Hij begon als dichter, maar zijn vorm vond Jón Kalman Stefánsson (1963) bij de roman. ‘De poëzie sluipt mijn proza binnen. Mijn poëzie is mijn roman. Er zit niet zo veel verschil tussen,’ zei hij toen ik hem eens interviewde in Göteborg.


door Theo Hakkert

Een opmerking die nieuwsgierig maakt naar de poëzie die aan zijn forse romans vooraf is gegaan. Waren zijn zinnen toen ook al zo lang, zo zwierig, zo lyrisch? Ook in zijn roman uit 2024, nu vertaald door Marcel Otten: Hemellichamen aan de uiterste rand van de wereld, zijn zijn zinnen lang (en niet alleen de titel).

De IJslandse auteur is in de geschiedenis van zijn (ei)land gedoken, maar in de maatschappelijke problemen van die tijd – we schrijven 1615 – zijn moeiteloos die van deze tijd te herkennen. In betrekkelijk korte tijdspanne is de tolerantie verdwenen. Nog maar zo’n zes jaar eerder deed de lokale bevolking er alles aan om Engelse bemanningen te redden van schepen die waren gestrand op de kust, geteisterd door kou, stormen en woest oceaanwater.
Iets heeft gemaakt dat de situatie veranderd is. Dit keer zijn Spaanse schepen gestrand. Het verhaal gaat dat ze brandschattend over IJsland trekken, maar het kunnen ook geruchten zijn, in de wereld gebracht door lieden die hun macht willen consolideren.

De nieuwe winden van Galilei cum suis

Wat ook een rol speelt is dat ginds, ver weg, op het Europese vasteland, nieuwe inzichten wat betreft de kosmos – de aarde draait sinds Copernicus ineens om de zon – vaste waarden en ideeën aan het wankelen hebben gebracht. Het maakt conservatieve krachten los. Bij machthebbers en ook in de kerk. Bisschoppen lezen de boeken van de nieuwe wetenschap en denken er het hunne van. De nieuwe winden van Galilei cum suis zijn van een andere soort dan de stormen die schepen doen stranden, vooral in die zin dat die nieuwe winden niet gaan liggen. Ze dringen in hoofden binnen en brengen verwarring met zich mee.

In het nietige Brúnisandur is zes jaar eerder een nieuwe priester aangekomen, Pétur Porvaldsson. Nu een man van veertig met een verleden, dat moet wel, want zijn benoeming hier heeft alles van een demotie. Weg met die lastpak, en is er ook niet een verhaal met vrouwen dat hem niet siert en leest hij niet de verkeerde boeken?

(onder de foto gaat de tekst door)

(Rauðisandur, waar Stefánsson’s roman speelt. Foto Erik Kilby / Wikimedia Commons.)

Het punt voor ons als lezers is dat we de verhalen, ook over Pétur, van hemzelf te horen krijgen. Hij is nog maar een maand in de uithoek of hij begint een lange brief te schrijven aan ‘mijn liefje’. Het zijn deze brieven die de roman vormen, al is het een geen roman in brieven. Het werkt zo – en dit citaat geeft meteen een goede indruk van Stefánsson’s proza:

‘Ja, mijn liefje, ik kwam hier in augustus in het jaar 1609. In de maand van het schemerlicht. Hierheen gestuurd en aangesteld door de lange, wijze bisschop van Skálholt, Oddur Einarsson. Mijn reputatie was, zo hoorde ik later, mij vooruitgereisd, of ten minste allerlei geruchten over mijn doen en laten waren dat, bijvoorbeeld over mijn jaren in het westen in Dalir, vervolgens in het noorden in Strandir, en over de redenen waarom ik bijna twee jaar in Engeland had doorgebracht, wat ik daar zoal had uitgespookt. Nadat ik hier al een tijd was hoorde ik wat van die kletspraat, maar het kwam me allemaal niet bekend voor, soms een beetje, soms helemaal niets – maar wie kent zichzelf in wezen?’

