In december verscheen Plant, mens, dier, een boek met grotendeels onbekende prozateksten van dichteres, vertaalster en classica Ida Gerhardt, samengesteld en ingeleid door Mieke Koenen. VersTwee vroeg Mieke Koenen, van wie in 2014 de biografie Dwars tegen de keer. Leven en werk van Ida Gerhardt verscheen, een selectie te maken uit Plant, mens, dier.
door Mieke Koenen
1. Uit de Inleiding tot Plant, mens, dier
‘In Plant, mens, dier zijn zeventien prozastukken samengebracht en voorzien van inleidende essays en toelichtingen. […]
Het centrale thema van Ida Gerhardts prozastukken is het wezenlijke belang van kunst en natuur. Ze vond dat beide moeten worden beschermd tegen de funeste invloeden van winstbejag en consumptiedrang. Liefde voor de natuur, zo stelde ze, hangt nauw samen met liefde voor literatuur, schilderijen, beelden, dans en muziek: die bieden geen vluchtig vermaak maar doen een beroep op onze zintuigen, gevoelens en verstand. Omdat we door de natuur en de kunsten gestimuleerd worden meer diepgang en schoonheid te geven aan ons leven, moeten we er respectvol mee omgaan en ze in goede staat doorgeven aan onze kinderen en kleinkinderen.
Eerst komen Gerhardts uiteenzettingen over natuurbescherming en dierenwelzijn aan bod, daarna haar beschouwingen over poëzie, die niet alleen gaan over haar eigen werk, maar ook over gedichten van Martinus Nijhoff. In de derde afdeling staan de beeldende kunsten en de dans centraal, gevolgd door een pedagogische lezing over het vertrouwen, die ze hield bij haar pensionering als lerares. Tot slot zijn haar dankwoorden bij de ontvangst van literaire prijzen opgenomen.
Waarom wilde ik Gerhardts prozastukken graag in één band samenbrengen? Allereerst om hun boeiende inhoud. Zo werpt een tekst uit 1950 nader licht op een minder bekende kant van Ida: al in de jaren veertig trad ze voor het voetlicht als voorvechtster van natuurbehoud en wees ze in het openbaar op de gevaren van natuurvernietiging. Die tekst is – helaas – nog altijd zeer actueel. Verder verschaffen haar prozastukken inzicht in het dichterlijke ambacht van Gerhardt zelf en in het kunstenaarschap in het algemeen. Ze probeert antwoorden te geven op vragen als: wat is de kern van het kunstenaarschap? Hoe ontstaan gedichten? Wanneer is een gedicht, schilderij of beeldhouwwerk goed en wanneer niet?
Een andere reden om de prozastukken als verzameling te publiceren, is de levendige en beeldende stijl waarin ze geschreven zijn. Ida’s taalgebruik is af en toe pittig, ze blaast het stof van vergeten woorden, gebruikt verschillende stijlregisters en speelt met de taal. Soms lijken haar uitspraken op spreekwoorden: “Men voert edele paarden geen honingkoeken.”
Ook had ik een persoonlijke beweegreden. Eind 2022 werd een ernstige vorm van kanker bij mij ontdekt. Ik werd geopereerd en moest lange tijd dagelijks worden bestraald. Als ik op het bed in de bestralingsruimte lag en de wieken van de bestralingsmachine met hun zilveren platen om me heen draaiden, probeerde ik mijn angst en ontreddering te bezweren door in mijn hoofd gedichten van Ida op te zeggen. […] Plant, mens, dier heb ik mede gemaakt om mijn dankbaarheid te betonen aan de grande dame die mijn leven heeft verrijkt met haar gedichten en vertalingen, een dichteres zonder weerga.
2. Fragment uit: Ida Gerhardt, ‘Natuurbescherming in Holland’*
Deze rede heeft Gerhardt uitgesproken tijdens de plenaire vergadering van de Contact-commissie voor natuur- en landschapsbescherming, op 4 februari 1950, in Diligentia, Den Haag.
