Net als Anne Carson deed in Rood heeft Lieselot Mariën bij de grote delen van haar aangrijpende roman Als de dieren, over een jonge moeder zonder moedergevoelens, de tekst in kolomvorm laten afdrukken. Vaak staat er maar één smalle kolom per pagina. Wat het gevoel geeft van een razende afdaling in de onderwereld.

Dante en Vergilius zetten de toon. De motto’s in Als de dieren, de bijzondere roman van Lieselot Mariën, komen van deze illustere namen uit verre tijden. We zijn nog maar net op weg in het boek en daar is een andere, qua bron anonieme verwijzing naar de klassieken: ‘Een rozevingerige dageraad’. Die komt van Homerus.

Maar een pagina eerder stond al de belangrijkste verwijzing, want die geeft het leidende motief aan waar de roman op rust: ‘Eén verhaal in het bijzonder dringt zich op: het verhaal van Inanna, die naar de onderwereld reisde, op zoek naar een vrouw met wie ze was vergroeid, maar van wie ze desondanks was gescheiden.’

Inanna is de belangrijkste godin uit de Soemerische religie, een complexe godin die eigenschappen combineerde die tegenstrijdig leken. En inderdaad, zoals het citaat aangeeft, reisde ze naar de onderwereld. Haar verhaal is gevonden op kleitabletten, het omvat 415 regels. Mogelijk het oudste literaire werk.
Een citaat uit de Engelse vertaling:

If I do not return,
Set up a lament for me by the ruins.
Beat the drum for me in the assembly places. Circle the houses of the gods.
Tear at your eyes, at your mouth, at your thighs. Dress yourself in a single garment like a beggar.

De vrouw, een jonge moeder, in Als de dieren maakt die tocht ook, in figuurlijke zin uiteraard. Ze is bevallen, maar haar moederinstinct of -gevoel blijft uit. Ze heeft niets met het kind. Ze wil het niet, ze kan er niets mee. Het is dat het van haar afhankelijk is, maar anders zou ze er afstand van doen. Waar ze ook serieus aan denkt.

De vrouw daalt af in haar eigen onderwereld, poort na poort gaat ze door. Niets helpt, haar ellende neemt alleen maar toe. ‘Ik moet hier weg’, zegt ze een paar keer – cursief, op een verder lege pagina (waarover zo meteen meer.)

Onderweg spreekt ze vaak in de je-vorm tegen haar kind, dan weer lijkt het of ze het allemaal opschrijft voor het kind.

‘Door jouw moeder te worden landde ik ergens op een onstabiele plek in de keten van generaties. Ik werd jouw moeder, maar ook mijn eigen moeder, en haar moeder. Ik werd herhaling, ik werd verzet. En ik werd verdriet.’

Aan het begin van elke poort somt Mariën de dramatis personae op: meestal Zij, Ik, Jij. Zij is een andere vrouw, maar dat is de moeder ook. Ze kan er op bepaalde momenten van een afstand naar kijken, totaal onthecht. Zo kijkt ze naar die andere vrouw, die het wel goed doet, wel een band heeft met het kind en de vader. ‘De vrouw die achterbleef in de keuken’. En zelf: ‘Er lijkt een ‘ik’ te bestaan die voedt.’

Lieselot Mariën laat haar op haar innerlijke reis langs tal van culturele verwijzingen lopen. Zo passeren onder anderen Lewis Carroll, de hikikomori, Joan Didion, de paradox van Zeno, Nebukadnezar II – allemaal voorbeelden van voor haar herkenbaar leed, eenzaamheid, onbegrip.

Mariën heeft het opgeschreven in zowel vrij korte poëtische zinnen als gestroomlijnde langere.

Maar wat belangrijker is, al is het moeilijk precies te duiden wat achter deze vorm steekt, is dat de tekst nergens doorloopt. Nu zijn we langzamerhand wel gewend aan witregels – geen moderne roman lijkt zonder te kunnen. Maar wat Mariën heeft gedaan, is de tekst in kolommen laten afdrukken. Niet twee, drie of vier op de pagina naast elkaar, zoals in een krant of tijdschrift, maar één kolom en die staat vaak rechts op de pagina. De rest is dan wit. Een enkele keer staat een fragment, bijvoorbeeld een alinea, wel over de volle breedte. Maar ook dan vullen ze pagina’s niet, dan zijn er altijd de witregels.

De lezer leest vooral kolommen, in elk van de hoofdstukken (van de Eerste poort tot en met Zevende poort). Het effect is snelheid, maar ook benauwdheid. Zo’n kolom wordt een soort staande tunnel omlaag waarin de lezer met de jonge moeder afdaalt. Anne Carson deed hetzelfde in Rood doc>, de tweede van de twee romans in verzen die haar boek Rood vormen.

Zijn de kolommen in Als de dieren dan ook verzen? Moeten we ze zo lezen? Het kan. Poëtisch zijn  de regels zeker. Fascinerend om te merken hoe de bladspiegel het lezen beïnvloedt. Hoe de vorm zich meet aan de inhoud. Een nadere beschouwing waard.

Inanna wist terug te keren uit de onderwereld. Als de dieren is geen boek waar niets van mag worden gespoilerd – het is een zeer aangrijpend verhaal van een moeder die ten einde raad is, amper iets heeft om zich aan vast te houden, ook haar man niet – hij heet dan ook Hannes -, en van ‘de instanties’ is al helemaal geen sprake.

Toch moet de lezer niet hier lezen of de jonge moeder er ook in slaagt aan haar neergang en radeloosheid te ontkomen.

Op de eerste schortlist staat dit boek al. Andere zullen volgen.

Lieselot Mariën: Als de dieren. 312 p’s, Das Mag