Van een intieme relatie tussen Mensje van Keulen en Hugo Claus was volgens de overlevering geen sprake, maar de dagboeken die ze in de jaren zeventig bijhielden sluiten wonderbaarlijk mooi op elkaar aan en geven een boeiend inkijkje in de verhoudingen in de wereld der letteren in die tijd. Claus’ liaison met Sylvia Kristel was brisant. ‘En telefoneren doet ze ook niet. Godverdomme, vergeet het hele mens toch.’


door Theo Hakkert


Eind maart 1978 onderging Mensje van Keulen, ze was op dat moment 31 jaar, een abortus. In haar dagboek Neerslag van een huwelijk, 1977-1979 schreef ze bij de datum 28 maart een uitgebreid, onverbloemd verslag van de ingreep.


‘Nu gaat het speculum erin.’
Ik voelde het.
‘Nu voel je een prik. Dat komt omdat de baarmoeder wordt vastgepakt.’
Ik voelde het. Een prik die niet ophield.

Ze sluit de dagboeknotitie af met: ‘Daarna verstikkende tranen, en alhoewel ik zeker weet dat ik dit moest doen, weet ik nu ook zeker dat ik een kind wil.
Dat kind komt er, maar waar het hier en nu om draait, is dat ze begin april de ingreep achter zich had gelaten. Ze gaat de baan op, ze gaat los. Waarschijnlijk om zich van de miserabele ervaring te ontdoen. Haar dagboeknotitie van 6 april 1978 geeft een inkijkje in de zeden van die tijd.

En sindsdien? En sindsdien.

Hierheen. Daarheen. Tot drie uur ’s nachts, vier uur, zes uur, soms op tot de volgende middag. Bert S. aan mijn tieten. Rogier die er een aai over geeft, maar bij het forum weer ‘waardig’ is. Theo S. die vraagt of ik bij hem blijf slapen. Een nicht die zegt dat hij fysiek van mij in de war is. Dansen in de discotheek met welke knul er ook op me afkomt. Wat kan het me schelen.’

Het is deze notitie die ze op het Boekenbal van dit jaar heeft voorgelezen. Met veel succes en bijval. Tom Lanoye was zeer enthousiast over haar optreden. Wel miste hij een stellingname door de organisatie over Oekraïne, Gaza en de Iran-oorlog, maar dit voor nu terzijde.
Op zondag 22 maart was Mensje van Keulen te gast bij Cultuurpodium Hengelo. Van dit soort interviews houdt ze niet, dat heeft ze al diverse malen gezegd en geschreven, ook in Omgeslagen dagen, het nieuwe deel van haar dagboek: ‘Was ik er maar nooit aan begonnen’ – maar als het dan zover is, geeft ze zich helemaal. En ze had de officiële kaarten bij zich waar de tekst van haar bijdrage aan het Boekenbal opstond, met op de achterkant het logo van de Boekenweek. Graag droeg ze het allemaal nog eens voor. Zo kreeg het Hengelose publiek zowaar een vleugje Boekenbal mee.

Laat in die passage nou een rol voor Hugo Claus zijn weggelegd. Het gaat zo:

Cees Nooteboom die me had uitgenodigd voor de verjaardag van Hugo Claus. Ik was het vergeten, tot hij me gisteravond opbelde en zei me op te halen. En ja, hij haalde me op in zijn oude Amazone en we reden naar Gent. Eerst naar het huis van Claus: champagne en kaviaar. Daarna in de schouwburg het toneelstuk waar iedereen zich aan ergerde, behalve de oliedomme vriendin, een actrice, van Claus. Toen het etentje in de Hotsy Totsy, het café van Claus’ broer. De tafeltjes stonden in een cirkel opgesteld. Claus’ ex-vrouw was er, zijn zoon (lieve jongen), zijn dronken vriendin, nog een ‘stiekeme’ vriendin, vader, broers, acteurs. (…) Na het eten kwam Claus bij ons zitten en we vermaakten ons met o.a. dobbelen tot hij vanwege de liederlijk dronken, jaloerse vriendin wegvluchtte.