‘De natuurbescherming in Holland heeft iets paradoxaals. Te midden van de ontzettende stormen, die over onze wereld razen, wil zij een klein land – waarvoor industrialisatie bovendien een levensnoodzaak is – min of meer ongerept houden. Onvermijdelijk, dat ons werk dan ook meestal wordt gezien als een naïef en goed bedoeld pogen: het willen stuiten van een bergstroom met luciferstokjes; een a priori verloren strijd […]
Natuurbescherming in Holland lijkt een kleine taak. Dat is zij, en tegelijkertijd is zij dat volstrekt niet. Wij weten niet, welke rol ons kleine land in de ernstige tijd, die ongetwijfeld komt, zal hebben te vervullen. Wij hopen en geloven dat, zo God het wil, het een eigen taak zal zijn. Maar daarvoor zal ons land een persoonlijkheid moeten wezen en om dit te blijven zal het menigmaal iets moeten doen dat, in het aangezicht van materialisme en economisme, paradoxaal lijkt. Wanneer ik ‘Holland’ zeg, wanneer U ‘Holland’ zegt, rijst – naast talloze andere associaties – het Hollands landschap voor ons op. Dit landschap is onverbrekelijk met de persoonlijkheid van ons land verbonden. Maar de bijl ligt er – ik weet dit – aan de wortels van de boom. Binnen een kort aantal jaren zal, wanneer het voortgaat zoals nu, er geen eigenlijk Hollands landschap meer zijn: in grote gedeelten van ons land heeft zich dit proces al voltrokken […]
Wij hebben het probleem overbevolking en industrialisatie: maar iedere oplossing hangt af van de geest waarin zij geschiedt. Paradoxaal blijf ik daarom geloven in de mogelijkheid, zelfs de rijke mogelijkheid, van natuurbescherming in Holland. Maar niet zo zij incidenteel geschiedt. Er zullen mensen moeten zijn, die uit de kracht hunner overtuiging voor deze zaak leven, met de ascese die het vraagt voor één taak te staan. En het land moet hun mogelijk maken zulks te doen door hun werk ten volle te erkennen.’
* Voor context en toelichtingen, zie Koenens essay ‘Ida Gerhardt als natuurbeschermster en eco-dichteres’, in: Plant, mens, dier p. 17-45.
3. Fragment uit: Ida Gerhardt, ‘Over het zesde sonnet uit Voor dag en dauw van Martinus Nijhoff’*
Deze beschouwing heeft Ida omstreeks 1976 uitgesproken voor de leden van haar leeskring.
‘Het lezen van een vers [= gedicht] gaat uit van een dialoog, die – naar de betekenis van het woord (‘over en weer spreken’) – steeds tussen vers en lezer over en weer gaat, en ernst en eerlijkheid, intelligentie en fijngevoeligheid vraagt. En, bovenal, het formaat en moed om voor de dag te komen. Het vers trouwens, zoals het daar op de bladzij staat, heeft óók geen andere intentie dan voor de dag te komen en zich honderd procent naar de lézer te richten. Het staat daar, op die bladzij, als het ware springlevend om te vragen. Springlevend. Want de gedachte dat iets wat gebeeldhouwd, geschilderd of geschreven is (in notenschrift of letterschrift), vervolgens op de plaats zelve is overleden, zullen we toch wel uitgebannen hebben. Want – dit even terzijde – waarom zou je dán nog de partituur van een strijkkwartet uit de kast halen? Het is veeleer zo dat de partituur ons oproept – en omgekeerd: wij roepen de muziek op.
Daar ís dus het vers, hunkerend om aangesproken en au serieux genomen te worden. En daar is de lezer, die door het vers aangesproken en au serieux genomen wil zijn. En het over-en-weer begint. Iets waarvan je, als beide gesprekspartners van formaat zijn, waarlijk niet gering mag denken. – Er is in het gegeven iets dat mij, altijd weer, herinnert aan die prachtige passage in Nils Holgersson van Selma Lagerlöf, waar die overvliegende wilde ganzen in het ritme van hun wiekslag tot de andere op aarde roepen:
Waar ben je?
Hier ben ik.
Waar bén je?
Hier bén ik.’
Hier ís het vers dan. Misschien, zoals de mens aan zijn gestalte, het eerst herkenbaar aan zijn structuur. Zelf heb ik een voorkeur voor verzen met ruggegraat, met een structuur die als het ware een stuk mathèsis in zich draagt. Zij wekken bij mij hetzelfde stille ontzag als bijvoorbeeld de structuur van een sneeuwkristal op mijn mouw. En wanneer deze gestrengheid gepaard gaat met een bijna transcendente lieflijkheid (ik denk aan sommige verzen van Leopold) vervult mij dat met een soort van heilige vrees. Er zijn Alpenbloemen aan de sneeuwgrens: zó lieflijk, dat ze nauwelijks meer aards schijnen – maar feilloze symmetrieën en volmaakte sterrenstructuren liggen binnen hun strakke cirkels. Je begrijpt nauwelijks dat het kan.’
* Voor toelichtingen op Gerhardts gebruik van de term mathèsis, zie Koenens essay ‘“Te begrijpen is het allemaal nooit”. Ida Gerhardt over poëzie’, in: Plant, mens, dier p. 49-59.

Ida Gerhardt: Plant, mens, dier.
Proza over de kunsten en natuurbehoud.
Samengesteld en ingeleid door Mieke Koenen.
Uitgeverij Athenaeum – Polak & Van Gennep.