Doireann Ní Ghríofa heeft in Aldus de doden al haar verbeeldingskracht ingezet om stem te geven aan vrouwen die eind negentiende, begin twintigste eeuw werden verpleegd in een psychiatrische inrichting in het Ierse Cork. Loerend door alle gaten die ze maar vinden kon, kwam ze zo dicht bij dat het gevaar dreigde dat ze er zelf in op zou gaan.

door Theo Hakkert


Doireann Ní Ghríofa had er, zo te zien, een lange reportage van kunnen maken. De Ierse schrijfster, die met haar debuut Een geest in de keel in 2022 de shortlist van de Europese Literatuurprijs haalde, is gefascineerd geraakt door het Cork Mental Hospital. In deze instelling, waarvan het grote gebouw de skyline van Cork beheerst, werden in het verleden honderden psychiatrische patiënten, vooral vrouwen, opgevangen.

Inmiddels is het pand verbouwd tot appartementen, maar het straalt nog altijd het strenge verleden uit, zo merkte Ní Ghríofa toen ze het zag. Onmiddellijk wist ze ook dat zij, met haar gevoelige ziel en inborst, als ze een eerder leven had gehad, daar mogelijk zou zijn opgenomen. Ze is de archieven gedoken en las in de patiëntenverslagen hoe met de ‘bewoners’ werd omgesprongen en hoe ze werden behandeld. Archieven die openbaar zijn als ze honderd jaar oud zijn. Jongere verslagen zijn nog niet openbaar. Het werkte beperkend, maar nog meer verslagen over nog meer patiënten (en gegevens uit kranten en andere bronnen) had niets toegevoegd aan de fascinerende roman die ze op haar archiefonderzoek, met nadruk gekoppeld aan haar verbeeldingskracht, heeft geschreven: Aldus de doden.

De L van Lucia

Ní Ghríofa heeft stem gegeven aan een groot aantal vrouwen die tot 1920 in de inrichting hebben gezeten. Bladerend in de verslagen merkte ze het initiaal op van een vrouwelijke arts op: Lucia Strangman. Deze L werkt zich op van derde assistent (en toen al hoogste vrouw) tot leidinggevende, later met haar man. Het verhaal van Lucia wordt de leidraad van de roman. Het zijn haar patiënten op wie Ní Ghríofa de nadruk legt, wat de schrijfster meteen ook de kans biedt de onderlinge machtsverhoudingen binnen de leiding van de instelling te beschrijven.

De vrouwen worden personages van vlees en bloed – als dat kan. Kunstenaar Anna Martha had opeens een pistool gericht op de autoriteiten die haar wilden opsluiten, wat natuurlijk een voor haar ongewild tegengesteld effect had.

Er is het verhaal van Muriel, de vrouw van de republikeinse burgemeester van Cork. De man zou de hongerdood sterven in een Engelse gevangenis, wat de roman precies de goede politiek-historische dimensie geeft: niet overdadig, wel helder in de tijd geplaatst.

Schokkend zijn de commentaren van de artsen en assistenten die de Lezer leest onder de verslagen. Vaak staat er: ‘Geen vooruitgang’. Wat ook weer niet altijd betekent dat de arts het allemaal wel goed vindt. Zo is William T. A. Scanlan een arts die deze conclusie vaak opschrijft, maar tegelijkertijd is hij de man die piano voor de patiënten speelt, bij een van de vrouwen specifiek als onderdeel van de behandeling, hoe hopeloos die behandeling op zich ook is.

Het is overigens niet zo dat alle patiënten voor altijd ‘bewoners’ blijven. Een aantal wordt genezen verklaard en kan gaan, wat dan weer niet altijd even goed afloopt.

De auteur als ‘de Lezer’

Aldus de doden is geen reportage – de foto’s van de patiënten hadden prachtig illustratiemateriaal gevormd – maar is nadrukkelijk een roman. Een roman die dicht op de huid van de schrijfster zit. Sterker nog: het lezen van de verslagen is onderdeel van het verhaal. Het lezen wordt gedaan door een personage dat wordt aangeduid als ‘de Lezer’, in wie de lezer van de roman meteen Doireann Ní Ghríofa (geb. 1981) mag herkennen. Daarover schrijft ze in ‘Noot van de auteur’: ‘Tot de overeenkomsten die ik deel met de Lezer die door deze bladzijden bladert behoren haar verlangen naar feiten en haar angst voor fouten.’

De keuze voor fictie maakt het mogelijk stem te geven aan de vrouwelijke patiënten wier echte stemmen geen plek hebben gekregen in de verslagen. Fictie vult de verslagen aan. De Lezer waagt zich soms zo dicht op het onderwerp dat ze bang is verstrikt te raken en zelf in de inrichting te belanden, en met haar de lezer zonder hoofdletter.

In literaire zin gaat de roman over kijken. De Lezer mag overal dicht bovenop zitten, er is altijd een afstand of het gevaar van tunnelvisie. Al vroeg in de roman begint het met een vergelijking met een camera obscura en een kring van licht, wat impliceert dat de blik beperkt is. Lang niet alles is verlicht. De Lezer wil het gebouw betreden, maar er is een verbouwing bezig. Bij een miniem gat in de omheining kan ze naar binnen, ‘bij de L’.

Later gaat het over een oculus, ook al een klein kijkgat, en deze is nog dicht ook. Andere vindplaatsen van Lezer’s nieuwsgierigheid: ‘kijken’ door een stethoscoop, loeren door een kier, een brievenbus, een sleutelgat. Alles om te benadrukken dat er geen volledige openheid is.

Het leven van Lucia Strangman, en hier heeft de auteur veel geluk, ging door na deze inrichting. Zij en haar man bedachten een eigen manier van behandelen en begonnen een eigen praktijk, en ook daar zijn verslagen van. Veel materiaal vond de schrijfster ook over het privé-leven van het echtpaar. Lang is sprake van een zoekgeraakt schrift. Kon ze daar toch maar de hand op leggen.

Als het lijkt dat de mijn van het verleden is uitgeput spreekt ze op goed geluk – en dat geluk is met haar – een achternaamgenoot van Lucia aan. Hij komt zowaar met de laatste aanvullingen. Helemaal aan het einde ontkomt de schrijfster er niet aan haar eigen voornaam toe te voegen aan de zestien patiënten wier levens ze tot in deze eeuw heeft weten door te zetten, zo intens heeft ze zich met de anderen vereenzelvigd.


Doireann Ní Ghríofa: Aldus de doden
Vertaling: Caroline Meijer
366 p’s. Uitgeverij Cossee

Foto inrichting: Richard Fensome / Wikimedia Commons