Concert: John Hiatt, solo.
De Doelen, Rotterdam, maandag 29 juni


door Theo Hakkert


Trekkingstokken vergeten. Moesten ze niet even terug om ze op te halen, vroeg zijn vrouw – ze vierden begin juni dat ze veertig jaar zijn getrouwd – maar de man moest weer eens voor stoertje spelen. John Hiatt (1973) ging uit hiken met zijn vrouw en kwam met een schedelbreuk en een hersenschudding terug. Het heeft hem meer dan een jaar gekost, zei hij in Rotterdam, om er weer bovenop te komen.
Hij is niet alleen gevallen, maar ook afgevallen. Of het door het ongeluk kwam, doet niet ter zake, feit is dat er klokslag 20.30 uur vanaf links een schriele man vanaf links het podium van De Doelen op kwam lopen, met een akoestische gitaar om zijn schouder. Een gitaar die hij pas twee uur later even op de standaard zette, om het instrument snel weer op te pakken voor de toegift. Het publiek stond nog maar net of hij speelde alweer. Niet om het af te raffelen, zeker niet, maar met zijn te groot vallende broek en die tengere armen die uit zijn blauwe blouse staken, oogde hij wel breekbaar en het was mooi geweest.

John Hiatt, singer-songwriter van de allerhoogste categorie, is bezig aan zijn afscheidstournee. In Nederland zou hij één optreden doen, maar het werden er by public demand al snel twee. In De Doelen, een zaal die hij nogal ‘big’ vond.
Wat er ook aan zijn fysieke staat hapert, zijn stem doet het nog. Niet dat hij de gospel-hoogte in zijn evergreen Have A Little Faith In Me, de afsluiter, haalde, maar deze klassieker is met gitaarbegeleiding een heel ander nummer dan de piano-versie op de elpee.

Het werd een best-show met één ‘new song’, wat niet echt een nieuw nummer was: Weightless In My Arms. Het staat nog niet op een plaat, dus de hoop blijft dat er nog vinyl van hem loskomt. Ook al omdat dit nummer, dat hij voor zijn ongeluk al wel live heeft vertolkt, vintage Hiatt is. Weinig singer-songwriters zijn zo gezegend met een gevoel voor melodie als hij, waar bij komt dat tekst en melodie ook altijd met elkaar in gesprek zijn en elkaar versterken.

Beslissend: 8 oktober 1979, Paradiso

Nederland heeft hem al in 1979 omarmd. Mooi dat en hoe hij bij het beslissende moment memoreerde. In een andere ‘big city’ speelde hij op 8 oktober van dat jaar in Paradiso. Als voorprogramma van Southside Johnny and the Ashbury Jukes was het hem vergund om vijf liedjes te spelen.
“Ik had een album uit waar ‘thuis’ niemand interesse in had.” Slug Line. Hij begon die avond met het titelnummer, en vervolgens Radio Girl en Washable Ink. De response die die avond uit de zaal kwam is hij nooit vergeten. “Jullie begrepen me.”
Ik herinner me van die avond dat zo’n vijftig bezoekers zich naar het podium spoedden toen hij opkwam, terwijl de onwetende rest op de hoofdact wachtte. Precies genoeg om hem vertrouwen en een opkontje te geven. Jammer dat hij in Rotterdam niet een van de nummers van Slug Line speelde, het zijn onder Hiatt-fans net zulke klassiekers als Have A Little Faith In Me.

Trilogie moet auto-liedjes

Hiatt’s songs gaan of over de liefde, met alle grillen die erbij horen, of over de alledaagse dagelijkse beslommeringen in het grote Amerikaanse landschap. Highways, eenzaamheid en auto’s.
Uit die laatste categorie kwam de opener The Open Road en ‘de trilogie’, zoals hij het noemde, over auto’s: Tennessee Plates, Thunderbird en Nobody Knew His Name, waarin dan weer een Cadillac een rol speelt. Uiteraard ontbrak tegen het einde Riding With The King niet, een lied over een droom om met Elvis in een Cadillac te zitten. De regels 

I had a guitar hanging just about waist high
I’m gonna play that thing until the day I die

werden met een open doekje ontvangen. Het publiek liet hem zo weten dat hij zich aan deze belofte dient te houden.

Gitaren zijn sowieso al een rode draad in zijn oeuvre. Zijn Perfectly Good Guitar, op de elpee een ronkende rocker, kreeg een lekkere akoestische uitvoering.

There ought to be a law with no bail
Smash a guitar and you go to jail
with no chance for early parole
You don’t get out ‘til you get some soul

Heb me altijd afgevraagd wat Pete Townshend van dit nummer vindt. De leider en gitarist van The Who heeft wel duizend gitaren kapotgeslagen. (Sommige werden weer gelijmd voor een volgend optreden.)

Na zijn kleine doorbraak bij het Paradiso-concert in 1979 kreeg Hiatt ook in de VS meer en meer erkenning. Artiesten als Bob Dylan, Bonnie Raitt, Eric Clapton & B.B. King (Riding With The King), Emmylou Harris, Willie Nelson, Joe Cocker, Chaka Kahn namen nummers van hem op. Buddy Guy, in duet met Bonnie Raitt, en Aaron Neville namen ieder Feels Like Rain op, dat gelukkig ook deze avond klonk, al ontbrak uiteraard het soul-koortje van de albumversie.

Hij had de capo al op zijn gitaar gezet – hij speelde de hele avond op dezelfde, de reserve-gitaar bleef op de standaard – om Have A Little Faith In Me te spelen, maar een signaal uit de zaal deed hem anders besluiten en hij speelde eerst nog Across The Borderline, dat hij ooit schreef met Ry Cooder en Jim Dickinson.
Met Ry Cooder (en Nick Lowe en Jim Keltner) maakte hij zijn mooiste album: Bring The Family. Drie liedjes van die elpee speelde hij. Have A Little Faith In Me, Memphis In The Meantime en Thing Called Love. Graag had ik Lipstick Sunset gehoord, maar zonder de slide van Ry Cooder kan dat nummer inderdaad niet.

Een persoonlijke noot: ik was bij John Hiatt’s eerste en laatste concert in Nederland – ik tel de reprise op 6 juli niet mee. Voor de krant interviewde ik hem twee keer* en ik zag hem nog een keer of vier in Enschede. De cirkels zijn rond.

*De tweede keer was kort nadat ik Leonard Cohen had geïnterviewd. Ik vroeg hem naar Cohen. “Ik stond een keer bij hem in de lift, maar ik durfde niets tegen hem te zeggen.” Jammer dat ik Cohen nooit heb kunnen vragen welke etage in de Tower Of Song hij voor John Hiatt in gedachten had.