Donderdag 5 maart is op 83-jarige leeftijd António Lobo Antunes overleden, de Portugese schrijver van grote, stilistisch baanbrekende romans over de geschiedenis van zijn vaderland, vooral in relatie tot de koloniale oorlog met Angola. Hier een herdruk van een interview uit 2014.
Toen António Lobo Antunes terugkwam uit de oorlog in Angola, wilde zijn dochtertje hem niet kennen. “Haar vader was een foto.”
door Theo Hakkert
Alsof het een sigarendoos is die tot zijn teleurstelling leeg blijkt te zijn, zo schuift António Lobo Antunes het boek van zich af. Bozig bromt hij dat hij zich niets van de inhoud herinnert. “Ik heb hierna een ander boek geschreven en ik ben bezig aan alweer een volgend.”
Een snelle blik op het colofon voorin Als een brandend huis leert dat deze nieuwe roman van Lobo Antunes ook in zijn vaderland Portugal dit jaar is verschenen. “Een boek van mij wordt vaak pas gepubliceerd drie jaar nadat ik het heb geschreven. Ik schrijf veel en er moet tijd zitten tussen de publicaties.” En in de tussentijd is hij het boek al vergeten? Met schaterlach: “Natuurlijk!”
Hij houdt zijn jas aan, António Lobo Antunes (toen 72), de Portugees wiens naam elk jaar bij het rijtje kanshebbers voor de Nobelprijs staat.
Wat hij zich niet herinnert, is dat Als een brandend huis gaat over een flatgebouw met in de acht appartementen een dwarsdoorsnede van de Portugese bevolking. Onder anderen een actrice, een vrouwelijke rechter, een Joods echtpaar, een communist en een militair die in Angola heeft gevochten. Uit hun verhalen blijkt dat ze allemaal zwaar getraumatiseerd zijn geraakt in de jaren dat António de Oliveira Salazar een dictatoriaal bewind over Portugal voerde. Zes jaar na Salazars dood kwam daar, in 1974, met de Anjerrevolutie een einde aan. In het slothoofdstuk blijkt dat ook de zolder is bewoond. Daar huist de halfvergane geest van Salazar.
‘Ik schrijf langzaam, maar wel altijd’
Liever dan te praten over dit specifieke boek vertelt hij hoe hij werkt. “Wanneer ik begin, heb ik geen idee wat ik ga doen. Ik maak geen plan. Ik schrijf langzaam, maar wel altijd. Zeven dagen per week. Een deel van mijn brein moet dichtgaan opdat het deel waarmee ik schrijf zich kan openen. Dat deel van mijn brein gebruik ik in het dagelijks leven niet.”
Eigenlijk nam hij schrijven nooit serieus. Wel heeft hij ooit, maar dat was nog voordat hij aan zijn studie begon, tegen zijn moeder gezegd dat hij schrijver wilde worden. “‘Jongen’, zei ze, ‘dan ga je een miserabel leven tegemoet. Je zult op straat leven’.” Dus werd hij dokter en deed het schrijven erbij. “Ik heb mijn hele leven boeken geschreven, maar nooit met het idee ze te publiceren. Ik gooide ze meteen weer weg.” Tot een vriend een stapel paperassen zag en vroeg wat het was. Een roman. Of hij het manuscript mocht lezen? En later of hij het mocht laten lezen aan een uitgever. “Ik zei: ‘Je gaat je gang maar’.”
Stuk voor stuk wezen uitgevers het af. Een jaar later, bij een klein uitgeefhuis, verscheen het alsnog. “Het werd een succes, want het was 1979. Vijf jaar na de revolutie.”
Vóór de Anjerrevolutie was er een strenge censuur in Portugal. “Tal van schrijvers belandden in de gevangenis. Om dat te voorkomen, schreef wie niet vast zat over imaginaire landen of over de oudheid. Mijn boek was het eerste dat over Portugal ging. Ik had verwacht dat er een overvloed aan meesterwerken uit uitgeholde planken vandaan zou komen. Maar niemand had verboden boeken geschreven. Na de revolutie bleven de schrijvers schrijven over imaginaire landen. Omdat ze dat zo gewend waren.”
‘Boeken zijn niet moeilijk’
Alsof hij wil kijken of er niet toch nog een sigaar in de doos zit, trekt hij het boek naar zich toe. “Dit gaat over een huis, toch?” De herinnering komt terug. “Ik had hiervoor een boek geschreven naar aanleiding van een dichtregel van René Char die me jarenlang had achtervolgd. Dat was moeilijk geweest en daarna wilde ik, ik wilde bijna zeggen: een niet zo moeilijk boek schrijven. Maar dat klopt niet. Boeken zijn niet moeilijk.”
Hij is lang stil. Zegt dan: “Ik zag alleen de mensen in het huis, zonder dat ik wist wie ze waren. Ik denk nu dat het geen personages zijn, maar alleen stemmen. Ik zie mijn personages sowieso nooit voor me, niet als fysieke figuren, in geen enkel boek. Ik vraag me zelfs af of het niet steeds dezelfde stem is, een stem die zich soms als vrouw voordoet en dan weer als man.”
Met een stoute glans in de ogen vervolgt hij: “Voor zover ik me herinner, duikt Salazar aan het eind van het boek op. Op zolder. Ik was hooglijk verbaasd hem daar aan te treffen. Salazar, hij was een slechte man. Door hem zat ik vier jaar in het leger, hij stuurde me de oorlog in.”
‘Voor mijn dochter was ik een vreemdeling’
Lobo Antunes heeft begin jaren zeventig gewerkt in een hospitaal in Angola. “Veel kameraden gingen dood. Dat vergeef ik hem nooit. Evenmin vergeef ik hem hoe hij mijn gezin heeft ontwricht. Mijn dochter werd geboren toen ik in de oorlog zat. Voor haar was het vreselijk na de oorlog. Opeens kwam er een man in uniform het huis in. Die ging aan tafel zitten en at mee. Die sliep bij haar moeder in bed. Die moest zij delen met haar moeder. Toen ik thuis kwam en zij hoorde ik dat haar vader was, rukte ze zich los, liep naar een ingelijste foto en wees: ‘Papa!, papa!, papa!’ Haar vader was een foto. Het brak mijn hart. Voor haar was ik een vreemdeling. Haar wereld was goed geweest toen ze met haar moeder alleen was. Het vernietigen van haar geluk was mijn schuld. Het is ondenkbaar dat zoiets niet in mijn boeken opduikt. Het verlangen geliefd te zijn: daar gaan mijn boeken over, al mijn boeken.”
Het schuldgevoel zal hij nooit kwijtraken, zegt hij. “Waarom de mens schrijft, weet ik niet. Ik weet alleen dat ik me schuldig voel als ik niet schrijf. Ik heb net geslapen in de auto op weg hier naar toe. Voor het hotel hier werd ik wakker. Ik vroeg meteen: ‘Waar ben ik? Ik moet schrijven’. Maar ik mag me niet ongelukkig voelen. Ik word gelezen en als schrijver gewaardeerd. Stendhal, die bij zijn leven niet veel succes had, zei altijd dat zijn werk ooit zou worden gelezen. Over honderd jaar zou hij beroemd zijn. Daarom eindigde hij zijn boeken met die zin van Shakespeare: ‘To the happy few’. Hij was triest. Hij wilde gelezen worden, hij wilde geliefd zijn. Een boek is niets anders dan een smeekbede om liefde.”