Over de Zwagerman-biografie van Maria Vlaar


door Paul Abels


In 1983 studeerde ik Nederlands in Groningen. Het was de tijd van Herman Brood in Huize Maas en Max van den Berg met zijn verkeerscirculatieplan. Bij het studentencorps wierp men een piano van het balkon. Met een aantal plezierig gedrevenen begon ik een literair-cultureel blaadje. Mijn eigen gedrevenheid was zo groot dat ik zelfs een nacht in een politiecel terechtkwam wegens illegaal aanplakken op de Vismarkt. Al bij de allereerste reclameposter ‘Koopt en leest allen De Factor’ werd ik gearresteerd. Honderd affiches en een emmer plaksel verbeurdverklaard. In De Factor was ik een poëzierubriek begonnen, Het Gat Gedicht. Ik riep dichters op werk in te zenden en ik schreef erbij dat er uitdrukkelijk niet gekeken werd naar namen, reputaties en relaties of grachtengordelherkomst. Het werk moest het doen. Het was mijn eerste kennismaking met het verschijnsel slush pile. Er kwam heel veel rijmelarij binnen. Maar ook een paar brieven van een zekere J. Wagnermaz – de negentienjarige Joost Zwagerman uit Alkmaar. 

Die brieven bezit ik niet meer. Een paar jaar geleden stuurde ik ze naar Maria Vlaar, de biografe van Zwagerman. Niettemin zie ik het hoekige handschrift in BIC-ballpoint nog voor me. Zwagerman stuurde een gedicht dat ‘Een verwording’ heette en een kort verhaal ‘Henrik en het kaatsen’. Vlaar citeert het gedicht integraal. Wat me echter het meest bijgebleven is, is de zelfverzekerde inhoud van de begeleidende brief. Daarin proclameerde Zwagerman niet alleen wat een dichter moet doen maar ook wat een beeldend kunstenaar moet doen: kunst maken omdat je niet anders kunt, omdat het je bestemming is, zonder je iets aan te trekken van de communis opinio, van cultuurpausen of de mode. Het beviel mij zeer: ook een gedrevene.

Kijken naar mensen is nooit objectief

Nu hebben we Zwaag. De zeven levens van Joost Zwagerman, 768 pagina’s dik. Het is een overrompelende leeservaring. Volkskrant-recensent Joost de Vries betoogde op tv dat een goede biografie ervoor zorgt dat je de beschreven persoon ‘binnen ziet komen in je kamer’ of woorden van gelijke strekking. Dat gebeurt in Zwaag

De Vries kwam aan het woord in Nieuwsuur. De redactie wijdde een item aan het verschijnsel biografie. Eerst was er reuring over de bio van schrijver Heere Heeresma door Anton de Goede. Die verbloemde (terecht) niet dat HH nogal eens vreemdging. Toen kwam Zwaag. Daarin verbloemde Maria Vlaar (terecht) niet dat Zwagerman heel veel vriendinnetjes had, ook wanneer hij een ‘vaste’ relatie had, dat hij geen problemen had met betaalde seks, dat hij coke gebruikte en dat hij met heel veel mensen ruzie maakte. Shame and scandal levert interessante televisie op. 

Kijken naar mensen en levensverschijnselen is nooit objectief. Al helemaal niet als je terugkijkt. Je kiest waar je de spotlights op richt. Daardoor blijft een flink deel in het duister gehuld. De ruimte van het volledige leven is te groot om in kaart te brengen, ook als je 768 pagina’s wijdt aan een leven. Waarbij framing op de loer ligt. Het is een onvermijdelijk risico bij het schrijven van een biografie. Maar ook bij het lezen ervan. De biografielezer framet onvermijdelijk evenzeer als de biografieschrijver. Ik raakte de tel, de draad en mijn interesse kwijt bij de veelvuldige passages over het liefdesleven van Joost Zwagerman. Ik werd ongeduldig bij de in extenso beschreven financiële en juridische perikelen als gevolg van de vechtscheiding tussen Arielle Veerman en Joost. Het kon mij niet (meer) schelen wie de Denon-geluidsinstallatie bij de boedelscheiding toegewezen kreeg. Ik moest denken aan Martin van Amerongen die ooit betoogde ‘dat niemand geïnteresseerd is in het matineuze broodje zweetkaas dat de gebiografeerde elke ochtend placht te nuttigen’. Tja. Wat wel, wat niet, en hoeveel dan wel of niet, en waarom? Uitgangspunt: alles opnemen wat kan helpen om leven en vooral werk van de gebiografeerde beter te begrijpen. Weglaten wat irrelevant is. Daar zijn de geleerden en de liefhebbers van het genre het wel over eens. 

