De geruchtmakende zaak uit 2013 rond een huisarts in Tuitjenhorn die werd beschuldigd van het toedienen van te hoge doses morfine bij een terminale patiënt vormt, maar dan als fictie verpakt, de basis van de nieuwe roman van Wanda Reisel. De krenking is haar eerste roman in zeven jaar tijd. Hoe dat zo kwam, die lange tijd en wat er allemaal heeft gespeeld, wat teruggaat tot op haar jeugd, legt ze uit in een interview in drie hoofdstukken. ‘En zo komt alles samen.’


door Theo Hakkert


HOOFDSTUK 1: WRITER’S BLOCK


Bij Wanda Reisel op de bank ligt een basgitaar. ‘Gewoon proberen. Vind ik leuk. Ik kan het nog helemaal niet.’ Ze heft een beroemd basloopje aan, dat van Psycho killer van Talking Heads. ‘Fa fa, fa fa, fa fa…’ Dat kunnen, het idee doet haar glimlachen.

Gewoon er iets naast, naast schrijven. Want dat schrijven ging haar de laatste jaren niet zo goed af. In de lijst met boeken voorin haar nieuwe roman De krenking gaapt een gat van zeven jaar met de vorige, Adam, uit 2019.
De reden laat zich raden: een writer’s block. ‘Nou ja, eerst was er corona, en dat was ook al een beetje raar. Ik had al eens eerder van redacteuren de vraag gekregen: …die vader van jou… die zo lijkt op de vaders in jouw boeken… intrigerende man, kan je daar niet eens wat over schrijven? Mijn vader was een man met twee gezichten. Toen corona kwam, dacht ik: dat kan ik wel proberen. Maar het lukte voor geen meter. Ik kreeg die figuur – een figuur als mijn vader – niet aan het praten. Hij liep steeds weg.  Ik had honderd bladzijden, maar het was allemaal niet goed. Dus dat heb ik in de la moeten stoppen.’
Het klinkt niet alsof het er ooit nog uit komt.

‘Corona was ook al zo’n rare tijd. Voor een schrijver heerlijk, zou je kunnen denken. Je hebt geen verplichtingen en je zit thuis. Lekker een paar dikke boeken schrijven, nu kon het. Maar zo werkte het niet. Het voelde als uitgestelde tijd. Waar ging het naar toe? Kort daarna ging mijn relatie uit, mijn vriend ging weg, na vijfentwintig jaar. Het kwam hard aan. Ook al was er een aantal dingen waar hij niet veel aan kon doen. Hij ging er niet met een ander van door. Bij mij zat het vast aan de dingen die je weg stopt, zal ik maar zeggen. Dingen die iedereen heeft. Maar dat verlaten worden, dat is wel… Ik had het niet zo sterk verwacht. Maar het gebeurde toch. Dus stond mijn leven toen een beetje op zijn kop.’
En schrijven lukte niet meer.

‘Hoe kan het nou allemaal zo sterk aankomen?’ Ze heeft geprobeerd daar met een paar therapeuten achter te komen. ‘Waarom dit nou speciaal zo triggerde? Dat is een heel persoonlijk verhaal en het heeft met mijn achtergrond ook te maken. Met mijn familie, een dode broer, de oorlog. En allemaal dingen die mij vanaf heel jongs af aan hebben beziggehouden. Maar ja, eigenlijk is het uiteindelijk het beste wat me overkomen is. Of het beste, maar het is wel… Het is precies zoals het motto van Moravia zegt dat voorin in De krenking staat.

‘De ervaringen die ertoe doen, zijn vaak die die we nooit wilden hebben, waartoe we nooit besloten hadden.’

Alberto Moravia

Hoe jezelf uit een writer’s block bevrijden? ‘Je moet het gewoon laten gaan. En maar hopen dat het schrijven weer terugkomt. Een proces dat je niet kan voorspellen.’ Een goed idee wil dan wel helpen. Wanda Reisel had van een aantal lezers van haar roman Nacht over Westwoud (uit 2011) gehoord dat ze het einde onbevredigend vonden. ‘Ze vonden het te open.’
Aan het einde van de roman verkeert de hoofdpersoon in een delier door een vergiftiging na een kattenbeet. ‘Ik ben een schrijver, dus slaat bij een open einde mijn verbeelding op hol en bedenk ik zelf wat het verdere verloop zou kunnen zijn. Ik hoef geen mooi eind te hebben, maar dat willen sommige mensen wel, een hoopvol eind.’

Niet dat ze Nacht over Westwoud ging herschrijven, nee, natuurlijk niet, maar die hoofdpersoon, die Levi Levi, met hem kon ze wellicht voortbouwen op enigszins bekend terrein. In Nacht over Westwoud is hij een arts die verstrikt raakt in een waarneming voor een andere arts. Een nieuwe waarneming zou soelaas kunnen bieden.
‘Ik kon hem oppikken waar ik hem had achtergelaten. En dan had ik al een heel personage met een achtergrond. Een soort basis. En daarmee heb ik mezelf eigenlijk een cadeautje gegeven.”

