Valt het licht onze ogen binnen of straalt het licht uit onze pupillen en brengt de weerkaatsing daarvan de werkelijkheid weer via de ogen onze hoofden in? Deze vraag en vele andere aspecten van het oog worden belicht in zowel Oogsprong van Bernke Klein Zandvoort als in Je zit op een stoel van Bob Vanden Broeck, terwijl het vooral twee heel verschillende boeken zijn.


door Theo Hakkert


‘Vanaf de oudheid tot ver in de middeleeuwen werd kijken uitgelegd als een proces waarbij er stralen uit onze ogen komen, die net als zonnestralen op de wereld vallen. De uiteindes van deze zichtstralen betasten de dingen zoals handen dat doen en keren na de aanraking terug naar het oog met informatie. Zicht werd dus voorgesteld als een wederkerig proces, waarin de kijker en het bekekene voor een moment fysiek contact hadden en met elkaar waren verbonden. Zien was een aanraking met de ogen.’

uit: Bernke Klein ZandvoortOogsprong.


‘Vertrekt de wereld vanuit de pupil als een bundel wegschietende lijnen die nadien in elkaar verstrikt raken omdat de werkelijkheid zich elk ogenblik tegelijk zowel ontwikkelt als inwikkelt en, net zoals het oog dat zich voortdurend opent en sluit, nooit stilstaat maar altijd, soms opvallend soms onzichtbaar, beweegt, verandert, verschuift, en kunnen we onze ogen anders instellen dan de voorgeprogrammeerde instellingen van de werkelijkheid?’

uit: Bob Vanden BroeckJe zit op een stoel.


Wie veel leest is niet onbekend met het fenomeen dat een onderwerp, thema of een klein detail uit het boek dat je net hebt uitgelezen terugkeert in het volgende dat je hebt opgepakt. Ik schreef al eens over het Franse kamp Drancy dat ik bij herlezing terugvond in Austerlitz van W.G. Sebald en meteen daarna in Verdaagd verdriet van Patrick Modiano.

Maar zo sterk als dit keer was het niet eerder. Ik las Oogsprong van Bernke Klein Zandvoort (1987), het eerste proza van deze dichteres. Daarna las ik Je zit op een stoel van Bob Vanden Broeck (1988), het eerste proza van deze dichter. Het toeval dat dit hun eerste prozapublicaties zijn, speelt verder geen rol, al moest het even worden opgemerkt. Het gaat om de overeenkomsten in hoe ze over ogen schrijven.

De auteurs hebben een totaal verschillend idee gehad. Aan de titel Oogsprong is te zien dat het Klein Zandvoort gaat om het oog en alles wat daarbij komt (kijken). Het oog zelf, zien, kijken, de blik, de pupil, wat er gebeurt als je voor de spiegel staat et cetera. Dit naar aanleiding van wat haar (achter)tante is overkomen. Bij deze vrouw kon maar beter een oog worden verwijderd omdat er een tumor achter zat. Oogsprong gaat ook over niet zien.

Vanden Broeck schrijft in Je zit op een stoel over een ‘je’ (soms ‘jij’) die op een stoel zit en daar niet van af komt. De ‘je’ kan het niet, wil het niet, lukt het niet. Wat overblijft is dat de ‘je’ om zich heen kijkt en soms in een computerscherm tuurt. De ‘je’ doet dus niet veel anders dan kijken – en denken, kijken, denken, associëren, wanhopen et cetera. Alles wordt gevoed door de blik, door de ogen.

Zeer verschillende boeken

Voor alle duidelijkheid, nogmaals: het zijn twee totaal verschillende boeken. Bernke Klein Zandvoort schrijft aan de hand van de nare operatie van haar (achter)tante over hun relatie, hun oorsprong, zeg maar. De vrouw heeft haar kennis doen maken met de grote stad. Ze trokken op als vriendinnen. In de vertelling komt ze steeds weer terug bij aspecten van het oog.

