954 brieven schreef Marcus Tullius Cicero (106-43 v.Chr.), redenaar, politicus en filosoof. Ze zijn voor het eerst allemaal vertaald en verzameld in Ik en Rome. Het boek werd gisteren gepresenteerd. Bij die gelegenheid hield Piet Gerbrandy onderstaande toespraak.


door Piet Gerbrandy


Politiek is geen institutie, maar een gesprek. Stel je eens voor dat we konden beschikken over alle brieven, telefoongesprekken, e-mails, sms-berichten en appjes die Frans Timmermans de afgelopen veertig jaar heeft verstuurd, vanuit Moskou, Den Haag, Brussel of Heerlen. De transcripten daarvan zouden duizenden pagina’s tellen en er zou ongetwijfeld uit blijken dat politiek bedrijven en besturen niet zozeer een kwestie is van procedures volgen, beleidsnota’s schrijven en besluiten nemen tijdens vergaderingen, als wel van aftasten, in de week leggen, netwerken opbouwen, relaties onderhouden en geschikte kandidaten naar voren schuiven voor prestigieuze posities. De ware politicus en bestuurder vormt het knooppunt binnen een web, en de kans is groot dat wanneer zij of hij een maand niet goed oplet, andere knooppunten intussen aan invloed hebben gewonnen. We denken dat we in een rechtsstaat leven, waar wetten en regels de dienst uitmaken, maar vriendendiensten, patronage en nepotisme vieren hoogtij.

Marcus Tullius Cicero (106-43 v.Chr.) was zo’n netwerker, en wie zijn overgeleverde correspondentie doorleest ziet hem van dag tot dag aan het werk om kanalen open te houden, beschermelingen aan te bevelen bij gezaghebbende vrienden, misverstanden uit de weg te ruimen en te hengelen naar eerbewijzen. Het is goed om te beseffen dat wat er aan brieven is overgeleverd slechts een fractie is van alles wat Cicero in de veertig jaar van zijn carrière moet hebben geproduceerd. En die correspondentie is uiteraard slechts één aspect van Cicero’s maatschappelijk functioneren, want zeker als hij in Rome was werd een groot deel van dag besteed aan korte of lange gesprekken met beschermelingen, personeel, vrienden, collega’s en cliënten die hij in rechtszaken bijstond. 

Het Romeinse Rijk van de eerste eeuw v.Chr. kan misschien gekarakteriseerd worden als een grandioos uit de hand gelopen tribale samenleving, waarin de patriarchen van clans die vaak al eeuwen de dienst uitmaakten formeel samenwerkten in de senaat, maar in feite in een permanente competitie waren verwikkeld. Een grondwet was er niet, wetten, procedures en tradities waren er wel, maar in de politieke praktijk van alledag draaide het om onderhandelen, waarbij mannen uit de de rijkste families en met de grootste achterban doorgaans aan het langste eind trokken. Wat wij nu de middenklasse zouden noemen had niets in te brengen, mensen zonder Romeins burgerrecht en vrouwen evenmin, om maar te zwijgen van de honderdduizenden proletariërs en slaven. 


Cicero kwam uit een vermogende familie die tot de ridderstand behoorde, en puur op eigen kracht, door zijn verbluffende intelligentie, zijn betoverende welsprekendheid, zijn onverschrokkenheid en zijn tomeloze ambitie slaagde hij erin door te dringen tot de senaat, dat bolwerk van adellijk prestige. Hij bekleedde hoge ambten en schopte het in 63 v.Chr. tot consul, en wel op de minimumleeftijd die voor die functie gold – hij was 43, de leeftijd waarop Mark Rutte premier werd. Wie in senatoriale kringen verkeerde, ontkwam er niet aan zijn levensstandaard aan te passen. De CEO van een multinational rijdt nu eenmaal niet in een tweedehands Peugeotje en woont niet in een flatje in de Alexanderpolder. Cicero kocht een veel te duur huis op de Palatijn en verwierf het ene landgoed na het andere, terwijl de banen die hij had onbezoldigd waren. Hij moest het vooral hebben van het vermogen van zijn vrouw Terentia (die in Rome een aantal flatgebouwen uitmolk), van leningen en erfenissen en van de opbrengst van zijn landgoederen. In de correspondentie komen nogal wat brieven voor waarin we hem zien rommelen met financiële transacties – zeker na zijn scheiding van Terentia.