Later kwam ze bij toeval uitgever Mizzi van der Pluijm en haar partner Chris Kijne tegen. ‘Chris zei: ‘het is toch prachtig dat een fictief personage jou uit je writers-block heeft gehaald.’ Het is als Baron van Münchhausen: jezelf aan je haren uit het moeras getrokken door een fictief personage.’


HOOFDSTUK 2: DE KRENKING

Nu was en is Levi Levi niet zo maar een personage. In De krenking heeft hij een heel moeilijke relatie met zijn vader, een topchirurg met een lang verleden, ook als womanizer, en een korte toekomst, want hij is terminaal ziek.  De moeilijke relatie met zijn vader staat in mooi contrast met de steun die Levi krijgt van zijn dochter, die hem voortdurend berichtjes stuurt, naar hem vraagt en hem eigenlijk zo bij de les houdt.

‘Ik ben Levi niet,’ zegt Wanda Reisel, maar ze deelt wel een deel van haar achtergrond met hem. ‘Het gewicht van de Tweede Wereldoorlog. Hij kan niet tegen zijn vader op en is iemand die de kat uit de boom kijkt. Het is voorzichtig iemand eigenlijk. En dat is wel een Reisel-personage. Voor mij is dat een fijn personage. Omdat hij een soort camera is. Hij valt niet helemaal met mij samen, maar toch, zijn blik, we kunnen door zijn blik met hem mee kijken. Omdat hij juist niet zo’n uitgesproken personage is, is hij vatbaar voor allerlei twijfels en gevoelens. Dat samengenomen met mijn eigen intense zoektocht van de afgelopen paar jaar. Aan hem heb ik dan wel een fijn vervoermiddel voor een behoorlijk onthechtend verhaal. Zijn onthechting loopt parallel met mijn idee over de ook onthechtende samenleving van nu.’

De zaak-Tuitjenhorn


De waarneming van de praktijk waar Wanda Reisel Levi Levi mee opzadelt, want zo mag dat worden genoemd, is een brisante spraakmakende zaak uit het verleden. Als fictie verpakt verwijst het verhaal sterk naar de zaak-Tuitjenhorn. In oktober 2013 pleegde huisarts Nico Tromp zelfmoord nadat hij door de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd op non-actief was gesteld. Hij zou tijdens het palliatief sederen van een patiënt, volgens het oordeel van de daarbij aanwezige co-assistent, te hoge doses morfine hebben toegediend. Rechtszaken, documentaires, talkshows – de zaak kreeg heel veel aandacht. De toezichthouder werd later veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding aan de weduwe Tromp.

‘Wat gebeurt, moet zich voltrekken
aan de hoofdpersoon’


In De krenking gebeurt iets dergelijks. Levi Levi wordt pardoes van zijn camperbed gelicht door BOA’s van de inspectie. ‘Het kleedje van zijn integriteit wordt in één ruk onder hem uitgetrokken. Dat is een metafoor voor wat er gebeurt als je in een relatie verlaten wordt. Ineens, van de ene dag op de andere deug je voor je gevoel niet meer. Dat is een krenking. Een beschadiging van je zelfgevoel. Van je eergevoel. Daar kun je je in verliezen. Die onthechting wilde ik erin hebben.’

Ze ziet het als een teken des tijds. Voorzichtig formulerend, met stiltes: ’Let wel: wij zijn natuurlijk van een bepaalde leeftijd, dat beschrijf ik ook ergens. En we weten nog dat er vroeger redelijk vaststaande waarden zijn en colleges met wijze meneren en mevrouwen. Het zal toen ook wel eens fout zijn gegaan, maar toch ging het grotendeels goed. Maar ik heb nu de indruk dat bij veel instituten op de een of andere manier die eigen moraal ontbreekt, dat men alleen nog volgens regels werkt en niet meer naar het geheel kijkt en niet meer met de kennis van al die aardige verworvenheden en wijsheden van vroeger. Niemand lijkt de verantwoordelijkheid op zich te willen nemen.’

De onthechting diende ook in de stijl van de roman zichtbaar te zijn, vond ze. ‘Dat wist ik meteen. Dus een begin met een thrillerachtige opening. Levi wordt gearresteerd, dat is heel concreet, dat is nu, dat is de wereld van nu met Netflix en films en alles. Je hebt die beroemde uitspraak van Scott Fitzgerald, ‘character is plot, plot is character’. Wat er gebeurt, moet zich ook voltrekken aan de hoofdpersoon. De onthechting die hij vervolgens meemaakt, het zelfverlies, dat ik ook toeschrijf aan de maatschappij waar we nu in zitten, of de verwording daarvan, het uit elkaar vallen van zekerheden, dat was al heel gauw een soort vormidee wat ik had, dat de hoofdpersoon langzaam uit elkaar moest vallen.’

