Marc Fabels (Hengelo 1970, tegenwoordig woonachtig in Den Haag) is beeldend kunstenaar, ontwerper, muzikant en dichter. Hij maakt zijn eigen dichtbundels. Hij begint met beeld. Dat stuurt de tekst. Kunst, ook poëzie, moet ons niets willen leren, we hoeven alleen maar te laten zien wat we zien, zegt Fabels. Zijn jongste dichtbundel heet ‘How Can I Be Blamed For Failing To See That I’m Blind.’ Paul Abels las de bundel en sprak er met de dichter over.
door: Paul Abels
Aanvankelijk schreef Marc Fabels alleen in het Engels. Dat had alles te maken met zijn carrière. Die begon in de muziek. Vanaf zijn 16e speelde hij in rockbandjes. Hij zong en speelde bas. Op zijn 21e was hij met de band Cords drie maanden in New York om een album op te nemen. Daarna toerde Cords door de States: ze speelden in Los Angeles, San Francisco, Seattle, Chicago. En vergaarden roem in Nederland:
Cost en Revs
‘Tja, als je een Amerikaans platencontract hebt, nemen ze je wel serieus in Nederland.’ Fabels lacht. Roem vergaren is nooit zijn doel geweest en zal het ook nooit worden. Als beeldend kunstenaar maakt hij tekeningen. Van bomen vooral. Omdat hij het niet laten kan. En hij maakt teksten. Kan hij ook niet laten. Hij was docent op de AKI, de Enschedese kunstacademie. Hij is al vijfentwintig jaar free lance vormgever en copywriter. Van zijn Amerikaanse muziekavontuur heeft hij vooral een eigenzinnige visie op vormgeving overgehouden. Hij is een beelddenker, hij maakt geen verhalen, daarvoor zijn zijn herinneringen te fragmentarisch, te versnipperd, zegt hij. Daar in New York zag Fabels heel andere vormgeving dan de strakke beeldtaal die hij kende van de AKI: Crouwel, Studio Dumbar. Op de muren zag hij de visuele strijd tussen straatartiesten Cost en Revs: wie het grootste zijn naam op de muur kon krijgen. Marc Fabels keek zijn ogen uit. Als het duidelijk moet zijn, doe het dan groot en vet, daar raakte hij van overtuigd. Samen met ontwerper Peter Te Bos, leadzanger van Claw Boys Claw, verzorgde Fabels jarenlang de vormgeving bij Lowlands. Te Bos werd een liefhebber van Fabels’ poëzie. In dit artikel plaatsen we her en der een paar streamers met citaten uit het ‘melancholisch-revolutionaire pamflet’ Murw: een tekst van Fabels, vormgegeven door Te Bos.
Der Wille zum Leben laat zich verrekte lastig rijmen met de rij voor de zelfscankassa
Genadeloos
‘Ik doe geen pogingen om poëtisch te zijn. Weg met de romantiek! Maar ik wil wel de verwondering behouden,’ zegt Fabels. ‘Er zijn mensen die zeggen dat het hard, zelfs genadeloos is, wat ik schrijf. Hermetisch ook. Dat maakt me niks uit. Als je weet wat je zelf kunt, heb je geen externe validatie meer nodig. Uit mezelf maak ik blijkbaar dingen. Daar hoeft een ander geen stempel van goedkeuring op te drukken. Eerst zie ik het beeld, dan komt de tekst. Er zijn ook mensen die vragen of ik een beroepsgedeprimeerde ben. Ben ik niet. Ik lees graag Houellebecq. Ja, die moet ik echt noemen. Geen mooischrijver. In het genadeloze schuilt eigenlijk het mededogen met de condition humaine. Hij is de enige schrijver die ik om de zoveel tijd herlees, kán herlezen.’