Onder normale Romeinse omstandigheden zou Cicero er al een helse klus aan hebben gehad om zich als buitenstaander op te werken in de hiërarchische structuur van de maatschappij, maar hij leefde ook nog eens in een eeuw waarin politieke stabiliteit ver te zoeken was. Reeds voordat Cicero werd geboren schudde het bestel op zijn grondvesten omdat politieke zeggenschap en bezit van land alleen al binnen Italië ongelijk verdeeld waren. In zijn jonge jaren maakte hij mee hoe autocratische krijgsheren als Marius en Sulla op ongekende wijze macht vergaarden en er geen been in zagen duizenden tegenstanders over de kling te jagen. Tijdens zijn consulaat werd Cicero geconfronteerd met een poging tot staatsgreep door Catilina, en in het decennium daarna was Rome het toneel van knokploegen en onvoorstelbare corruptie, zowel binnen het openbaar bestuur als binnen de rechtspraak. In het jaar 58 ging Cicero in ballingschap, waarop zijn politieke vijand Clodius zijn huis liet afbreken. 

Caesar en Pompeius ontketenden in 49 een burgeroorlog, die Cicero voor een intens dilemma stelde. Hij was een verbinder, iemand die, nu hij eenmaal was doorgedrongen tot de hoogste regionen, hartstochtelijk wilde blijven geloven in samenwerking en bestuurlijke tradities, in het primaat van de senaat, maar tegen de militaire macht van Pompeius en Caesar was geen enkele institutie opgewassen. Bemiddeling had geen zin meer. Bijkomend probleem was dat Cicero persoonlijke banden onderhield met zowel Caesar als Pompeius, en in Rome telde loyaliteit sterker dan welke wet of morele overtuiging ook. Na maanden twijfelen sloot Cicero zich aan bij Pompeius, die in de strijd tegen Caesar het onderspit dolf, in de Slag bij Pharsalus in Noord-Griekenland (augustus 48). Met hangende pootjes keerde Cicero terug naar Italië, waar Caesar hem uiteindelijk grootmoedig amnestie verleende. 

De interessantste brieven uit de correspondentie betreffen de positie die Cicero moest innemen tijdens de burgeroorlogen en, toen Caesar eenmaal gewonnen had, onder diens dictatuur. Keer op keer vraagt hij zich af of hij zich nog moet inzetten binnen een systeem dat hij verafschuwt, terwijl hij zich wel verantwoordelijk voelt. Kan hij zich niet beter terugtrekken om in de luwte van zijn landhuis in Tusculum Griekse dichters te lezen en filosofische boeken te schrijven? Maar men kan zich indenken dat het voor een man van zijn statuur ook onverdraaglijk was zich uitgerangeerd te weten – de parallel met Frans Timmermans dringt zich weer op. 


Raffaele Giannetti: The Last Senate by Julius Caesar

Cicero was niet actief betrokken bij de moord op Julius Caesar op 15 maart 44 v.Chr., maar onderhield wel nauwe banden met de mannen die de aanslag hadden gepleegd, onder wie Brutus en Cassius. De dood van Caesar – met wie hij drie maanden eerder overigens nog genoeglijk had zitten dineren, discussiërend over taal en literatuur – leek hem een kans om de republiek weer in ere te herstellen, maar tot zijn grote ergernis hadden de moordenaars van Caesar helemaal niet nagedacht over een plan voor daarna. Marcus Antonius trok de macht naar zich toe en Cicero ging keihard tegen hem in, overigens in het volle besef dat hem dit fataal kon worden, maar ook omdat het hem gelegenheid gaf nog eenmaal een glansrol te spelen op het politieke toneel. We zien in de brieven uit het laatste jaar hoe hij zorgvuldig bezig is zijn toekomstige reputatie te orkestreren. Op 7 december van het jaar 43 werd hij, 63 jaar oud, uit de weg geruimd door handlangers van Antonius, een moord waarmee de jonge Octavianus (63 v.Chr. – 14 n.Chr.), de latere keizer Augustus, had ingestemd. 

