Ali Smith en Robert Macfarlane waren in het land. Britse schrijvers die met engagement tegen de somberte de wereld beschouwen. De mooiste delen van hun gesprekken voor publiek gingen over taal.

Je zou toch denken dat er taal genoeg is. De rijkdom aan talen is niet in woorden uit te drukken. Zeker, net als sommige diersoorten sterven talen uit. In NRC van vandaag, 23 september, staat een verhaal over ‘de allerlaatste Iriomotekatten’ waarvoor op dit Japanse eiland een programma is opgezet voor hun behoud. Zo worden ook talen beschermd. Door ze te blijven onderwijzen, door in de talen te blijven schrijven, door genootschappen, door liefhebbers, door native speakers, door instituten.

Levende (of is levendige beter?) talen breiden juist uit. Of breiden in: lege plekken worden opgevuld. Neologismen schuiven vaak aan bij bestaande woorden. Het is maar zelden dat een Woord van het Jaar geen nieuwe samenvoeging is van bestaande onderdelen: prikspijt, klimaatklever, blokkeerfries.

Menig schrijver is op zijn of haar eigen manier bezig niet zozeer met het bedenken van grappige woorden, maar ervaart wel dat de bestaande woordenschat die toereikend is. Ze lopen op tegen de grenzen van de taal, krabben aan die grenzen, peuterend zoeken ze naar een gaatje dat uitzicht biedt op een kijkdoos aan termen, ideeën en dus woorden die er mogelijk wel zijn, maar nog niet zijn ontdekt. Het gaat dan, gulzig als de schrijvers zijn, niet zozeer om één woord, maar om een constellatie van woorden, je zou haast zeggen: een taal op zich, maar dan een die bestaat uit en aansluit bij de taalvoorraad die er al is.

Die taalvoorraad moet onderhouden worden. Ook daar is Macfarlane op alle mogelijke manieren mee bezig. Zo publiceerde hij in 2015 het boek Landmarks. ‘A book about the power of language (…) to shape our sense of place’, schrijft hij aan het begin.
Behalve een literatuurgids is het ‘a word-hoard of the astonishing lexis for landscape that exists in the compression of islands, rivers, strands, feels, lochs, cities, town, corries, hedgerows, fields and edge lands uneasily known as Britain and Island’. Met elf glossary’s, mogelijk mede daardoor nog niet vertaald, al schijnt Macfarlane’s vaste vertaler, Nico Groen, toch een poging te wagen.

En dan is er natuurlijk het door Bibi Dumon Tak vertaalde The Lost Words, uit 2017. Twintig gedichten – en prachtige tekeningen van Jackie Morris -rond even zo veel natuurwoorden die in een woordenboek voor kinderen zouden worden vervangen door technische woorden als chatroom, voicemail en database. Die verdrongen onder andere acorn (eikel), ivy (klimop) en dandelion (paardebloem). Dandelion, het woord zingt! Alleen de poëzie daarvan al.
Macfarlane had de ochtend van het interview een acorn opgeraapt en hij legde die op de tafel, wat nog een aardig misverstand opleverde toen het ging over eikel in de betekenis van ‘vervelend figuur’. ,,Dickhead?” Hij legde hem toen maar lachend uit zicht.

De bodem van grammatica en syntaxis

Zo diep als Robert Macfarlane voor zijn boeken over taal de spelonken doorzoekt, zo verwoordt hij het in zijn boek Benedenwereld: ‘De ware benedenwereld van de taal bestaat niet uit de stammen van afzonderlijke woorden, maar uit de bodem van grammatica en syntaxis, waar in zeer lange perioden manieren van praten en daarmee manieren van denken in neerslaan en op elkaar inwerken.’

Ik citeer dit citaat uit het interview dat Sanne Bloemink voor De Groene had met Macfarlane om diens komst naar ILFU van achtergrond te voorzien. Gisteren, maandag 22 september, sprak zij bovendien een geweldige laudatio uit voordat de Britse schrijver werd geïnterviewd door Marjolijn van Heemstra.

