Het is al vaker gezegd: als natuurliefhebber leef je permanent tussen verrukking en verlies. Er is godzijdank nog veel moois te zien en beleven, maar helaas zie je ook overal om je heen de teloorgang van de natuurlijke omgeving en het verdwijnen van soorten. Minder insecten, minder planten, minder vogels en daardoor, minstens zo verschrikkelijk, minder vogelzang.


door: Caspar Dullaart


Wat wel floreert, en dat is een positieve ontwikkeling, is het natuurboek. Leunstoelvogelaars en tweezitsdauwtrappers komen tegenwoordig geweldig aan hun trekken met onder andere de vermaarde Vogelserie van Atlas Contact, de boeken van Tim Birkhead en last but not least het precieze en poëtische proza van natuurschrijver Robert Macfarlane, onder andere bekend van De laatste wildernis en Benedenwereld.  

Begin deze maand verscheen min of meer tegelijk met de Engelse editie Macfarlanes nieuwste: Het vogelboek, de Nederlandse vertaling van The book of birds. Negen jaar werkte hij aan dit boek, en dat deed hij niet alleen, maar met de Britse kunstenares Jackie Morris. Eerder maakten ze al twee boeken samen, met de enorme bestseller Lost Words als bekendste titel.  

De eerste woorden in Het vogelboek: ‘Het luchtruim wordt steeds leger. In Noord-Amerika zijn er drie miljard vogels minder dan een halve eeuw geleden. In Europa vijfhonderd miljoen minder.’ En een handvol zinnen verder: ‘Wereldwijd neemt ongeveer de helft van de vogelsoorten in aantal af. Wat gewoon was, wordt zeldzaam. Bij zonsopgang en in de lente is het stiller, de lucht is minder drukbevolkt. Het oeroude vogelorkest valt stil. Een bijna onvoorstelbare overvloed gaat verloren.’

Een verdrietig stemmend begin en een droevig fenomeen dat ons moet aansporen tot actie. Of zoals Macfarlane schrijft: ‘Afwezigheid laat zich moeilijker in kaart brengen en ervaren dan aanwezigheid. Door gewenning raken we vertrouwd met de lege lucht. Zo hoeft het niet te gaan, maar we zullen nooit iets redden waarvan we niet houden, en we houden zelden van iets waarvan we de naam niet kennen.’  

(tekst gaat onder de illustratie door)

Bosuil – Jackie Morris

Ik weet nog precies hoe en wanneer ik zelf van vogels ben gaan houden. Als elfjarige tekende ik graag. Bij een van de tekenlessen op de lagere school moesten we iets ‘uit de natuur natekenen’  en leende ik een vogelgids uit de schoolbibliotheek. Vermoedelijk de Bruun’s, een vogelklassieker uit de jaren 70. Wat me meteen trof was de krankzinnige hoeveelheid vogelsoorten in de gids: zo veel vogels! En een groot deel van die wezens bewoog zich gewoon in mijn directe nabijheid! In de weken daarna tekende ik alleen nog maar vogels. Dit alles was mijn juf niet ontgaan, en omdat ze lid was van de plaatselijke vogelwerkgroep, regelde ze dat ik een keer meekon. Toen was ik verkocht. In ruim veertig jaar ging ik van een antieke Vendex-kijker naar een heuse Swarovski en bracht ik talloze uren buiten vogelend door.

verhaal gaat onder de afbeelding verder

Koekoek – Jackie Morris

Kunstenares Jackie Morris had zo’n zelfde ervaring. In The Guardian zegt ze: ‘Ik raakte als kind in vervoering door Reader’s Digest Book of British Birds. De schellen vielen me van de ogen: al dat niet-menselijke leven; gewoon om ons heen! Mijn hoop is dat Het vogelboek datzelfde effect heeft op jongeren van nu; dat het hun liefde voor vogels vleugels geeft. Dit boek is vooralsnog het belangrijkste dat ik ooit gemaakt heb’.

Op het eerste gezicht is Het vogelboek  dat Morris met Macfarlane maakte gewoon een vogelgids: gebonden, prachtige tekening van een goudvink op het omslag en binnenin in een opsomming van vogelsoorten met hun habitatsvoorkeuren en wijze van voortplanting. Maar dat is dan ook de enige overeenkomst. Macfarlane en Morris hadden geen klassieke ‘Wat vliegt daar?’ voor ogen, maar eerder een soort ‘Wie vliegt daar?’, want over vogels valt zoveel meer te zeggen: hun rol in verhalen, in poëzie, in mythologie en etymologie. Neem bijvoorbeeld de ijzingwekkende en weemoedige ‘zang’ van de parelduiker. Een geluid waarvan de Noren beweren dat het een aankondiging is van iemands verdrinkingsdood. Macfarlane  noemt het een ‘spookroep’, ‘een stem die spreekt door eeuwen heen.’ Of wat hij over de nachtzwaluw schrijft (een van mijn lievelingsvogels): ‘De nachtzwaluw is een heksachtig allegaartje, bijeengelapt uit stukjes en beetjes materie en andere beestjes. Nachtzwaluw heeft torenvalkvleugels en een hagedissenkop, een rug van steen, een koperborst, veren van as.’ Voor wie er nog aan twijfelde: écht naar vogels kijken is in wezen een heel literaire handeling.

(tekst gaat verder onder de illustratie – Sperwer – Jackie Morris)

Het vogelboek bejubelt 49 vogelsoorten, allemaal even schitterend geschilderd door Jackie Morris. Ik had bijna ‘geïllustreerd’ geschreven, maar daar doe ik de prenten ruimschoots mee tekort. Sterker: het zijn de prenten die dit boek, meer nog dan Macfarlanes schitterende taal, boven het gemiddelde vogelboek uittillen. Waar Macfarlane zijn vogelpen in poëzie doopt (en Macfarlanes vaste vertaler Nico Groen excelleert), stijgen de afbeeldingen van Morris boven die van de meeste andere bekende vogelillustratoren uit. In elke afbeelding zit leven, de liefde voor vogels spat van de schilderingen af. Een goede reden dan ook om het vogelboek niet als een klassieke vogelgids te behandelen, maar als koffietafelboek. Iedere dag even een prent bekijken en een lyrisch lemma lezen, daarmee doe je het boek het meeste recht. En geef het vooral cadeau aan mensen bij wie je een sluimerende vogelliefde vermoedt. Gegarandeerd dat ze binnen een jaar een goede verrekijker kopen.   

Caspar Dullaart is voormalig redacteur van Atlas Contact. Sinds 2023 werkt hij als ecoloog en studeert hij bos- en natuurbeheer. Met Romke van de Kaa stelt hij jaarlijks de Tuinscheurkalender samen.


Het vogelboek Robert Macfarlane
Illustrator: Jackie Morris
Vertaler: Nico Groen
Uitgeverij: Athenaeum

Jackie Morris met links Robert Macfarlane. Foto: Penguin Random House