De ogen gesloten tegen het tedere licht van het allerlaatste pushbericht de dagen lege cirkels van scootmobielen rond intens grijze en van god zo te zien in grote haast verlaten winkelcentra

Niet met meel in de mond
Marc Fabels woont al vele jaren in Den Haag. Hem werd eens gevraagd hoe hij als geboren Twentenaar tegen zijn roots aankijkt. ‘Ik ben wel gevormd door het Twentse landschap. Maar misschien nog meer door het wonderlijke paradijs achter de autogarage van mijn grootouders Fabels in Hengelo. Als kind speelde ik op dat enorme terrein waar een prachtige boomgaard én een autosloperij waren. Schoonheid en vergankelijkheid naast elkaar – zo duikt het nog steeds op in mijn teksten, tekeningen, muziek.’ Maar: ‘Ik was als klein kereltje vaak te vinden op de tribune bij FC Twente. Ik zag een onvergetelijk mooi doelpunt. Een schot van zeer grote afstand. Kringelde prachtig in de bovenhoek. Twee mannen met sigaren juichten niet, maar zeiden tegen elkaar: ‘Voor hetzelfde geld gaat zo’n bal hoog over.’ Dat is voor mij ook heel Twents. In poëzie werkt voor mij dat Twents-kleine echter niet. Je moet niet met meel in de mond praten, zeggen: ‘Was wel aardig…’ Ik moet denken aan wat David Bowie een keer vroeg aan Brian Eno: ‘Isn’t that a little pretentious?’ ‘Als je er geen pretentie mee hebt, kun je het net zo goed niet doen, antwoordde Eno.’
Siroop
‘Ik heb helemaal niet de neiging om controversieel of hard of genadeloos te zijn. Ik denk er niet over na: hoe kan ik dit zo hard mogelijk zeggen, het is niet mijn doel om genadeloos te zijn. Cynisme vind ik bijvoorbeeld een waardeloze houding. Cynisme is de grote leegte, je engageert je niet oprecht met de wereld om je heen. Als je weet wie je bent, kun je je altijd verhouden tot leuke en minder leuke zaken en ook zeggen dat je het soms niet weet. Mijn poëzie is siroop, het is ingekookt. Maar er moet wel altijd een zekere dynamiek in zitten. Net als in muziek. Alleen een oorverdovende bas is niet genoeg. Ik probeer het heel rechtstreeks op te schrijven. Het wordt steeds eenvoudiger, maar het moet wel warmte houden.’

‘Ik onderzoek niks’
Begin 2026 publiceerde Marc Fabels in eigen beheer zijn bundel How Can I Be Blamed. Hij bevat tien gedichten en eigen tekeningen. Alle gedichten hebben in de titel een X. ‘Reflux’, vertelt Fabels, verwoordt hoe men in Nederland omgaat met kunst. De kunstwereld heeft een eigen jargon ontwikkeld, een eigen verplichte taal. Wie over eigen kunst praat, ‘doet onderzoek’ en ‘bevraagt’. Gelul vindt hij het. ‘Ik onderzoek niks, ik bevraag niks. Ik laat iets zien en dan kun je ermee doen wat je wilt. Het is allemaal economisch gedacht: je moet er wat aan hebben, je moet er wat van leren. Ik heb er geen last van maar ik zie wel wat het doet met de kunst in Nederland. Het enige wat kunstenaars hoeven te doen is laten zien wat zij zien. Kunstenaars zijn patroonherkenners, zoals ieder mens natuurlijk. Met woorden, beelden, klanken maken wij die patronen zichtbaar. Als we dat goed doen, resoneert het. Soms zit er een scherf van een spiegel tussen waar je liever niet in had gekeken – maar herkenning is er altijd.’
Reflux
Walgelijke dagen de dagen waarop
de kaken doelloos malen de woorden
taaie rondjes draaien een klont
hersenroze kauwgom ‘kijk mij eens
nutteloos wezen!’-
slikken of spugen
zou je zeggen kon je spreken maar alles
blijft plakken kleven hangen steken
onmachtig tussen hemel en
huichelachtigheid –
in de tussentijd
probeer ik mezelf met haat in mijn lijf
de taal te leren die zich kirrend om
de leegte kronkelt van geilheid niet weet
waarvoor ze zich leent –
ik wou dat het
me speet maar de tijd van met stalen kaken
zwijgen lijkt voorbij de giftige sappen sijpelen
uit starende monden langs glimmende kinnen
glazige ogen –
ik versta alleen nog
mijn vak maar de wind waait ineens guur door
dit van god verlaten theater de gemompelde
monoloog van de laatste acteur lost op in
bitter en E-zuur –
alles waar jij van houdt
wordt voortaan door de pooiers de paaiers de
eindeloze praters uitgekauwd en je vervolgens
tot kokhalzens toe terug in je eigen strot
gedouwd
