Stemmen uit Gaza wordt een serie met romans en verhalenbundels – vijf jaar lang minstens één per jaar. De tweede in de reeks is een bundel met verrassend lichte en soms absurdistische verhalen van Amer Almassri. ‘Wij Palestijnen hebben de helft van ons leven verspild met wachten op redding.’
Gaza. De naam is nauwelijks nog in staat om iemand op positieve gedachten te brengen, laat staan tot vrolijkheid of gevoel voor schoonheid. Hoe een groot deel van de wereld wegkijkt bij de volkerenmoord die daar plaatsheeft is, na de genocide zelf, de grootste schande van dit millennium.
Wat dan te verwachten van een in zwart omslag uitgevoerd boek met witte tekens aan de onderkant en de titel in geel: De man die achteromkeek? Ondertitel: Verhalen uit Gaza. Auteur: Amer Almassri. Vertaling: Djûke Poppinga.
Oppassen niet al te blij te worden wanneer blijkt dat het in de acht verhalen van Almassri (geboren in 1995) niet gaat over de oorlog met Israël, zelfs de onderdrukking is niet altijd voelbaar. Ja, armoede, ja in het eerste verhaal vallen bommen met fatale gevolgen, maar het is zoals de kop van de inleiding door Ingrid Rollema al stelt: ‘Schoonheid als daad van verzet’. De verhalen zijn mooi opgeschreven, ze schuren weliswaar, maar zijn waar dat kan lichtvoetig en een aantal is goed voor een glimlach. Ze tonen de veerkracht en levenslust van de Gazanen, kleine lieden met soms grote wensen.
Een titel als ‘De dag waarop ik in een hond, een wolf of een vlinder veranderde’ zegt op zich al genoeg. Hier zal het niet gaan over de gruwel die zich dagelijks voltrekt. Hazien is aardappelrooier. Hij werkt hard, harder dan anderen, en verdient daardoor net iets meer. En hij is verliefd, alleen, tja, het blijft bij smachten. Ze trouwt met een ander. Een vriend neemt hem mee naar een publieke vrouw die geheimzinnig doet. ‘Juist opwindend’, zegt ze, ‘en het maakt je vuriger’. Het laat zich raden wie ze is.
‘Sinds die dag ben ik niet meer de zachtaardige, zielige jongen die ik ooit was. Ik ben een hond, een wolf of een vlinder geworden, en ik ben er vandoor gegaan.’
Vergelijkingen met dieren worden vaker gemaakt. Er vandoor gaan, is een ander thema in de verhalen. Weg van hier, dat idee hebben velen. Zo stappen meisjes in een trein om naar Caïro te gaan, om te ontsnappen aan de uitzichtloosheid, ook al heeft de wagon al in geen jaren meer gereden.
Amer Almassri schuwt ook het absurde niet. Het fijnste verhaal in De man die achteromkeek is ‘Twee keer in mijn leven’, waarin hij speelt met het begrip ‘half’. Ook hier de vergelijking met een wolf: de jonge man over wie het gaat is geen wolf, geen huiskat, maar een mens. Maar wel een halfslachtig mens. Zijn paspoort is een halve appel. Alles is of gebeurt maar half, wat leidt tot een fragment als dit:
‘Toen zijn moeder zag dat hij tot middernacht sliep, de helft van zijn eten opat, midden op straat bleef staan en de helft van de mensheid haatte, raadde ze hem aan om een arts te raadplegen. Hij ging naar een psychiater en bleef daar een half uur zitten, zonder zelfs maar een half woord uit zijn mond te krijgen…’
Totdat hij dit zegt, en dan raakt Almassri midden in alle absurdisme een kern:
‘Wij Palestijnen zijn eraan gewend dat dingen half zijn, dokter, we leven een half leven. We hebben de helft van een land in handen, we hebben de helft van ons leven verspild met wachten op redding, we beminnen half, we huilen half en onze moeder offeren de helft van hun leven op voor het martelaarschap van hun zonen.’
Ook hier eindigt het met er vandoor gaan. Hij schiet een zijweg in.
Het zijn geweldige verhalen, stuk voor stuk. Ze tonen, om het zo maar te zeggen, een andere kant van Gaza. Ze laten de mensen zien in hun streven naar geluk, naar een menswaardig bestaan. Geen escapisme hier, niets qua gruwel en uitzichtloosheid wordt ontkend. Almassri voegt een dimensie toe aan Gaza door de verhalen van eenvoudige mensen te vertellen, de aardappelrooiers, de moeders, de dochters en zonen – onder een dreiging die er altijd is, verlammend, maar er moet ook geleefd worden.
Amer Almassri: De man die achteromkeek. Verhalen uit Gaza. Vertaling: Djûke Poppinga. Inleiding: Ingrid Rollema. Uitgeverij Jurgen Maas.