Daar hebben we het volgende probleem bij het biograferen: volledigheid. Met verbazing en plezier las ik in Zwaag hoe Joost als tienjarig ventje begint met de Zwagergids. Zijn eigen blaadje. Zoals Jan Cremer begon als reporter van zijn eigen Jan Cremer Krant. Tientallen pagina’s wijdt Vlaar aan de Zwagergids en maakt zo duidelijk waar de tomeloze ambitie en gerichte belangstelling van Zwagerman vandaan gekomen zijn. Onze Joost was een bijzonder kind en dat was-ie

Waken voor heiligenleven, maar ook geen demonografie

Niemand begint aan een levensbeschrijving van een oninteressant iemand. Geen schrijver en geen lezer. Zwagerman was bijzonder, charmant, charismatisch en getalenteerd. Hij was ook bij vlagen kleingeestig, rancuneus, onbetrouwbaar, opportunistisch. Zoals iedereen, hoe cultuurpessimistisch dat ook klinkt. Wie brood snijdt, weet dat je van je af moet snijden. Wie een biografie schrijft, weet dat je vreselijk alert moet zijn op alles wat het verwijt van een hagiografie op kan leveren. Waken voor een heiligenleven. Die alertheid kan ontremmen. Waarbij de balans doorslaat: een ‘demonografie’ is ook niet de bedoeling. Neen, een hagiografie is volstrekt onwenselijk, maar dient een biograaf toch ook niet min of meer te houden van zijn of haar onderwerp?

Arjen Fortuin karakteriseert in NRC Zwaag lovend als een ‘analytische’ biografie. Die term is inderdaad van toepassing. Maria Vlaar schetst het gezin waar Joost uit kwam, de rol van de overbezorgde moeder met smetvrees, de lieve vader die een zelfmoordpoging deed en na een mislukte affaire met de gymlerares van zijn school terugkeerde naar zijn gezin. Vlaar brengt in beeld hoe Joosts middelbareschooltijd verliep met Arielle, zijn latere echtgenote en met vrienden. Hoe zijn enorme ambitie hem ertoe brengt zichzelf uit te nodigen bij Sonja Barend. Al dat soort relevante CV-info wordt verstrekt. Precies weten met welke vrouwen Zwagerman het bed gedeeld heeft en wanneer, ik zei het al eerder, hoeft voor mij niet. Voor het begrijpen van ’s mans karakter is het voldoende in te zien dat die enorme hoeveelheid liaisons, verliefdheden, onenightstands, liefdes getuigen van een verwilderd willen dat zich niet richten kon. Joost hield van alle vrouwen. Heel veel. De ene dag heel veel van de een en de andere dag heel veel van de andere. Als we dat allang inzien, hoeft de lange lijst van nummertjes van Joost niet meer volledig afgewerkt te worden. Dan wordt het bijna wreed-eerlijk, misplaatste volledigheid die niets toevoegt aan de analyse. Een beetje liefde voor het onderwerp behoedt je voor wreedheden.

Een heel boeiend aspect van Vlaars boek is het kleurrijke tijdsbeeld vanaf de jaren tachtig. We volgen de draufgänger Joost in zijn avontuurlijke carrière richting het felbegeerde succes als schrijver. Hij scoort enorm met Gimmick!, de roman over de kunstenaarsclub rondom de Roxy, de jongens die zich als de Maximalen profileren, boordevol Sturm und Drang, de kunst van het grote gebaar. Overmatig groot, achteraf beschouwd. De bomaanslag op kunstenaar Rob Scholte, de teil met vis die uitgekieperd werd op literatuurpaus Michael Zeeman: een drukte van belang. Nu ja: belang… sommigen zeggen achteraf: tant de bruit pour une omelette

In zijn Volkskrant-bespreking vraagt Joost de Vries zich af in hoeverre de stennis van de Maximalen en Zwagermans neiging tot polemiek een generatiegebonden verschijnsel is. Het is maar een theorie, schrijft hij, maar misschien heeft het te maken met een zich emanciperende middenklasse: arbeiderskinderen die dankzij een studiebeurs ‘hogerop’ komen en hun kennis en smaak willen etaleren. Anders dan tegenwoordig was Nederlands in die jaren een toonaangevende studie. Polemiseren werd een sport, een vak apart, een uiting van ambitie. Zwagerman greep elke gelegenheid tot polemiek met beide handen aan. Vlaar maakt duidelijk dat die neiging uiteindelijk pathologisch werd en veel schade heeft veroorzaakt. 

