In Cádiz, de havenstad op het schiereiland aan het schiereiland dat Spanje heet, is een relatief onbekend apostolario van Francisco de Zurbarán uit een klooster verhuisd naar het museum.


door Theo Hakkert


In Londen wordt geapplaudisseerd nu The National Gallery een overzichtstentoonstelling in huis heeft met werk van Francisco de Zurbarán, en terecht natuurlijk. Terwijl het museum al Zurbarán’s meest indrukwekkende monnik (soms slechts, hoe dan?) op zaal heeft: Sint Franciscus, geknield mediterend. Een meer dan levensgrote afbeelding van een in diepe spirituele sferen verkerende heilige. Barok, maar met een sobere achtergrond, alle aandacht gaat uit naar de sober levende man, de monnikskap laat net genoeg van zijn gezicht zien om de ernst waarmee hij op dat moment zijn geloof beleeft. Met een schedel in handen, symbool van dood en vergankelijkheid. Hier vallen schilderen en mediteren samen.

Tegelijk zijn het vensters op een oude tijd. Deze diepe verering is iets van toen, uit een stille wereld: stil-levens. Een lege wereld ook, een van eenzaamheid, mystiek, en tucht en zuivering.

Francisco de Zurbarán (1598-1664) bleef Franciscus schilderen, minstens twintig keer. Zoals hij ook vijf keer het Lam Gods schilderde. Heel anders dan Van Eijck, meer naar het leven. Zurbarán’s Agnus Dei schilderde hij, zo werd gezegd, terwijl hij daadwerkelijk naar een lam keek. Het merinolam ligt, met de poten bij elkaar gebonden, te wachten op wat waarschijnlijk alleen de menselijke toeschouwer van dit verbijsterende werk kan bevroeden: een ontluisterend einde door slacht. Hoewel, iets van de overgave lijkt op de kop van het dier te bespeuren te zijn, maar mogelijk is ook dat wat bezoeker meebrengt.

(de tekst gaat onder de foto door)

NIET te zien in Cádiz: een van de varianten van
Agnus Dei door Zurbarán. Foto: Wikimedia Commons

Wat The National Gallery niet heeft is alleen te zien aan het einde van de wereld. In Cádiz, de stad op het zuidelijkste kleine schiereiland aan het schiereiland dat Spanje van zichzelf al is, de rauwe havenstad ligt welhaast ín de Atlantische oceaan.

Cádiz heeft een museum dat vooral op de archeologie lijkt te zijn gericht. Andalusië heeft nu eenmaal een rijke historie wat betreft opeenvolgende volkeren en heersers. Iedere veroveraar drukte zijn eigen stempel om de oude orde te verdringen en overklassen. Dat kon ver gaan, zo werd in Córdoba na de ‘herovering’ door de katholieken een basiliek gebouwd ín de moskee, de wereldberoemde mezquita. Eerlijk gezegd is het niet eens zo heel lelijk en je kunt zeggen dat de moskee verder niet is verwoest, maar goed.

Dus heeft Museo de Cádiz de begane grond gereserveerd voor wat archeologen zoal uit de gelaagde bodem van Andalusië hebben weten op te graven. Pas in 1970 zijn de musea voor archeologie en beeldende kunst samengevoegd en ondergebracht in een fraai pand aan de Plaza de Mina.

Voor de kunst moet de bezoeker een trap op en die loopt daar binnen de kortste keren aan tegen de nis, om niet te zeggen kapel met tien schilderijen van Zurbarán. Een apostolario nota bene. De apostelen, een serie van twaalf (twee hangen elders) die hij schilderde tussen 1637 en 1639 voor het altaar van het kartuizer klooster van Jerez de la Frontera, de Cartuja de Santa María de la Defensión. De apostelen zijn allemaal staande, ten voeten uit afgebeeld.

Een van de geportretteerden is de eerste kartuizer martelaar John Houghton. Niet met een schedel in de hand, maar met een hart. In de stijl van Zurbarán, die met de Italiaanse term chiaroscuro wordt aangeduid. Een sterke nadruk op de voorgrond, het contrast tussen licht en donker is groot. Dat is dus bijvoorbeeld zo bij de Franciscus in The National Gallery, maar hier in Cádiz dragen de apostelen blauwe, rode en groene jassen over hun gebroken-witte habijt. Wat de schilderijen meteen minder streng maakt.

(onder de foto met de schilderijen van de evangelisten gaat de tekst verder)

Alsof het nog niet genoeg is, hangen portretten van de vier evangelisten, Lucas, Johannes, Matteüs en Marcus, in een kwartet bij elkaar. Ieder heeft een boek op schoot. De doeken zijn zo opgehangen dat de evangelisten naar elkaar kijken.

Omdat deze schilderijen relatief tot voor kort in het klooster hebben gehangen, is deze reeks niet zo bekend terwijl het stuk voor stuk topwerken zijn. Zurbarán mag dan steeds opnieuw deze religieuze werken hebben geschilderd, nergens krijg je de indruk dat hij er zo nog maar eentje maakte. Ieder schilderij heeft hij met dezelfde drang vervaardigd. En dan zo als serie bij elkaar is dit apostolario extra indrukwekkend.

Merkwaardig is dat Cees Nooteboom – daar is hij weer, maar hij is een onvermijdelijk referentiepunt als het om Zurbarán gaat, ook Joost Zwagerman kon niet om hem heen toen hij over Zurbarán schreef in De stilte van het licht – nergens deze apostelen van Cádiz noemt. Een keer noemt hij Cádiz als het gaat om de Annunciatie, maar die ‘engel in het oranje’ hangt in Grenoble tegenwoordig. Zurbarán schilderde nota bene ook De verdediging van Cádiz tegen de Engelsen, maar die is te zien in het Prado.

In Nooteboom’s catalogus van Zurbarán – Schilderijen 1625 – 1664 komen de apostelen niet voor. Geen van de vijftig hangt volgens de index in Cádiz. Die vijftig is ook maar een selectie; er zijn zo’n 270 Zurbaráns. De meesten hier in de buurt zijn te vinden in Sevilla, waar Zwagerman zich een half uur alleen waande temidden van de mystiek. Zo’n eenzaam lang moment valt ook te beleven in Cádiz, aan het Europese einde van de wereld.

Dit is het tweede in een reeks verhalen en reportages over de kunst en cultuur in Andalusië.