Sterretjes, witregels, ultrakorte alinea’s van soms maar een woord. In de nieuwe verhalen van de Welsche schrijver Cynan Jones draait inhoudelijk alles om mens en dier, maar omdat hij de taal met bijna elk nieuw boek meer uitpuurt, valt de vorm steeds meer op.


door Theo Hakkert


De meester van de witregel is weer bezig geweest. Natuurlijk was Cynan Jones niet de eerste die met de inzet van witregels de vorm van zijn proza bepaalde en daarmee ook het tempo, waarover straks meer. Zijn inzet van wit fascineert elk boek opnieuw.

Witregels zijn bepalend voor poëzie. Een sonnet bijvoorbeeld heeft er drie nodig of op z’n minst een. Natuurlijk kunnen de veertien regels zonder, maar de kwatrijnen en terzinen worden toch het mooist gescheiden door witregels, zeker ‘moet’ er een tussen het octaaf, de eerste acht regels, en het sextet, de laatste zes. Maar wit tussen de kwatrijnen en de terzinen is toch het mooist – call me oldfashioned.

Voor het werk van Cynan Jones (Wales, 1975) is de witregel kenmerkend. Dat was niet vanaf het begin al zo. Zijn debuut The long dry, een roman uit 2006, vertaald als De lange droogte, heeft ze al wel, maar hij scheidt de alinea’s ook door tussenkopjes en liggende streepjes. Door die kopjes en streepjes weg te laten, komen in de boeken die volgen de witregels in het volle licht te staan. Al is qua vorm zijn roman Everything I found on the Beach (2011) weer vrij conventioneel. Met lange alinea’s ook.

Voor Jones geldt, en dit is volkomen logisch: des te korter de alinea’s, des te meer wit. En alsof het nog niet genoeg is, introduceerde hij in Stillidice, dat hij had geschreven voor BBC Radio, de dubbele witregel. Door ‘gewoon’ een keer extra op ‘enter’ te drukken, neem ik aan. Zo basaal is het natuurlijk ook.

In zijn nieuwe boek, de verhalenbundel Pulse, in vertaling Deining, drijft hij deze vorm van vormgeving nog verder door. In het eerste verhaal, ‘Peregrine’/‘Slechtvalk’, komen zes dubbele witregels voor. Hij heeft bovendien de alinea’s kort tot heel kort gehouden: een aantal is slechts één zin. Elke zin is zo een moment: pats, pats, pats. Zodat het wit welhaast overheerst. Wat in het hele boek het geval is.

Het werkt zo. Dit is een vrij willekeurig gekozen pagina uit het verhaal ‘Voorraad’/‘Stock’, de tekst gaat onder de foto verder.

De vraag klinkt calvinistisch, maar wat is het nut van een dubbele witregel? Extra rust? Is het om het langere tijdverloop tussen de alinea’s aan te geven? In dit eerste verhaal ben ik daar niet van overtuigd. Twee mannen willen vanaf een rivier een klif willen beklimmen om een nest van slechtvalken leeg te halen. De grote van de twee draagt de buitenboordmotor. Na de dubbele witregel dragen ze de opblaasboot naar het water. Daar zit toch echt weinig tijd tussen, niet meer dan tussen de andere brokjes tekst.

Denkbaar is dat een dubbele witregel gebruikt wordt om van perspectief te wisselen. Tussen het ene personage en het andere, maar in het verhaal ‘Koe’ bijvoorbeeld is dat niet het geval. De ‘hij’ die de vrouw naroept dat ze voorzichtig moet zijn bij het rijden op een quad is dezelfde ‘hij’ die vervolgens meteen een gebutste emmer pakt. Dus tja.

Interessanter is hoe Jones in ’Peregrine’/‘Slechtvalk’ sterretjes gebruikt. De magere man wordt tijdens deze expeditie zwaar geplaagd door de herinnering aan een jongen die een ongeluk heeft gehad waar hij bij betrokken was. Dit deel staat tussen sterretjes die gecentreerd boven en onder dit deel van het verhaal staan. (Net zoals Ester Naomi Perquin ze plaatst in haar roman Tot alles in beweging komt.)

Sterretjes stralen ook in het beste verhaal in deze bundel: ‘Rendier’/‘Reindeer’. Hier geven ze, met enige goede wil van de kant van de lezer, een scènewissel aan. Een regisseur zou hier een ander camerastandpunt nemen. ‘Rendier’/‘Reindeer’ is het beste verhaal omdat hier de witregels optimaal werken. Ze bepalen het tempo en als de spanning oploopt spannen de witregels en de ultrakorte zinnen samen en maken er – tak, tak, tak – een jachtige lezing van. Het springen over het wit heen werkt fantastisch.

‘Slechtvalk’, ‘Koe’, ‘Rendier’ – en in ‘Rendier’ loopt een vervaarlijke beer rond. Natuurlijk gaat het Cynan Jones niet puur om de vorm van zijn proza. Hij zet de al dan niet dubbele witregels, sterretjes en de minieme zinnen, die in zijn werk steeds korter worden, in om de relatie tussen mens en natuur te onderzoeken. Het ongemak tussen mens en dier met name. De mens die meent superieur te zijn; het dier dat op natuurlijke wijze zijn gang gaat. De mens die beestachtiger te werk gaat dan het dier. Zo lopen er, naast witregels en sterretjes, ook nog eens mooie lijnen door deze verhalen.

De witregels bij Jones geven een poëtisch uiterlijk aan het proza. In ‘Rendier’ speelt hij zelfs even leentjebuur bij de concrete poëzie. Door de zin ‘Hij rende.’ te laten volgen door ‘Halsoverkopomlaag’. De letters hiervan vallen halsoverkop omlaag op de pagina.

De langste alinea’s, zo’n twaalf, dertien regels, in de bundel staan in het verhaal ‘Witte vierkantjes’/‘White squares’. Witte vierkantjes. Die hadden we bij Jones nog niet gehad. Wie weet wat er nog meer volgt.

Cynan Jones: Deining
Vertaling van Pulse. Vertaald door Manon Smits
Alle vertalingen van Jones’ werk: uitgeverij Koppernik.
Pulse is uitgegeven door Granta

foto peregrine: Tisha Mukherjee / Wikimedia Commons