Een beeldschoon landschap, met uitzicht op een uitgestrekte weide en in de verte een bosrand die door de ondergaande zon in vuur en vlam wordt gezet. Op de grens van Overijssel en de Achterhoek, in de buurtschap Markvelde, aan de rand van een boerenerf heeft de firma Dancing Dollekamp een nederige theaterenscenering gekonterfeitseld, met stoeltjes, een kleine tribune, een decor bestaande uit een soort wagenwiel waaraan beschilderde lappen aan bamboestokken roerloos in de stilte hangen.


door: Geke Mateboer


Stilte die wordt doorbroken door pakweg honderdvijftig toeschouwers, publiek dat opeens vanuit de middle of nowhere opduikt en de zetels vult, stilte die vervolgens anderhalf uur lang wordt verscheurd door André Manuel en zijn Dancing Dollekamp-band. Verscheuren is in deze context een mooi woord voor dat wat Manuel doet – het is of hij dat wíl, het meedogenloos verscheuren van stiltes, van stilstand, van alles wat doodloopt in versleten, burgerlijke paden en patronen. Alles immers scheurt, schreeuwt, schuurt en kraakt, want de wereld is kapot, wás altijd al kapot, de oorzaak daarvan is genaamd mens. Die lekke zwemvesten verkoopt voor een belachelijke prijs. Die het verdient om ook naar de kloten te gaan. Maar dan is er toch opeens weer dat mededogen, de zachtheid, de roep om liefde, hou van mij, dan houd ik duizendmaal zoveel van jou terug en zal alles beter worden.

Van de voorstelling Volksheil kun je makkelijker zeggen wat het allemaal niet is dan wel, het is geen concert, geen theater, geen cabaret, geen muziekshow. Of dat juist allemaal samengeklutst, maar eigenlijk is het André Manuel, de zanger, de schrijver, de dichter, de muzikant, bevlogen multitalent. Met Dancing Dollekamp als een omgeving, die om zijn figuur vergroeid is als een warme jas. De Dollekampen vormen het begaafde, ultra muzikale vreemdelingenlegioen. De zes voorstellingen die ze nu geven op de boerderij Hof Kagelink zijn een uitvloeisel van de pas uitgebrachte elpee Volksheil, de songs daarvan zijn samengesmeed met de cabareteske ontboezemingen, verhalen en rauwe uithalen van André Manuel, als het cement, van een voorstelling die van begin tot het eind blijft boeien.

De club ongeregeld komt in de valavond opzetten van achter het publiek, met hun instrumenten, Manuel met zijn stampende monkey-stick (en andere vreemde attributen waarvan het doel pas later duidelijk wordt) en neemt meteen al in een slotakkoord afscheid van zijn publiek, want het begin is het einde, en het einde zal later het begin blijken. Een mooiere metafoor voor hoe alles op z’n kop gaat die avond is nauwelijks denkbaar.

Wie goat noar hoes, mar nit veurdat
de deepste buuging van de band
Nog nooit har’n wie zulks skitterend publiek
Kiek ze toch es zitten
Hoe ze glundert, hoe ze straalt
As de allereerste zunne in dit laand vol duusternis

Er schijnt ergens in Twente een dorpshuis te (hebben?) bestaan dat luistert naar de naam Volksheil, waar werd gedanst, geflirt, gedronken en gezwegen. Het is die plek waar we ons bevinden, en waar André Manuel naar is teruggekeerd om nieuwe herinneringen te maken en oude op te halen. Daarmee, én met die Twentse taal, zitten we middenin het hart van de controverse, de dubbelzinnige verhouding met de geboortegrond, de afkeer van én de liefde voor Twente. Er weg willen en er steeds weer terugkeren, hoe dan ook. Prachtig gevisualiseerd waar Manuel zich met – in wat lijkt op een dwangbuis – lange elastieken gekluisterd heeft aan een doorgezaagd ijzeren ledikant, dat niet van wijken weet, hoever die elastieken ook worden opgerekt. En bezongen in Het traporgel van Ome Herman, die liefde voor het dorp, het heimland, en de figuren die daar zijn jeugd bevolkten, van bakker Bolschker tot Ome Herman met zijn houten been. Waar zijn muzikale carrière begon onder liefderijk toezicht van zijn muze, oma Aaltje, die hij bezwoer ooit onsterfelijk beroemd te maken.
‘Ik maak oe onstarfeluk, oma!’
‘Da’s good jonge, a’j d’r mar veur ut donker wier bunt…’

