In Heem, het verrukkelijke tweede boek van Alexander Nieuwenhuis, komt de verteller, die lijdt aan een breuk in een relatie én een breuk in een ruggenwervel, een stoet aan zonderlinge mannen tegen. Hun kennis betreft de Heidemij, het nut van brandnetels en smeerwortels, en een gebrek aan verte. Maar hoe zit dat met die lijst met bedankjes en de literatuurlijst achterin?


door Theo Hakkert


Iedere lezer kent boeken waar een stamboom voorin staat. Of een lijst met personages, vooral als het er veel zijn. Hele families. Generatie op generatie. In met name dikke boeken vinden we namenlijsten. In een roman van 142 pagina’s zelden. Ook bij Heem niet, het tweede boek van Alexander Nieuwenhuis (1984), met inderdaad 142 pagina’s. Met Heem is iets anders aan de hand. Er staat een namenlijst achterin onder het kopje Dank. Ook dat is niet anders dan anders, maar hier lijkt iets mee aan de hand.

Nu heb ik de gewoonte om, voordat ik in een boek begin te lezen, het even door te bladeren. Om een indruk te krijgen. Hoeveel pagina’s ongeveer? Veel hoofdstukken of juist doorgeschreven tekst? Witregels, die tegenwoordig zo ‘in’ zijn? In Heem staat de obligate lijst met bedankjes achterin. Die scan ik dan even op bekende namen. Dit keer zijn dat er niet echt veel. Daarin moet mij een voornaam zijn opgevallen.
Gioia.
Want die naam herken ik op de eerste pagina. ‘Gioia, die ik met een zekere wanhoop heb liefgehad.’

Liefdesbreuk, ruggengraatbreuk

Het is de naam van een geliefde van de man die in de tien regels daarvoor, de eerste van het boek dus, al heeft geschreven dat hij in Frankrijk uit liefdesverdriet van een achttien meter hoge brug in het water is gesprongen en dat hij daarbij een breuk in een ruggenwervel heeft opgelopen. Liefdesbreuk, ruggenwervelbreuk.
Gioia.
Hoeveel vrouwen heten zo? Het kan haast niet anders of zij is het die aan het einde wordt bedankt. Zou Nieuwenhuis alle namen die achterin staan opvoeren?
Lezen; er zit niets anders op en ik was het toch al van plan.
Een zuster in het ziekenhuis waar de verteller met de gebroken wervel ligt, krijgt geen naam, maar buurman Snelders wel. Inmiddels houd ik al een vinger vast achterin bij de bedankjes en bij de literatuurlijst die daaraan vooraf gaat. Een snelle check: daar geen buurman Snelders. Wat betekent dit? Dat Gioia (van den Berg, een actrice) bestaat en dat buurman Snelders een fictief personage is?
Met deze theorie verder lezen.

Al snel duikt ene Arie op, een oud-ambtenaar die de verteller ontmoet heeft bij een bankje aan het Andersche Diep. Arie zit vol verhalen en biologische kennis. Hij vertelt een fantastisch verhaal over een vos die zich in het water heeft gewaagd, iets wat vossen nooit doen, en deze doet het, heeft Arie gededuceerd, om zich van luizen te ontdoen.
Let op: er zitten meer vossen in Heem.
Ook haalt Arie herinneringen op aan de Heidemij en hoe deze instantie, mede door met name ruilverkavelingen, grotendeels verantwoordelijk is geweest voor de strakke rechte efficiënte inrichting van het Nederlands landschap met kanalen, sloten en rechthoekige percelen. Een vergeten episode. Arie wijst er op dat de Heidemij goedkope krachten had via de werkvoorziening.
Maar wacht even. Arie? Geen Arie bij de bedankjes.

Wel heeft hij een lang verhaal paraat over het belang van brandnetels en waar die goed voor zijn. Veel kennis die hij daarover heeft opgedaan komt uit een boek getiteld Kruid en mens. Staat dat in de literatuurlijst? Zeker. Het is van Marlies Engels.
Wat voor de hand ligt is dit: ook Arie is een fictief personage en Alexander Nieuwenhuis heeft zijn kennis gebaseerd op het boek van Engels.

