberg. Dit is de categorie: dit kan hij ook. Al is ook hier weer te merken dat verhalenbundels minder aandacht krijgen dan romans. Veel kritieken zijn nog niet verschenen en altijd zijn ze kleiner dan de stukken over Grunberg’s romans.
Maar de verhalen zijn onontbeerlijk omdat ze zo’n fijn inkijkje geven in zijn manier van werken en denken. Soms krijg je de indruk dat je een samenvatting van een grote roman leest. Of dat hij zijn pen probeert en vijlt aan ideeën die een roman hadden kunnen opleveren als hij gaandeweg had gevoeld dat er meer in zat.
Ze zijn allemaal, echt zonder uitzondering, subiet te herkennen als ‘een Grunberg’. De toon, de logica, de oneliners – en ook de inzet. Regelmatig heb ik bij verhalen het gevoel dat de auteur de lezer beter binnen had gelokt door de eerste zin weg te laten, om het raadsel te vergroten. Dit is geen wet, maar wel een soortement regel.
Voor Grunberg geldt dit niet. Hij begint steeds met het stevig en stellig aanzetten van de vertelruimte.
‘Om een vrouw van een jaar of dertig met lang bruin haar en een gitaar was Cor Oldengarm lid geworden van de vriendschapsvereniging Nederland-DDR.’
Of:
‘Op een warme middag aan het begin van de zomer van 2017 reisden Alexander Mahler en Barbara Forster per trein naar Konstein in Oberbayern om met de toen zesennegentigjarige Friedrich Mielke, oprichter van het Gesellschaft für Treppenforschung, een man die zijn leven aan trappen had gewijd, te spreken.’
Bepaald niet het beste verhaal in de bundel. Aan dit verhaal, ‘Trappenkunde’, zie je dat er domweg niet meer in zat. Het idee is te klein, zelfs voor een schets als deze.
Veel beter is ‘Bon appétit’, dat ook een stevige inzet kent. De lezer zit meteen aan tafel in hartje Keulen:
‘Nooit had Thomas Feyner over zichzelf nagedacht als sekstoerist en het trof hem dan ook onaangenaam toen hij tijdens een etentje in de Keulse binnenstad de tweelingzus van zijn ex spottend tegen hem had gezegd: ‘Maar, Thomas, jij bent toch gewoon een sekstoerist?’
De scene staat meteen. De onzekerheid van Thomas (de ongelovige?), de opmerkelijke setting met de aanwezigheid van een tweelingzus van een ex, en let op het woord ‘spottend’. Het is sterk de vraag of Thomas die spot herkent.
Zoals meer verhalen in Het aanwezige been heeft ‘Bon appétit’ ook een sterk einde. Thomas wordt door de verteller een moment van inzicht gegund, maar bij Grunberg zijn momenten van inzicht zelden eenduidig. Aan het einde van zijn verhalen – en romans – treffen we weinig winnaars aan. In het eerste verhaal, ‘The Waste Land,’ probeert Rosalie Vink met een kind van een man van wie ze ver weg had moeten blijven, een land uit te reizen waar een oorlog oplaait. Onbegonnen werk. Westerse privileges zijn op.
Het fijnste verhaal, in mijn ogen, is ‘De hamster, of de toekomst van Europa’. Met weer zo’n sterke inzet, haast sprookjesachtig: ‘Aan het begin van de eenentwintigste eeuw werd in een klein stadje in het Ruhrgebied een meisje geboren dat Fenja heette.’
De lezer is meteen ter plekke. Nog een extra scheutje tederheid – Fenja krijgt een step van haar oma – en de trage teloorgang van de lieve meid kan beginnen. Haar levensverhaal is de uitleg van het bizarre gegeven dat ze jaren later op het omslag van Der Spiegel staat afgebeeld als terroriste.
Dit verhaal zou het product kunnen zijn van een schrijfopdracht. Waarbij de docente het omslag van Der Spiegel omhoog houdt en zegt: ‘Bedenk voor de volgende les, en schrijf op, hoe dit tengere meisje heeft kunnen uitgroeien tot een terroriste.’ Grunberg zou een tien met een griffel hebben gekregen. Niet in de laatste plaats omdat hij en passant een vooraanstaande politicus dit in de mond legt:
‘De toenemende populariteit van de dystopie wijst op de angst van de burger voor de toekomst. Wij kunnen hem die angst niet ontnemen, maar we kunnen hem wel de toekomst ontnemen.’
Een politicus annex filosoof. In Grunbergs wereld, en daar niet alleen, zijn dat niet de figuren die het meeste vertrouwen wekken. Schijnbaar achteloos, zo’n passage, om langer over na te denken. De stelligheid is helemaal Grunberg.
Al met al dus een rijke bundel. Niet alles is van hetzelfde hoge niveau, maar het is een staalkaart die lezers van louter Grunberg’s romans zich niet mogen laten ontgaan.
En nog even terug naar het openingsverhaal, ‘The Waste Land’. De eerste zin: ‘De portier wil haar helpen met de kinderwagen…’
Zo hebben we na de portier in de openingszin (en -alinea zelfs) van W.F. Hermans’ Nooit meer slapen andermaal een portier die het verhaal en daarmee het boek opent. Deze is niet zoals bij Hermans, een collega-nihilist van Grunberg, een invalide, maar ‘zijn pet zit scheef op zijn hoofd en op zijn uniform zitten vlekken’.
Arnon Grunberg: Het aanwezige been. 302 p’s. Hardcover met omslag. Nijgh & Van Ditmar.