over Het goud van Seyss-Inquart van John Kuipers
In deel vier van de thrillerserie van John Kuipers rond de boomlange Haagse hoofdinspecteur in oorlogstijd, Charlie Swieninck, blijft het lang een raadsel wie de brute overval op een juwelier – twee dode vrouwen, een zwaargewonde juwelier – op zijn geweten heeft. Een briefje verwijst naar de hogere kringen.
door Theo Hakkert
Het is, bij mijn weten, op pagina 160 van de vierde thriller van John Kuipers voor het eerst dat de lezer meer weet dan de Haagse hoofdinspecteur Charlie Swieninck, wiens precaire arbeid ten tijde van de Duitse bezetting al vier boekdelen fascineert.
Tot dit moment heeft Kuipers (1955) de lezer keurig bij de hand genomen en langs zijn avonturen geleid. Of hij dat nu wandelend deed, op de fiets of in de aftandse BMW die hem, zelfs in de oorlog, ter beschikking stond, altijd hoefde de lezer weinig te doen, naast lezen natuurlijk. Een riante positie, niet in de laatste plaats omdat Kuipers er een heerlijk nuchtere stijl op nahoudt. Hier en daar een muurbloempje, goeie dialogen ook, helemaal prima. Terecht, de lof voor zijn reeks.
Op pagina 160 van Het goud van Seyss-Inquart wordt hem een met de hand geschreven briefje aangereikt. De inhoud heeft mogelijk betrekking op bij een brute overval buit gemaakte juwelen. Maar het gaat hier om de namen.
Arthur. Turele. A. Dolly.
Bij de lezer gaat, op het spoor gezet door de titel van de thriller, een licht op, bij de hoofdinspecteur duurt het even voordat hij de aanwijzingen kan plaatsen. Waarschijnlijk ook omdat hij bij deze namen niet meteen denkt aan hogere kringen in bezet Nederland. Niet aan Arthur Seyss-Inquart bijvoorbeeld, Rijkscommissaris van Nederland ten tijde van WOII, die als jongen Turele werd genoemd, al wist deze lezer dat dan ook weer niet, ik moest het lezen in Kuipers’ boek.
Wie de reeks rond Charlie Swieninck niet kent: de vier delen spelen in Den Haag in de oorlog, waar de hoofdinspecteur moorden mag oplossen zolang ze niet met de Duitse bezetters in verband staan. Wat ook in deel 4 aanvankelijk niet het geval lijkt. Achterin de boeken staan korte bio’s van de personages die werkelijk hebben bestaan.
Goed, Seyss-Inquart dus. Niet zo verwonderlijk. In eerdere delen ging het om Mussert en Göring. Vaak spelen ze een rol op de achtergrond. Zo komt – spoiler – Seyss-Inquart als personage niet voor in het boek, maar zijn goud des te meer. Er wordt, vrijwel onder de ogen van de Duitse bezetters, een overval gepleegd op een juwelier in downtown Den Haag. Twee dode vrouwen en een zwaargewonde juwelier. Gouden sieraden zijn weg; de kassalade zijn de overvallers in hun haast vergeten – of ging het ze niet om geld? Vragen waar de Duitsers niet uitkomen, evenmin als de afdeling Overvallen en ook Swieninck moet een lange omweg afleggen, via louche kunsthandelaren en een femme fatale die liegt over wie ze is, voor hij enig idee krijgt hoe de zaak in elkaar steekt. Lang blijft de vraag actueel of het verzet hier mogelijk bij betrokken is.
En over omwegen gesproken. Een deel van de attractie van Kuipers’ reeks is hoe precies hij het stratenplan van Den Haag in oorlogstijd inzet voor de couleur locale. De straten en ook de gebouwen van toen. Tot aan de wegafzettingen aan toe – en mochten die gefingeerd zijn, dan nog passen ze goed bij de tekening van de sfeer in de stad. Het gaat zelfs zo ver dat hij alle cafes en bordelen kent, inclusief de plekken waar homo’s elkaar konden ontmoeten. Prijzen van goederen, of en waar tabak te koop is, wie nog drank heeft, et cetera. Koffie ook, wie heeft nog echte koffie – en hoe verdacht maakt iemand dat?
De feiten lopen hier moeiteloos over in fictie. Boven elk hoofdstuk staat een datum. Kuipers heeft opgezocht welk weer het elk van die dagen was.
Wat een research moet hieraan ten grondslag liggen. Wat je boven water haalt (of al wist), moet dan ook in zo’n boek. Je kunt Kuipers verwijten dat het allemaal wat overvloedig is, maar het geeft de thriller wel een extra laag geloofwaardigheid. En bovendien is het een fijn onderdeel van de lange tocht die de lezer onder leiding van de hoofdinspecteur maakt. We moeten hem vertrouwen, al wordt dit vertrouwen kort voor de finale wel even op de proef gesteld, ook al omdat dit van de vier delen het boek is met de meest complexe zaak – en daardoor ook het dikste.
Eerder schreef ik, bij deel 3, dat het gelukkig is dat de oorlog nog niet voorbij was. Dan had John Kuipers voor zijn chronologische reeks nog ruimte over voordat het vrede werd. Maar in Het goud van Seyss-Inquart zijn de geallieerden al geland en duurt het tot zaterdag 15 juli 1944 voordat de zaak is opgelost. Nog minstens één deel, hoop ik, dan bestaat ook Kuipers’ serie uit vijf delen, net als die van Mathijs Deen wiens slotdeel in het voorjaar verschijnt. Twee uitmuntende series zijn het.
John Kuipers: Het goud van Seyss-Inquart.
416 p’s. Cargo