Om het maar plat te zeggen: er wordt weer flink geneukt in de jonge letteren. In Pogingen, het prozadebuut van Erwin Hurenkamp, van wie eerder een gedichtenbundel verscheen, gaat het flink van jetje.

door Theo Hakkert

Door de nadruk te leggen op de expliciete seks in de roman Pogingen van Erwin Hurenkamp (1993), dreigt het gevaar dat ik de auteur en zijn boek tekort doe, dus eerst kort de inhoud, het bovenliggende verhaal.
Ella is een getrouwde vrouw, moeder van Johannes (7), die op een dag besluit de boel de boel te laten. Ze reist westwaarts tot waar Europa ongeveer ophoudt en nadat ze een vrij lange tijd in Ierland heeft gebivakkeerd, en ook daar een intense relatie is aangegaan, na onderweg ook al het nodige met partners te hebben beleefd, keert ze terug naar het gezin. Johannes maakt dezelfde trip vijfentwintig jaar nog eens. In het voetspoor van de moeder zoekt hij naar zichzelf en naar wat haar – en hem – dreef en drijft.

Ook maar meteen de kritiek. Het boek komt pas zo rond pagina 100 op gang. Wat vooral komt omdat de diepere reden van Ella’s vlucht niet duidelijk wordt. Uit bad stappen en vertrekken, daar moet iets meer aan vooraf gaan dan er staat. Het existentiële knagen aan wat niet goed zit, aan dat wat haar aanzet huis, haard, man en zoon te verlaten, is te vaag. Het is alsof ze vakantie neemt. Ook de toon verandert na zo’n honderd pagina’s. Hurenkamp’s proza wordt daar rijker en dieper. Filosofischer ook, daarmee. Veel verwijzingen naar literatuur onderbouwen dit.

In de ik-vorm over een vrouw

Maar goed, de seks dus. Al begint het al eerder. Het zal een teken des tijds zijn dat het me eerst al verbaasde dat hij in de ik-vorm over een vrouw schrijft. Is dat op zich al gewaagd geworden, vroeg ik me af. Alleen al dat ik even dat idee had, oei.
En dan ook nog eens twee keer een hele pagina wijden aan de dus uitgebreide beschrijving van de seks die Ella beleeft met haar Ierse vriend Conall, die ook nog eens niet vies is van de mannenliefde, maar dat vooralsnog terzijde.

Bij gelegenheid van wat de honderdste geboortedag van Jan Wolkers had kunnen zijn, schreef diens biograaf Onno Blom een mooi stuk in de rubriek Reputaties in de bijlage Zondag van de Volkskrant. Blom ging uiteraard in op de wisselende mores rond seks. De verpreutsing die de laatste jaren plaatsheeft staat in schril contrast met de seksuele bevrijding die Wolkers mede heeft veroorzaakt of, als dat te sterk is uitgedrukt, heeft blootgelegd en benoemd.

Veel jonge mensen nemen de romans letterlijk

Blom: ‘Seks is overal en altijd beschikbaar in de werkelijke en virtuele wereld, maar er zinderend over schrijven, er de juiste woorden aan wijden, is onverteerbaar. Veel jonge mensen nemen de romans letterlijk, als ware het een levensprogram, en niet als een werk van verbeelding. Fictie. Dat schokte mij dan weer.’

Met dit in het achterhoofd werken de uitgesponnen beschrijvingen van de seks die Ella en Johannes (niet met elkaar, voor alle duidelijkheid, ho ho) hebben in Hurenkamp’s roman ronduit bevrijdend. Het verzetje van de daad als daad van verzet.

Teder ook

Hier een deel, Ella lonkt naar Conall: ’Als hij zou toegeven aan mijn schaamteloze gelonk zou dat een nederlaag beteken, overgave. Maar die nederlaag is alles wat hij wenst. Buiten deze kamer, dit bed, bestaat er niets meer en later, als hij op me ligt, in me is – dat duurt eindeloos, hij lijkt het uit te stellen, ik moet hem vastpakken en naar binnen leiden – als ik hem afzuig en mijn vingers in zijn mond duw tot hij kokhalst, zijn hoofd aan zijn haren naar beneden trek en hij me likt, zijn handen naar boven schieten om mijn borsten te omvatten, zijn al onze bewegingen agressief, maar afgemeten. Teder ook.’