Ze moesten maar zien een hotel te vinden. ‘Ieder een eigen kamer godzijdank. Cees klopte aan, in pyjama. Welterusten, Cees!’
En dan te bedenken dat Nooteboom een maand voor het Boekenbal was overleden. Een bijzonder in memoriam, het kan.

Grappig is dat Mensje van Keulen in Omgeslagen dagen nog eens bij die avond in Gent stilstaat en het verhaal, korter, nog eens vertelt:

We belandden in de Hotsy Totsy waar Hugo Claus ’s nachts ook nog arriveerde met zijn dronken voetveeg Marja Habraken. (…) Zes jaar geleden zat ik er, doodongelukkig na een abortus, met Cees, die toen een goede afleiding betekende.

(tekst gaat onder de foto verder)

Mensje van Keulen in 1983.
Foto: Rob Bogaerts/Anefo – Wikimedia Commons

Laat nou kort voor het Boekenbal, en daarmee het optreden van Mensje van Keulen (79), Minnaar tegen elke prijs zijn gepubliceerd, het Parijs’ dagboek van, jawel, Hugo Claus (1929-2008). Ook een dagboek uit het midden van de jaren zeventig, uit 1975 en 1976. Het gaat daarmee dus precies vooraf aan Neerslag van een huwelijk, 1977-1979 van Mensje van Keulen. Ze vullen elkaar op een bijzondere manier aan, juist bij de passage die werd voorgedragen op het Boekenbal. Omdat ze beide het gedrag van Claus in het volle licht zetten.

Hugo Claus – in 1975 was hij 46 – begon dit dagboek om dezelfde reden dat hij aan een eerder was begonnen: als aantekeningenboek om wellicht later een roman mee te schrijven. Zo was zijn roman Het jaar van de kreeft (1972) gebaseerd op aantekeningen die hij had gemaakt tijdens zijn relatie met actrice Kitty Courbois. Titel van het aantekeningenboekje: ‘Klachtenboek’.
Het jaar van de kreeft was een genadeloze afrekening met Kitty Courbois. Ze zei: ‘Als ik hem tegenkom, snij ik een stuk van zijn lijf’, schrijft Robbert Ammerlaan in het voorwoord bij Minnaar tegen elke prijs.
In Omgeslagen dagen, het vierde deel van het dagboek van Mensje Keulen, is Kitty Courbois heel wat milder. Op 30 oktober 1983 vertelde ze: ‘Mijn grootste liefde was Hugo Claus.’

(onder de foto gaat de tekst door. Sylvia Kristel in Cannes in 1990.Foto: Georges Biard / Wikimedia Commons)

Genadeloos is ook Minnaar tegen elke prijs. Maar dan in feite voor Claus zelf. Hij is aan het dagboek begonnen toen hij aanvoelde dat zijn relatie met actrice Sylvia Kristel – ze verschilden elkaar 26 jaar – op het einde liep. Groot was haar succes met de Emmanuelle-films, groot zijn verbijstering toen zij hem een affaire met een tegenspeler opbiechtte.

Claus, de viriele, ijdele, verwende, vurige, woest levende, bronstige man, schrijver, kunstenaar, de man die zeer geliefd was bij de vrouwen (zoals Mensje van Keulen liet zien), de macho Claus was tot in het diepst van zijn ziel geraakt en hij probeerde Sylvia Kristel te behouden, terug te winnen. Eerder voor zijn eigen eer, dan voor zijn (of hun) geluk. Later heeft ze een affaire met componist Francis Lai en verlaat ze Claus voor hem. Tot die tijd is het aan en uit, aantrekking en afstoting, vuur en as, waar hun lust soms uit herrijst.

Wij kwamen laat thuis. ‘Neem me, ik wil niets liever,’ zei zij. Erop gebeukt, platgedrukt in de matras. ‘Hoeveel punten’ vroeg zij. ‘Acht en half,’ zei ik. ‘Goed zo.’

