door Theo Hakkert

1.
Zaden. Bij de literatuur van nu denk ik bij zaden het eerst aan Mariken Heitman. Ik zat in de jury van de Libris Literatuur Prijs die aan haar roman Wormmaan de prijs toekende. Elke is een zaadveredelaar die een dag te laat het patent aanvraagt voor haar pompoen.

De literatuur is een web dat zich gestaag uitbreidt. Boeken verwijzen naar elkaar, schrijvers pakken thema’s op die ook elders zijn of worden beschreven, soms wordt zo’n verwijzing gemaakt met opzet en wellicht een doel, maar vaak bij toeval.1

Het privilege stond mij toe te bladeren in een stapeltje van de nieuwe boeken die aanstaand najaar lezers hopen te bereiken. Eerst pakte ik Voorbij de dagen op, een vrij dunne, mooi uitgegeven, in hardcover met een blauw omslag met een foto van een witte kwal, van Jannie Regnerus. Het boek verschijnt 4 september.
Dit is een fragment van de eerste pagina:

Maar kiemkracht valt niet te onderschatten. Bij opgravingen in het Dal der Koningen en Koninginnen vinden archeologen (…) ook antieke pitten en zaden die – met het openen van de toegangsdeur – spontaan ontkiemen. Zelfs na drieduizend jaar hebben deze genoeg aan een sprankje licht en een teug verse zuurstof.

De komende dagen helemaal lezen. Dit begin is alvast prachtig. Eerst even verder met de stapel. Bouwen, breken is de tweede roman van Ramy El-Dardiry. Zijn debuut werd bekroond met de Bronzen Uil. Ik sprak hem destijds voor Tubantia, want hij had op de UT gestudeerd. Benieuwd sla ik zijn nieuwe roman open. En zie deze eerste zinnen:

De wind draagt zaden die vleugels hebben, embryo’s van de esdoorn, de iep, de berk. Vogels verspreiden de zaden die zich verstoppen in vruchten (…). En alle bomen (…) gaan pas groeien als in het duister de kiem door de zaadhuid breekt.

Merk het verschil op. Hoe bij Regnerus het zaad licht nodig heeft en bij El-Dardiry niet; daar is de duisternis van het bedekkende zand geen hindernis, al groeien de bomen naar het licht.

Mij gaat het hier om het toeval. Pak ik een ander boek op, dan valt de onvoorziene overeenkomst al veel minder op.
Maar er komt nog iets bij. El-Dardiry schrijft in de volgende alinea dat hij deze zinnen had geschreven toen het spel van zijn dochter met helikoptertjes in de wind hem deed denken aan weer een andere eerste pagina, die van Jeroen Brouwers’ Bezonken rood.

Snel naar de boekenkast. Zou Brouwers het – toevallig – ook over zaden hebben gehad op die eerste pagina?
Helaas. Het blijft bij wind.
Wel is het zo dat Brouwers ‘deze mysterieuze volzin’ ook ooit, ‘meer dan tien jaar geleden’, blijkbaar zo achteloos heeft opgeschreven dat hij hem niet meteen nodig had. Het zaad van de volzin heeft geduldig in de duisternis van een aantekenboekje liggen wachten op een sprankje licht en een teug verse zuurstof.

2. Hiermee was het toeval rond het boek van Jannie Regnerus nog niet voorbij. Donderdag treinde ik naar Amsterdam voor een rondje boekhandels en musea. Ik had Voorbij de dagen nog niet uit, maar het was dun en dus ideale bagage. Ik las eerst de kranten en daarna tot de trein Amsterdam Centraal binnenreed in het boek, maar kreeg het net niet uit. Straks, op de terugreis, de laatste zeven pagina’s.

Lopend door de stad schoot me te binnen dat Cécile Wasjbort een dag eerder de Europese Literatuurprijs toegekend had gekregen voor haar roman Nevermore. Veel óver, maar niet ge-lezen. Bij Pantheon zag ik het boek niet, bij Athenaeum stond er nog een in de kast.
Terug in de trein was ik nieuwsgierig. Waarom zou Wasjbort’s roman de eer te beurt zijn gevallen? Dus even een stukje lezen, straks die laatste zeven pagina’s Regnerus.

Nevermore bleek een verrassende roman. Over een vertaalster die Virginia Woolf vertaalt, meer precies het middendeel van To the Lighthouse. Steeds geeft ze drie mogelijke varianten van een vertaling van een zin uit het boek, een zin die in het Engels cursief is afgedrukt.
Na vijftig pagina’s stopte ik het boek terug in mijn tas. Nu moest ik echt eerst Regnerus uitlezen, voordat alles door elkaar ging lopen. Wat het prompt alsnog deed.

Drie pagina’s voor het einde schrijft zowaar ook Regnerus kort over Virginia Woolf – geen oudere auteur duikt zo vaak in hedendaagse literatuur op als Woolf – en ze citeert daarbij een passage uit The Waves die zo eindigt:

Niet alleen was het meubilair niet langer van elkaar te onderscheiden, er was nauwelijks iets over van een lichaam of geest waardoor je kon zeggen: Dit is hij of dit is zij.

Maar wacht even. Dat had ik toch net gelezen? Ik pakte het boek van Wasjbort er weer bij. En jawel, op pagina 17:

there was scarcely anything left of body or mind by which one could say: “This is he” or ‘This is she”.
Er was nauwelijks iets over van lichaam of geest waardoor je kon zeggen: ‘Dat is hij’ of ‘Dat is zij’.

Geen zin uit To the Lighthouse dus, maar dat zullen we Wasjbort, die ook andere titels van Woolf noemt, niet euvel duiden. Of dit nog toeval is, is wel de vraag. Om deze onmogelijk te beantwoorden vraag te omzeilen, is dan vaak de reactie: het hing in de lucht. Of er kwam licht en verse zuurstof bij.

Foto żaden: Rasbak / Wikimedia Commons