‘Te netjes doodt een eigen stijl’


‘Ook wilde ik graag parlando schrijven. Je hoort hem praten. We zitten in zijn hoofd. In het laatste kwart van het boek, wanneer hij verschillende stemmen hoort, maakt hij daar in een ruïne, wat een soort geestelijke ruïne is natuurlijk, een soort mentale desintegratie mee.  Dat moest ook in de taal te merken zijn, en dan met cursief, zodat het zo een beetje vervreemdend, Beckett-achtig, Pinter-achtig bijna, uit elkaar valt.’

Dat vraagt om een lossere pen, zegt ze. Niet van die nette zinnen, niet te braaf en of zelfs niet altijd grammaticaal. ‘Te netjes doodt een eigen stijl. Liever een soort van anarchisme. En ik hou van dat soort rebellie.’


HOOFDSTUK 3: DE MALIËNKOLDER


Met woorden had ze al jong een intense band. Mede door de juist verzwegen woorden over de oorlog. ‘Ik sprokkelde zo een eigen verhaal bij elkaar zodat ik het gevoel kreeg dat ik mij moest wapenen.’
Het woord maliënkolder kwam ze tegen in De brief voor de koning van Tonke Dragt. ‘Tiuri, de hoofdpersoon, droeg als ridder een maliënkolder. Dat vond ik als kind van zes, zeven geweldig. Zo’n ding biedt bescherming en dat moet je hebben in het leven, vond ik. Want de buitenwereld was blijkbaar heel gevaarlijk. Al die verhalen over de oorlog, ik pikte alles op. Ik stond altijd in de luisterstand. Mijn broers en zusters zeiden: ‘Wat weet jij veel details! Hoezo, hoe dan?’ Maar voor mij dat was gewoon. Ik moest opletten of er niet iets raars gebeurde. Ik stond al jong in de survival-stand. Ondergedoken in vredestijd.’

‘Je moest een Indiaan zijn, je moest slim zijn’

Haar oudste broer stierf. Wat ergens een bevestiging was van al die angst. ‘Zie je wel: de wereld is helemaal geen leuke, geen veilige plek.’ Al vroeg niet. Ze was tweeënhalfjaar.
‘Nee, je moest een Indiaan zijn en je moest slim zijn en je moest alles weten en je moest weten hoe je je moest redden. Maar nu, op deze leeftijd, ik ben net zeventig geworden, op een of andere manier krijgt dat dan toch weer meer lading. Het is een geïnternaliseerde angst die ik altijd heb omgezet in vechten, guerrillatactieken, door tuinen sluipen, ik moest van mezelf een beetje tomboy zijn. Dat heeft er allemaal mee te maken. De overlevingsstand, steeds. En wapens verzamelen. Messen was ik door gefascineerd. Alle soorten messen, ook gewoon bestek. En ja, het is allemaal daarop terug te voeren. Het hoeft niet, maar het kan wel.”

Ze begint weer over maliënkolder. ‘Ik vond het  zo’n fascinerend woord. Ik moest dat hebben. Het is geweldig als je dat hebt, een kogelvrij vest, dan kan je niet zo gauw doodgaan. Eigenlijk ben ik door dat woord maliënkolder, of door De brief voor de koning, een tijdje geschiedenis gaan studeren, Middeleeuwse geschiedenis alleen om dat woord.’

‘Maar ik heb ook een brief geschreven aan Tonke Dragt. Dat wil zeggen, mijn moeder heeft geschreven. Ik was acht en vroeg of er nog een volgend deel uitkwam. Mijn moeder heeft een brief gestuurd en toen heb ik een brief terug gehad. Van de schrijfster zelf! Die brief heeft jaren boven mijn bed gegaan, een brief van Tonke Dragt, en dat ze inderdaad een nieuw boek ging schrijven, niet meer over Tiuri maar Geheimen van het Wilde Woud, geloof ik.’
‘Toen kreeg ik ook door dat je kan praten met een schrijver, dat je een brief kan krijgen van een schrijver, van iemand achter het boek, en die praat dan tegen mij persoonlijk. Dus dat kan ook weer een invloed zijn geweest zo van: dat ga ik worden. En zo komt alles samen.
‘Ik heb het gevoel dat in De krenking sowieso veel samenvalt. Het is niet een heel dikke roman, maar er zitten heel veel lijnen in. Allerlei thematieken die in mijn vorige boeken ook wel aan de orde kwamen komen hier samen op een heel goede manier.’
En het einde, is het weer open? Of krijgt Levi Levi een derde waarneming?

‘Het was zoals een einde moet zijn. Zoals alles eindigt. Als een begin.’


Wanda Reisel: De krenking.
Roman. 204 p’s. Atlas Contact.