En later nog eens zo’n pagina, en nog later Johannes, bij zijn deel van de trip, wiens homo-erotische vrijpartijen als net zo onomwonden en beeldend worden beschreven. Alleen bij het triootje van Ella, Conall en diens vriend Oisín laat Hurenkamp het bij: ‘Dat was een prettige situatie, daar niet van.’ Hier volstaat de suggestie.

Mooi hoe Hurenkamp het kan, maar ook aandurft, en andersom: aandurft en kan. Schrijven over seks, óók over seks, en er niet voor terugdeinzen die haarscherp te beschrijven, is anno nu zowaar moedig.
Nu oppassen dat door hier zo de nadruk op te leggen, en veel minder op de drijfveren, en overeenkomsten en verschillen, van wat Ella en Johannes tot hun reizen aanzet, we niet opnieuw belanden bij de vraag of deze expliciete beschrijvingen nou wel zo nodig zijn, of ze ‘nut’ hebben – want daar ging naar toe ten tijde van Wolkers en wat erna kwam. ‘Waar heb dat nou voor nodig?’ Die vraag. En ondertussen, Onno Blom schrijft het ook weer, Turks fruit lezen onder het dekbed.

Welk leven willen we leiden?

De vraag toch beantwoorden? De vrijpartijen vloeien voort uit wat Ella wil en zoekt. En voor Johannes geldt het al net zo. Hun verbazing erover, want die is er ook, geeft mooi hun vertwijfeling aan over de vraag wat ze zoeken in het leven.
Pogingen is namelijk in de kern een roman over de vraag welk leven we willen leiden. Ella’s gedachten: ’Als we jong zijn wachten we decennialang tot ‘het gaat beginnen’ maar wat is ‘het’? Het leven? De liefde? Beide zijn dan allang begonnen. Maar we wachten tot het echt wordt. En voor we het in de gaten hebben zijn we vergeten dat we wachten tot we ons, enkele jaren later realiseren dat het inderdaad begonnen is, dat we eraan vastzitten en dat het noch spectaculair is, noch bevredigend of zinvol van zichzelf.’
Meer van deze passages stuwen het boek, na enige tijd dus, flink op.
Johannes verklaart, vijfentwintig jaar later, zijn drift als volgt: ‘Misschien is de mens, alle geschiedenis ten spijt, nog steeds een nomade. (…) Als nomade zouden we telkens opnieuw moeten beginnen, maar dit beginnen zou geen afbreuk inhouden met wat eraan voorafging, het zou een logisch vervolg zijn, een ritme.’

Met een lichte trilling in zijn oogleden

Dit soort zoekende levensvragen zagen we recent ook in de debuutroman van Teddy Tops, Egelskop, rond de vraag: ‘Zijn we niet een leven lang bezig alle levens te leven die we niet hebben kunnen leiden? Is dat het?’ Mooi, dat soort verbanden in jonge literatuur. Hoe dit leeft onder deze romandebutanten.
En seks? Is er meer?
In Niets is echt gebeurd, de soms adembenemende (ook al) eerste roman van Joke van Vliet (1970) – eerder publiceerde ze de beste verhalenbundel van de laatste jaren, Wanneer de herten komen – vrijen Daan en haar vriend Don in een lift.
‘Ze blijft naar hem kijken, terwijl hij zacht in haar beweegt. Met een lichte trilling in zijn oogleden komt hij klaar. Het broeierige sperma golft, kolkt rond, zoekt een plek in de inwendige holtes en inhammen.’

Die trilling van het ooglid is mooi gevonden en niet zonder betekenis. Daan is hier nog slechtziend, later is ze blind. Ook in Niets is echt gebeurd gaat het over andere vragen. Al heeft ook in deze roman, net als in Pogingen van Edwin Hurenkamp, een moeder haar kind verlaten. Maar dat het expliciete terug is, is helemaal in orde. In fictie moet alles. Dat moet aan ‘veel jonge mensen’ uit te leggen zijn.

Edwin Hurenkamp: Pogingen. Querido
Joke van Vliet: Niets is echt gebeurd. Querido

Foto Dainis Graveris