Het verhaal over de ontmoeting met Arie is een herinnering van de verteller wanneer hij door de scan gaat om te zien hoe het gaat met zijn ruggengraat. En zo switcht het verhaal tussen het heden en het verleden; vooral met Gioia is het heen en weer. De coronatijd heeft veel invloed gehad, de verteller is – met de anderen die hij tegenkomt – heel sceptisch over de maatregelen die destijds werden genomen. Heem is daarmee zeker ook een corona-roman.

Even verderop komen we op een bergwand Ashok tegen, een gids die Gioia en de verteller bijstond tijdens een trip over de toppen van de Himalaya.
Een snelle check: Ashok wordt achterin bedankt. Volgens de theorie: hij bestaat of heeft bestaan.
Het is hier, in de bergen, dat de jongeman Gioai verliest. Door zijn gedrag wel te verstaan, niet door zoiets als een fatale val.

Nederland heeft gebrek aan verte

Wie ook bestaat, althans zijn naam staat onder Dank, is een oogheelkundige in ruste, actief taalpurist en nog veel meer: Pek. Die kennen we. Pek van Andel. Beroemd door van alles. Door scans die hij maakte van de coïtus bijvoorbeeld. Ook bewees hij dat de verdachte van de Leidse balpenmord onschuldig was, en hij schreef over serendipiteit.
Pek houdt een mooi verhaal over het gebrek aan verte in Nederland. ‘Leegte is er genoeg.’ Verte niet. ’Er ontbreekt in Nederland bijna niets, behalve het ontbreken zelf (…) Een van de weinige dingen die echt wel ontbreken, zijn grote hoogteverschillen’.

Dit soort opmerkingen tekenen de roman. Nieuwenhuis doet dat heel subtiel. Het begint met hoogte: de sprong van de brug, het gaat over verte, weer over hoogte, over horizontaal (het vlakke land van de Heidemij) en verticaal, over bergen en water. Ook bij hoogte gaat het bijvoorbeeld over de torens die werden gebouwd om te zien of de Russen niet kwamen – vanuit de verte.
En dit aan de hand van al dan niet deels gefingeerde gesprekken over de natuur, over hoe onachtzaam we daarmee omgaan – en scepsis over gedrag en kennis. Nieuwenhuis voert, met respect, zonderlinge mannen op, mannen die zich vrijwillig uit het hart van de samenleving lijken te hebben teruggetrokken en hun heem ergens anders hebben gevonden, mannen die met de wijze lessen komen. Vrijdenkers.

Het ene verhaal is nog fantastischer dan het andere. Zo is er een antropoloog die heeft ontdekt dat het goedkoper het hele jaar is met interrail te reizen dan ergens iets te huren. Bestaat telepathie tussen dieren onderling? En wiebelstenen, dat zijn Pek’s stenen die zich terugdraaien naar een bepaalde stand, hoe zit dat precies? De mannen hebben grote invloed op het wereldbeeld van de verteller.
Sommige verhalen zijn bekend. De trek van de paling van en naar de Sargossozee, en dat bomen elkaar, via vertakkingen onder de grond, bijstaan in plaats van dat ze elkaar als concurrenten zien om licht en voedsel.

Een ontmoeting met Giorgio Agamben

Bijzonder is het hoofdstuk waarin de jongeman op bezoek gaat bij de filosoof Giorgio Agamben (83) om het over diens essay Genius te hebben. Dat boek staat in de literatuurlijst. Agamben niet bij de bedankjes. Wat volgens de theorie betekent dat Nieuwenhuis hier de info heeft gebaseerd op het essay van de Italiaan.
Ze praten over de werkelijkheid naast de alledaagse werkelijkheid. Die wijzen we af als fabeltjes of toeval, maar zo eenvoudig is een verklaring of een smoes vaak niet. Ook de wetenschap niet. Wel: de weigering op voorhand om ideeën en theorieën die niet in het wereldbeeld passen af te wijzen door er de oren en het brein voor af te sluiten.

Aan het eind van dit boek blader ik door naar Dank. Waar zijn de verhalen van Sebastian Cupido, van (danser) Rhiannon Spratling en (zangeres) Aino Vehmasto? Of heb ik die wel gelezen en heeft Alexander Nieuwenhuis ze subtiel verwerkt in dit hartverwarmend en rijke boek? 

Alexander Nieuwenhuis: Heem.
Roman. 142 p’s. Van Oorschot.

foto brandnetel: Steinsplitter / Wikimedia Commons