Sarren en plagen hoort erbij, niet bij wat soms ‘het spel’ wordt genoemd. Dit is ernst. De haakjes zijn van Claus:

(Hoe zij zich laatst ook uitdagend uitkleedde, praatte met ontbloot lijf, de blauwe plekken, tientallen, en kneuzingen op haar dijen en benen liet zien. (…) Iets van: dit is niet voor jou, daarom stal ik het graag uit. (…) Ik wil het niet eens, ik ben er vies van. – Wat helemaal niet waar is, maar voldoende waar om alle begeerte al bij voorbaat te doven.)
(…) En telefoneren doet ze ook niet. Godverdomme, vergeet het hele mens toch.

Drie dagen later, 9 augustus: ‘Het is nu definitief. Wij gaan uit elkaar, ik ga in België wonen, zij blijft in Parijs’.
Dat wil zeggen. Vier alinea’s verder:

’s Avonds zij koket: ‘Wil je de steenpuist op mijn kont zien?’ Natuurlijk. (…) Gezoend. Gestreeld. Zij dan gedraaid. Een wild orgasme volgde. Zij zei: ‘Dit was 20 op 10.’

Het zou nog drie weken duren voordat ze echt uit elkaar gingen. Claus had zelf al wel ingezien dat het een verhaal zou worden van ‘een onredelijke, pietepeuterige, weke jaloezie’. Jaloers en gekwetst, dat was hij. Confronterend voor zichzelf moet het zijn geweest om zo als bijwagen door het leven te moeten. Niets voor hem.
‘De Parijse notities zijn een intrigerende, bijwijlen beklemmende tot deernis stemmende worsteling van een man met zichzelf, met de liefde, en van een tekst met zichzelf,’ aldus Erwin Mortier in het nawoord.
Natuurlijk groeide Claus eroverheen. Wat vrouwelijke aandacht betreft ging het op de oude voet verder, zie de passages bij Mensje van Keulen.

In Hengelo, gevraagd of zij haar dagboeken heeft geschreven zoals Claus, met de intentie uit de stof mogelijk ooit een roman te distilleren, antwoordde ze ontkennend. Ze deed het om te blijven schrijven in tijden dat de fictie stillag. In Omgeslagen dagen schrijft ze: ‘Fictie is denken en bedenken, personages scheppen, drempels nemen. In dit schrift gaat de pen anders om met het papier’. Het is dan 6 november 1984.

Claus zou eindeloos blijven schrijven, maar de roman Het verlangen uit 1978, kort nadat de relatie met Sylvia Kristel was afgelopen, speelt rond de oorlog. Vijf jaar later, 1983, zou zijn grote werk Het verdriet van België verschijnen. Zo bezien is Minnaar tegen elke prijs nu pas Claus’ roman over zijn alles verzengende affaire met Sylvia Kristel, met dit verschil dat het postuum is verschenen en we dus niet weten of Claus, had hij nog geleefd, het uitgegeven had willen zien.

Het is een boek waarbij de lezer zich meer en meer een voyeur gaat voelen. Voor een dagboek dat bedoeld was als mogelijke bron voor een roman zitten er weinig literaire opmerkingen in. Des te meer lust. Het fascineert en tegelijk is het dikwijls gênant openhartig en onverbloemd. Dan zorgt deze opmerking in Mensje van Keulen’s Omgeslagen dagen voor relativering:
‘Geen zin meer om huiselijke details in dit schrift te vermelden, en ook om ooit nog over neuken te schrijven. Wat heeft dat nou voor zin.’


Mensje van Keulen. Omgeslagen dagen. Dagboek 1983-1987. 270 p’s, hardcover met omslag. Atlas Contact.
Hugo Claus: Minnaar tegen elke prijs, Parijs’ dagboek. 244 p’s., hardcover met omslag. Prometheus.

foto Hugo Claus: Michiel Hendryckx / Wikimedia Commons