De lezer is afhankelijk van deze onbetrouwbare verteller, die zich op pagina 11 al verschuilt achter de cliché-smoes dat niemand zichzelf kent. Daar zijn dan al twee motto’s aan voorafgegaan:
‘De geschiedenis vertelt veel, maar nooit het hele verhaal’ en
‘Poëzie verandert de wereld, zowel wat was als wat komen gaat. Zoek hier daarom niet naar de feiten, maar naar de waarheid’.
We zijn gewaarschuwd.

Alles wat hij schrijft, leest hij voor aan de huishoudster, Dóróthea, een vrouw die alle verhalen wel kent, maar hem laat lijden én hem aanstuurt. ‘Laat de pen je leiden,’ zegt ze. Hij denkt: het is de Heer die mij en mijn pen leidt.
‘Ik snap niet dat ik de dingen niet kan vertellen zoals ze waren.’
Zo’n man.

Maar hij probeert goed te doen. De eilandbewoners, gedreven door districtbestuurder Ari, willen de Spaanse bemanning van drie gestrande schepen doden. Pétur stelt alles in het werk om een bloedbad te voorkomen. Met veel omhaal van woorden tracht hij voor ‘mijn liefje’ het verhaal op te schrijven. Scenes komen twee keer langs, vanuit verschillende perspectieven, maar allemaal uit de pen van Pétur.

Een paar keer dringt de vraag zich op wat ‘mijn liefje’ vindt van zijn openhartigheid over de omgang die hij heeft met de vrouwen. Met twee gaat hij de intiemste betrekkingen aan. Met Helga die haar kleren optilt en zich over zijn schrijftafel buigt.

‘Kom, zei ze toen ik alles had gezien en alles had verteld. Kom nu, beval ze. En ik kwam. Ik ging naar binnen op de plek waar de prostitués mij hadden geleerd naar binnen te gaan en die niet genoemd mag worden, maar die verhindert dat het leven er ontluikt.’

De andere vrouw met wie hij het aanlegt weet dit. En Dóróthea ook. Hij leest haar alles voor, ook een passage als deze. Haar enige commentaar: ‘Het zuivert’.

Het tij van het tijdsgewricht kan hij niet keren. Wat hij kan doen, en durft, is tijdens de dienst ook de namen van de gedode Spanjaarden noemen, een daad die hem niet populair maakt bij de bevolking en ook niet binnen de kerk. De strijd tussen geloof en wetenschap brengt wereldbeelden aan het wankelen. Hoe mensen in korte tijd haat omarmen en tolerantie kunnen afzweren maakt deze historische roman tegelijk ook brandend actueel.

Zo werkt het bij Stefánsson. In Göteborg zei hij ook dat literatuur onze manier van denken moet verfrissen en opschudden. “We denken in voorpaginakoppen. Die korte statements doen ons geloven dat het belangrijkste in ons leven economie is, politiek, een nieuwe auto, een hoog salaris. We vergeten dat wat het belangrijkste is nooit op de voorpagina staat. Een eerste woord van je kind. Hoe je vrouw uit het raam kijkt. Die details waar niemand het over heeft. Maar het zijn deze details die maken wat we zijn. Zonder dat zou het leven leeg zijn, een totale leegte.”
Een leegte die hij ook in dit boek weer bestrijdt met lange volzinnen, verhalen die als een vloed uit de pagina’s stromen en schitterend verwoorde beelden van het ruige IJsland. En met ruime aandacht voor de inhoud van de nu eeuwenoude boeken die in die tijd wereldbeelden deden kantelen.

Jón Kalman Stefánsson: Hemellichamen aan de uiterste rand van de wereld
Vertaling: Marcel Otten. 422 p’s. Ambo | Anthos

Foto Jón Kalman Stefánsson: Hrein Gudlaugsson/Wikimedia Commons