Bob Vanden Broeck laat zijn hoofdpersoon – meteen ook het enige personage – een boek lang op die stoel zitten. In lange zinnen, vol bijzinnen achter eindeloze komma’s, beschrijft hij wat de ‘je’ denkt en doet op die stoel. Over onmacht en de onwil, onwil die voortkomt uit een gevoel van zinloosheid.
Ik schrijf steeds ‘je’. De tweede-persoon is een manier om de lezer direct aan te spreken, maar vanaf het eerste moment zag ik een Kamagurka-achtige tekening van een man voor me, op een stoel achter een computerscherm, in een kale kamer met een raam, roerend in zijn koffie en bezig zijn vuist in zijn mond te proppen – want dat is wat Vanden Broeck steeds herhaalt.

Man, stoel, koffie, vuist


Naar deze basishouding keert hij regelmatig terug: man, stoel, muismat, roerend in zijn koffie, proberend een vuist in de mond te stoppen. Waarna het verhaal, zo er sprake is van een verhaal, een andere weg inslaat. Waar ook weer details worden herhaald. De man ‘je’ ziet op een gegeven moment buiten een tak bewegen, mogelijk door toedoen van een vogel, en ook dat beeld keert later een paar keer terug. Misschien was het een eekhoorn.
Een paar keer gaat het over ‘gelijkaardige fietswielen’. Twee wielen dus. Er is ook sprake van twee klokken. En twee ogen, twee oogballen.

Zinnen met ‘En’

Een andere weg wordt vaak ingeslagen door een zin die met ‘En’ begint. ‘En’ is een bekende manier om de vaart in een vertelling te houden, in dit boek is het het begin van een volgende zijweg.
Persoonlijk vind ik het jammer dat de laatste zin met ‘En’, die meteen ook de laatste zin is van het boek bijna dertig pagina’s voor het einde begint, waarna – spoiler – een lange stroom aan beelden volgt die eindigt met drie puntjes. Het is als een perfect muziekstuk dat gemakkelijk met een staand slot zou kunnen eindigen, dat toch eindigt met een fade-out.

Wel begint die laatste zin met ogen:

‘En om dat allemaal te kunnen behappen knipper je steeds vaker met je ogen, om in deze stroom van de werkelijkheid te kunnen zwemmen knipper je steeds vaker met je ogen,’

Zoals ook de voorlaatste zin met de ogen begint:

‘En omdat je ogen steeds wijder openstaan, omdat je ogen steeds meer in gaten veranderen, begin je ook steeds meer te zien, begin je zoveel te zien dat je niet alles kan zien omdat er te veel te zien is,..’

Ogen die steeds meer in gaten veranderen, bracht mij terug naar het boek van Klein Zandvoort. Ze komt er niet omheen stil te staan bij wat het betekent een oog te verliezen. Dan is er ontegenzeggelijk sprake van een lege oogkas. ‘De holtes die ik zie doen me denken aan grotten,’ schrijft ze. Op zoek naar een synoniem voor het kille ‘oogkas’ vindt ze ‘orbita’. Mooi, want het creëert in zijn onbekendheid afstand en verzacht daarmee het wrede ‘oogkas’, maar het blijft ‘de benige holte van de schedel die het oog bevat’.

En, ja hoor, ook Bob Vanden Broeck begint over oogkassen.

‘En de poging om in beweging te komen mislukt omdat niet jij maar de beelden bewegen, omdat de beelden zich in een eindeloze ruimte bevinden en omdat jouw ogen, kijkend naar die beelden, vastzitten in je oogkassen, alsof zonet iemand mortel in de spouw tussen je oogballen en je oogkassen heeft gegoten waardoor je ogen zich nu in een cel bevinden….’

Bijzondere boeken, en dat, ondanks deze opvallende overeenkomsten, elk op hun eigen wijze. 

Bernke Klein Zandvoort: Oogsprong
Een verhaal over zien en niet zien
267 p’s. Querido

Bob Vanden Broeck: Je zit op een stoel
Roman. 117 p’s. Koppernik

Foto van het oog: Carlos Castro / Flickr