Er volgt een opzienbarende reis door zijn leven, dat wat hem betreft op z’n 27e had moeten eindigen, zoals dat van alle grootheden, van Jimi Hendrix tot Kurt Cobain, en hoe hij dan ook zijn uiterste best deed om dat voortijdige einde te halen, met drank, rock & roll en bij voorkeur een capuchon vol drugs – het mocht niet baten. Want voordat je het weet ben je 57 – over de datum, en hoe dan verder? In werkelijkheid heeft Manuel allang de drank, sjek en drugs afgezworen en dat is te zien en te horen, de energie spat ervan af. De rock & roll is gebleven, net als de blues.

Het verademende (vooral voor een niet-Twent) is dat hij ondanks zijn liefde voor de Twentse grond niet verzeild raakt in de dwaze verheerlijking van Twente die je zo vaak ziet bij Twentenaren; hier is alles better en mooier. Twente en de Tubanten boven. Dat Manuel heel goed doorheeft dat dát het begin is van vijandschap en xenofobie, jouw land, mijn land. Dat het zo bejubelde noaberschap ook best nare trekjes kan vertonen – zodra er sprake is van vreemdelanders die aangewezen zijn op opvangcentra – ‘Liever een koe in de wei dan een vluchteling erbij’ – dan beperkt het noaberschap zich soms alleen tot de buurman links en rechts en gaat alles in overzichtelijke hokjes:

Ut veraangenaamt ut proatn
in ut Volksheil
Alles op de rieje:
De jongs bie de jongs
De meakes bie de meakes
En de joodn bie de joodn
En de boern bie de boern
En de duutsers bie de duutsers
En de zwartn bie de zwartn
En de blindn bie de blindn
En de dommn bie de dommn

Misschien een niet altijd even welkome ‘ter inzage’ in de eigen cultuur – die overigens net zo makkelijk wordt afgewisseld met de liefde ervoor, zoals de vele godverdommes ook evengoed beluisterd kunnen worden als gebeden, aan een god die de eenzaamheid heeft uitgevonden, maar ook bij machte moet zijn die op te lossen in de vorm van de ander.

André Manuel vertelt dat dit zijn laatste serie voorstellingen is in zijn moederstaal, het Twents. Mij lijkt dat ontzettend jammer, want de taal zoals hij die gebruikt is oer en pure poëzie, en maakt duidelijk wat het zogenaamde ‘dialect’ aan literaire rijkdom herbergt – vér weg van de revue, de onderbroekenlol en de boerenzakdoeken waarmee streektaal immer (en vaak terecht) wordt geïdentificeerd. Jammer, dat we vanaf het podium die taal straks alleen nog maar toegeworpen krijgen in de verminkte en verhollandste brokjes van de grote Twentse musicalshows en televisieseries als Woeste Grond.
Begrijpelijk ook anderszins, omdat het taalgebied klein is, en de tragiek van het voorgaande resulteert in steeds minder mensen die die taal (tenminste) verstaan – en daarmee ook de afzetmarkt voor een voorstelling als Volksheil beperkt is. Wat dan mijns inziens dan weer kinderachtig is van de landelijke podiumwereld – we hebben van Tom Waits’ gruizige Neighborhood ook nooit een tittel of jota verstaan en begrepen (…the eggs chase the bacon round the fryin’ pan and the whinin’ dog pigeons by the steeple bell rope…) en daar had niemand ooit problemen mee.

foto’s: Dancing Dollekamp (header) en Ester Agterbosch (zwart/wit)

Nog te zien op 21, 22, 28 en 29 augustus bij Boerderij Hof Kagelink in Diepenheim.

Kijk voor de voorstellingen op www.wilminktheater.nl