Hoe het komt dat we nu kunnen beschikken over 954 brieven, is niet helemaal duidelijk. Cicero en zijn vrienden, die uiteraard over administratief personeel beschikten, bewaarden kopieën van uitgaande post en archiveerden ook wat er aan brieven binnenkwam. We mogen aannemen dat Cicero’s zoon Marcus en bijvoorbeeld de dochter van Atticus (Cicero’s beste vriend) toegang hadden tot de archieven van hun vaders en dat er, omdat Cicero’s reputatie als redenaar, politicus en filosoof zo formidabel was, grote belangstelling moet zijn geweest voor zijn correspondentie. Wie de brievenboeken hebben samengesteld weten we niet, maar enkele decennia na zijn dood circuleerden er al collecties. In wat er is overgeleverd zitten opmerkelijke lacunes. Om te beginnen hebben we wel 16 boeken met brieven aan Atticus, maar geen enkele brief van hem. Maar het is helemaal jammer dat de correspondentie met Octavianus ontbreekt, terwijl ook van de briefwisseling met Caesar maar heel weinig bewaard is gebleven. Vermoedelijk heeft onder de militaire dictatuur van Augustus zelfcensuur de samenstellers van de brievenboeken ertoe gedreven gevoelige materie buiten beeld te houden of zelfs te vernietigen.

Geeft de collectie Ik en Rome nu een representatief beeld van de mens Cicero? Ik denk het wel, en ik moet bekennen dat ik tijdens het werken aan dit boek steeds meer sympathie voor de man heb gekregen. Ja, hij is ijdel en ambitieus, hij speelt politieke spelletjes, hij sluit dubieuze compromissen en hij laat zich door Caesar vernederen. Hij kan niet met geld omgaan en huwelijkt uit politiek opportunisme zijn dochter Tullia, op wie hij dol is, uit aan een schurk. Hij is, zoals wij allen, feilbaar – en hij weet het. 

 

De grote historicus Theodor Mommsen (1817-1903) heeft Cicero, in een vermaarde en invloedrijke tirade, een staatman ‘ohne Einsicht, Ansicht und Absicht’ genoemd (zonder inzicht, visie en doel), een kortzichtige narcist die als schrijver en mens volslagen oppervlakkig zou zijn geweest. Maar alleen al waar het om Cicero’s politieke handelen betreft, kunnen we het daar onmogelijk mee eens zijn. Wie van ons kan garanderen dat hij onder een autocratisch bewind, in tijden van oorlog of terreur  de juiste keuzes zal maken? Wie is onder alle omstandigheden moreel onkreukbaar? Ja, Cicero heeft blinde vlekken gehad en fouten gemaakt, maar hij heeft zich ook ingespannen om een verkruimelende republiek te redden. Daarvoor verdient hij niet alleen onze belangstelling, maar ook onze bewondering.

Cicero: Ik en Rome. Alle brieven. Vertaling: Vincent Hunink, Jan Bloemendal, Ramon Selles, Jip Lemmens, John Nagelkerke een Rogier van der Wal. Piet Gerbrandy en Daan den Hengst (eindredactie).
1216 p’s, gebonden, Van Oorschot

Meer over Ik en Rome bij onze vrienden van Athenaeum.

https://athenaeumscheltema.nl/recensies/2025/een-leven-lang-coalities-vormen-over-de-brieven-van-cicerohttps://athenaeumscheltema.nl/recensies/2025/overleven-en-de-troost-van-vrienden

:

Foto beeld Cicero