Robert Macfarlane in Utrecht

Robert Macfarlane (49) stond in zijn nieuwste boek, Is A River Alive?/Leeft een rivier?, op de rand van een afgrond, schrijft hij. Aan de voet van een grote, kolkende rivier, en hij keek het monster in de bek. Wat hij zag was water, groots en gevaarlijk; waar hij op hoopte was dat de rivier tegen hem zou spreken, en wellicht deed die rivier dat ook, maar kon hij, mens zijnde met alle beperkingen van dien, de taal van de rivier niet ontcijferen.

Hij vertelde maandag hoe een van de vrouwen die hij voor dit boek had ontmoet tegen hem had gezegd dat hij zijn ogen, oren, hoofd moest uitschakelen. Ratio helpt niet om de rivier, en bij uitbreiding de natuur, en bij verdere uitbreiding het leven te begrijpen. Het leven, ja. De titel mag zijn Is A River Alive? maar, zei hij, de eigenlijke titel is: What Is Life? Wat hij in het profiel in De Groene zei, en wat de kop werd: ‘Ik moest fluviaal worden.’

,,Maar de tijden zijn ook somber”

Macfarlane was niet de enige Britse schrijver die deze maand in Nederland was en die peutert aan het behang van de taalkamer in de hoop dat er een woordenwereld achter schuilgaat. Woensdag was Ali Smith in Den Haag bij Crossing Border. Het gesprek ging relatief veel over de toneelvoorstelling De Seizoenen, gebaseerd op Smith’ fabuleuze romankwartet The Seasonal Quartet, waarmee Het Nationale Theater dit najaar langs de theaters trekt, een stuk van ruim zeven uur – gelukkig word je tussendoor gevoed.

Dramaturg Remco van Rijn leidde het mooie gesprek dat op z’n mooist was toen het over taal ging. Ali Smith (63) leunde voor de vier op de huid van de tijd geschreven romans sterk op Shakespeare – ze ging zelfs gretig in op het verzoek van regisseur Eric de Vroedt mee te schrijven aan een tekst voor een hedendaagse uitvoering van een Shakespeare-stuk. Maar hoeveel Shakespeare-inspiratie ook, het zijn woorden die tekort schieten. Wat zij doet, is bestaande woorden een extra betekenis geven, of in het cv van het woord die ene verloren functie en dus betekenis terugvinden. De betekenis was er wel, alleen heeft de taalgemeenschap die veronachtzaamd. Na de vier romans (en het toegevoegde vijfde deel, Companion Piece), verscheen van haar Gliff. Een donker boek bij sombere tijden, gaf ze toe. ,,Maar de tijden zijn ook somber.”

Robert Macfarlane formuleerde zijn positie zo: ‘Despair is luxury, hope is discipline.’ Ali Smith zou het daar zo maar mee eens kunnen zijn.

Of iemand wist wat ‘gliff’ betekende? Wie het boek heeft gelezen weet dat het een naam voor een paard is, een woord dat buiten deze fantasienaam amper bestond. Het is een taalfolly, de letters staan zo achter elkaar, maar een betekenis hangt er nog niet onder. Dus stond het Smith vrij die te bedenken en toe te kennen. Zo las ze, op verzoek van iemand uit het publiek, iets voor. Het werd een deel uit Gliff.

Gliff kan alles zijn, naast de naam van een paard:
‘The twinkling of an eye.
To glimpse. To frighten. To be abruptly seized with fear. To look at someone or something in an unheeding or hurried or careless manner. To glint. To gleam. To glare. To flare.
To strike a glancing blow at someone or something.
To evade or escape something quickly.
To glimmer like sudden unanticipated light.
To dispel snow.’

Smith schrijft nu aan Glyff, een companion piece waar al op wordt gehint in Gliff. Nou niet denken dat ze ‘slechts’ met woorden speelt. Ze prikkelt de taal om zo woorden los te maken waarmee ze deze sombere tijden in literatuur kan boekstaven.