De tijd van toen proberen te begrijpen

Biograferen is ook: de tijd proberen te begrijpen. Wie kijkt naar de jaren tachtig in Nederland en meer specifiek naar het literaire klimaat in die jaren kan niet anders dan vaststellen dat alles heel anders geworden is. ‘Met de kennis van nu’ zeggen we: beter. Allemaal ijdele meneren op de literaire apenrots. Het woord ‘narcist’ was nog niet zo in zwang als tegenwoordig, maar masculien narcisme was alomtegenwoordig. Maria Vlaar stipt het veelvuldig aan. De bokito’s speelden de baas. Helaas. Vanuit dat perspectief kun je met gemengde gevoelens aankijken tegen Zwagermans liefdesleven. Stapte hij, de gelauwerde, charismatische auteur, de Bekende Nederlander, niet al te makkelijk en zelfzuchtig met vrouwelijke fans in bed na een voorleesavond? Me too in de jaren tachtig? In de biografie beziet Maria Vlaar met de ogen van 2025 Zwagermans escapades en soms expliciet, vaak tussen de regels proeven we haar oordeel: niet oké Joost… Maar het was een andere tijd. Wie kijkt vanuit het nu naar toen moet zich ervan bewust zijn hoezeer de blik gestuurd wordt door het nu. 

In het nawerk van Zwaag vinden we niet alleen bijna honderd pagina’s noten maar ook een verantwoording. In een kort alineaatje wordt opgesomd wie er niet geïnterviewd wilde worden. De drie volwassen kinderen van Joost staan erbij. Het roept de vraag op waarom ze niet wilden praten met de biografe. Allerlei antwoorden zijn denkbaar. Misschien raakt een van de mogelijke antwoorden aan iets essentieels bij het schrijven van een biografie: afschermen van het privéleven van familie en vrienden. Het lijkt een richtlijn: niet biograferen over iemand die nog leeft. Waarbij er, ook tien jaar na het overlijden van de gebiografeerde, soms nog geen ruimte is om de objectiverende biograaf binnen te laten in de intimiteit van het leven van de dierbare. 

Aan het eind bewondering en compassie

Halverwege Zwaag begon ik Joost Zwagerman een overambitieus, ijdel en egoïstisch mannetje te vinden. Aan het eind van het boek overheersten bewondering en daarna compassie. De laatste tweehonderdvijftig pagina’s van de biografie zijn wat mij betreft het meest meeslepend. Vlaar noemt dit deel 3 ‘De lezer’. Na drie succesvolle romans (Gimmick! (1989), Vals licht (1991) en De buitenvrouw (1994)) zakt Zwagermans romanschrijverschap weg. Hij leest, kijkt en schrijft en spreekt daarover, presenteert Zomergasten (2003) en is vaste gast bij De Wereld Draait Door (2012). Met groot publiek succes. De biografe slaagt er in haar laatste deel op indrukwekkende wijze in de lezer te laten zien hoe Zwagermans kwetsbare karakter en depressiegevoeligheid leidde tot zijn treurige einde. De buitensporige ambitie, de treurnis van de apenrots, de oneindige hoeveelheid geïnvesteerde energie, de pathologische fixatie op zelfmoord, het verwilderde willen, dat alles samen eiste zijn tol. Op 8 september 2015 verhangt Joost zich in zijn eigen huis. 

In februari 2015 had Zwagerman  zijn literaire archief, maar liefst 42 dozen vol, overgedragen aan het Letterkundig Museum. ‘Een echte schrijver krijgt een Verzameld Werk en een biografie,’ schrijft hij ergens. De biografie is er. Een maximale leeservaring die zeer tot nadenken en relativeren stemt.

Maria Vlaar: Zwaag. De zeven levens van Joost Zwagerman.
768 p’s. Open Domein, Arbeiderspers.

Foto Joost Zwagerman door Maurice