Het messias-motief uit eerder werk is ook de basis van de nieuwe roman van Nobelprijsdrager László Krasznahorkai. Afscheid van Zsömle is bij vlagen kolderiek, maar het is lachen om de onvermijdelijke ondergang.


door Theo Hakkert


Veertien is een getal dat in de literatuur staat voor het sonnet. De vaste vorm, het vaste rijmschema en vergeet niet: de wending tussen de kwatrijnen en de terzinen. En veertien regels.
Bij de aankondiging dat er een nieuwe roman van László Krasznahorkai zou verschijnen viel te lezen: ‘Unieke literaire stijl: het boek telt slechts veertien zinnen.’
Zou het?
Lezers kennen Nobelprijs-laureaat Krasznahorkai (1954) als schrijver van romans met lange, schier eindeloze zinnen. Ze krullen alle kanten op, slaan zijpaden in, lijken te verdwalen en weten op wonderbaarlijke wijze toch de hoofdweg terug te vinden. Het laatste waar je hem mee associeert is verfijnde, vormvaste poëzie.

Afscheid van Zsömle, zoals die nieuwe roman getiteld is, is dan ook inderdaad geen sonnet. Maar een wending is er zowaar wel.
In de roman draait alles om oom Jószi, zoals hij zich laat noemen. Hij is een 91-jarige elektricien die in een afgelegen dorp in het noorden van Hongarije zijn dagen slijt in het gezelschap van zijn hond. Een hond die Zsömle heet – en als een hond sterft heet de volgende ook Zsömle. Als we willen dat alles blijft zoals het is, moet alles veranderen, nietwaar?

De oude man meent dat hij een afstammeling van Béla IV, koning van Hongarije tussen 1235 en 1270, én Dzjengis Khan is. En daarmee is hij, vindt hij, erfgenaam van de Hongaarse troon. Brieven die hij daarover schrijft vallen in goede aarde bij een hybride gezelschap van lieden die in hem de messias zien die Hongarije moet redden.
Het messias-motief is een constante in het werk van Krasznahorkai, zie met name de grote roman Baron Wenkcheim keert terug (uit 2016, vertaald in 2019, al staat dat nergens in de uitgave vermeld). Hier is het de baron, met de voornaam Béla (!), die uit Argentinië terugkeert naar een kleine stad in Hongarije waar de bevolking alle hoop op hem vestigt. Met de totale ondergang als resultaat.

‘Ik zal geen hout meer op het vuur doen’

Oom Jószi weet niet wat hij over zichzelf heeft afgeroepen. Het kakelbonte gezelschap loopt bij hem de deur van zijn schamele onderkomen plat. Ze geloven in hem en zetten acties op touw om hem weer op de Hongaarse troon te krijgen. Elke opmerking van de oude man leggen ze zo uit dat het in hun interpretatie past.
Zo had hij het aanvankelijk ook weer niet bedoeld. ‘Ik zal geen hout meer op het vuur doen’. Dat is de eerste zin van de roman, de eerste van de veertien zinnen – inderdaad de kortste.

De oude man wil het vuur niet oprakelen. Dat doen zijn volgelingen, die op een gegeven moment zelfs een wapenarsenaal aanleggen nadat hij een opmerking heeft gemaakt dat het zonder geweld wellicht niet zou lukken. Liefst zou hij het allemaal afhouden, maar zo hij al ooit iets van controle had, is hij de controle al snel helemaal kwijt.

In het gezelschap zit ene László Krasznahorkai

Krasznahorkai noemt een groot aantal leden van het gezelschap bij naam, ruim twintig. Mogelijk zitten daar bekende Hongaren tussen. Eén sowieso, namelijk ene László Krasznahorkai. Waarmee niet meteen gezegd is dat de schrijver zichzelf als personage opvoert, deze ontpopt zich als jong muzikaal talent dat op precaire momenten een lied inzet.

Nodeloos te zeggen dat het volledig uit de hand loopt. Terwijl oom Jószi thuis zit en niets doet, en niets wil, bereiden zijn zelfbenoemde volgelingen zijn bestijging van de troon voor, maar dat wordt natuurlijk ontdekt. Iedereen wordt opgepakt en dan meldt zich een ander gezelschap bij de elektricien: de politie.

Als er sprake is van een sonnet-achtige wending is het hier. De handeling verplaatst zich van het dorp naar de stad. De oude man wordt meegenomen, ingerekend, opgesloten. Cel, gevangenis, inrichting.

Komma’s bepalen het tijdverloop

Veertien zinnen – maar dan moeten we wel het nog kortere zinnetje ‘Ik heb het gezegd’ meerekenen dat nog vóór deel 1 staat. Belangrijker dan het aantal is hoe de zinnen zijn opgebouwd. Het zijn eerder allemaal korte, die door komma’s worden gescheiden in plaats van punten. Moeiteloos zijn die komma’s door punten te vervangen, maar dat zou de vaart uit de vertelling halen. Komma’s lezen sneller, en ze bepalen de tijd. Een aantal malen is de tijd na de zoveelste komma plots uren, dagen, weken opgeschoten. De voorbeelden zijn legio. Hier zit oom Jószi in een cel in een inrichting en zo gaan de weken voorbij:

…toen nam Etelka afscheid, rustig en zachtjes zoals altijd liep ze naar de deur en klopte, klopte nog een keer, en hij hoefde niet lang meer te wachten tot datgene zou gebeuren waarop hij wachtte, ruim een week later werd weer de deur opengegooid… 

Afscheid van Zsömle is bij vlagen hilarisch door het gestuntel van zowel de oude man als de lieden die in hem de koning van Hongarije zien die van het land weer een eenheid zou maken. Het loont de moeite ergens het levensverhaal van Béla IV na te lezen en dan valt op hoe de geschiedenis van Hongarije een en al onrust en strijd is. Bij momenten spiegelt Béla IV’s verhaal dat van oom Jószi.

Tegelijkertijd is het een actuele roman (Orbán’s naam valt een aantal malen) die duidelijk maakt dat grote verschuivingen in politieke zin ook nu nauwelijks mogelijk zijn. De geschiedenis leert dat lentes, of ze nou in Praag of in Arabië voor wezenlijke veranderingen zouden zorgen, zelden de zomer halen. Deze roman is verschenen in 2024, dus voor de verkiezingsnederlaag van Viktor Orbán en de nieuwe wind die door Hongarije waait door toedoen van Péter Magyar. Hoopvol dat de nieuwe koers wezenlijke en blijvende wending brengt kunnen we op basis van Krasznahorkai’s nieuwe roman nauwelijks zijn.

László Krasznahorkai: Afscheid van Zsömle.
Vertaling: Mari Alföldi.
254 p’s. Wereldbibliotheek

Foto: Miklós Déri