Voor wie geen genoeg kan krijgen van de sneeuw is Door de sneeuw van de Duitse auteur Tommie Goerz een aanrader. De stijl van de roman is fijn als poedersneeuw. Let wel op dat een subtiele laag aan mannenliefde niet ondersneeuwt en je zo ontgaat.
door Theo Hakkert
Het schijnt dat eskimo’s – mag je deze term nog wel gebruiken? – helemaal geen twintig woorden hebben voor sneeuw, maar dat in hun talen wel specifieke woorden bestaan voor bepaalde soorten sneeuw. De sneeuw waar je iglo’s van bouwt, de suikersneeuw die gewoon ergens ligt. De verschillen zijn gradueel.
Hoe de Inuit een dikke laag aanduiden, geen idee. Zo’n dikke laag ligt wel over het alpendorp dat het decor is van Door de sneeuw, een roman van Tommie Goerz, die in Duitsland tot aan dit boek bekend was als thrillerschrijver. Ook hier zijn de verschillen gradueel.
In het dorp, toch al zo geïsoleerd tussen de bergen, verandert verder nooit iets. Iedereen kent iedereen, al worden de bewoners van een nieuwe wijk lang gewantrouwd en genegeerd, bijvoorbeeld als ze zich in het café wagen. Alleen met eindeloos geduld kan een nieuweling erin slagen enige erkenning als dorpsgenoot te krijgen, maar echt in de gunst raakt nooit iemand en één verkeerd woord of vreemde blik en ze kunnen opnieuw beginnen.
Als het gerucht gaat dat er asielzoekers in een leeg pand komen wonen, wordt het pand in brand gestoken, maar het is als met de woorden van Inuit voor sneeuw, het klopt helemaal niet. Jammer van het pand.
Max woont hier al zijn hele leven van tachtig jaar. Iedereen kent Max Malter en Max kent iedereen, maar hij heeft een levenslange vriend in Schorsch, een ooit getrouwde man, hij wel, al even oud en een groot liefhebber van de soorten appels die Max van zijn bomen plukt: martini’s en Rijnlandse kromstelen – die pas na kerst echt lekker zijn. Meer dan vijftig jaar nam Schorsch van elk een mand mee voor de winterdagen. Goerz schrijft dit gegeven mooi op, om de alinea af te sluiten met ‘En nu was hij dood’.
Hoezo, in een dorp verandert niets? Max is zijn metgezel kwijt. Een hard gelag, niet in de laatste plaats omdat, zo suggereert Goerz zo subtiel dat het de lezer kan ontgaan, omdat het liefde was tussen de twee mannen. Even toegedekt als het dorp nu er sneeuw ligt.
Hoe graag ze naast en tegen elkaar aan zaten of op de chaise longue lagen, ‘waar het lekker warm was’.
Er staat: ‘Er was iets geweest tussen hen. Ook als ze zwegen’.
Goerz is solidair en doet er, op een paar lichte hints na, het zwijgen toe. Zoals ook het dorp zwijgt, zelfs als Max er almaar niet in slaagt iets met een vrouw te krijgen. Het dorp weet veel, het dorp kent het belang van zwijgen. Behalve dan als de wake voor Schorsch begint, die overigens Georg heette, Wenzel Georg. ‘Maar wat wisten ze bij de gemeente nou van namen?’
Bij de wake wordt gepraat. En gepraat. En gepraat. Waar vroeg of laat, meestal laat, ook de duistere kanten van de dorpsgemeenschap ter sprake komen. Een hele nacht koetjes, kalfjes en alle positieve dingen rond een dorp waarin niets gebeurt, is niet vol te houden. De oorlog, natuurlijk, die ook. De ‘fouten’ en de goeden. De geschillen tussen kroegbazen, de eigen eigenaardigheden van solitairen.
De mannen en de vrouw waken niet samen, maar als groepen na elkaar. Alleen Max, Max waakt met de vrouwen. Daar ligt Schorsch. ‘Alleen deze nacht zouden ze nog samen doorbrengen en dan was het voorgoed voorbij’.
Goerz wikkelt het verhaal op kundige wijze af. Nog een subtiele verwijzing naar de band tussen Max en Schorsch – ‘een bijzondere vriend’, zegt de pastoor, maar Max hoort het niet. Hoe het met Max is, laat zich raden. Hij is niet op de begrafenis, dat zegt genoeg. Iets met sneeuw.
Tommie Goerz: Door de sneeuw.
173 p’s. Atlas Contact.
