over R.I.P. Gissing, het boek dat Geerten Meijsing decennia lang heeft beziggehouden, zo niet gekweld, maar het is er nu. Nog één te gaan.
Bijna veertig jaar was er sprake van een boek, ooit, van Geerten Meijsing over zijn Engelse voorbeeld George Gissing aan wiens leven, vol kommer, kwel en gebrek aan erkenning, hij zich spiegelde. Zowaar is dat boek nu verschenen: R.I.P. Gissing. Een biografische roman waarin de betrokkenheid van biograaf Meijsing voor zijn onderwerp uitgebreid aan bod komt. ‘De biograaf dient ook een en ander over zichzelf te vertellen.’
door Theo Hakkert
In een brief gedateerd 5 januari 1996 aan vriend en collega Nanne Tepper schrijft Geerten Meijsing vanuit Arsina, het dorp bij Lucca waar hij in die tijd woonde: ‘Ik zal een soepje maken (gran zuppa lucchese), de viool beroeren en eens kijken of ik verder kom met het doodsbed van Gissing vanavond.’
In een voetnoot bij deze zin schrijft Jack van der Weide, de bezorger van Meijsing’s Brieven aan Nanne Tepper:
‘R.I.P. – een roman over dood en leven van George Gissing, een nog altijd niet verschenen roman van Meijsing. Een passage, ‘Hoe de schrijver stierf’, verscheen in Vrij Nederland, 20 december 2003 (volgens de toelichting “een sterk ingekorte versie van het tweede hoofdstuk uit R.I.P.”).
R.I.P. Gissing, de nieuwe roman van Geerten Meijsing heeft, kortom, een lange voorgeschiedenis. In 1996 stond de titel al vast. Van der Weide schrijft zelfs ‘nog altijd niet verschenen’.
Dat Geerten Meijsing (1950) over de Engelse schrijver zou en moest schrijven, heeft hij al veel eerder gevoeld. Zo schreef hij bijna tien jaar eerder dan in de brief aan Tepper, op 18 juni 1986, aan uitgever Theo Sontrop: ‘Ik herken veel van mezelf in Edwin Reardon – en dat beangstigt mij weleens. Juist omdat ikzelf in lichte mate gebukt ga onder wat ik als het ‘Gissing-syndroom’ ben gaan beschouwen.’
Edwin Reardon, de hoofdpersonage van Gissing’s roman New Grub Street (1891, in 2015 vertaald door Mario Molegraaf), is een schrijver die zich door financiële problemen genoodzaakt ziet pulpromans te schrijven.
Het ‘Gissing-syndroom’ is, kort gezegd, een obsessieve vereenzelviging met, in dit geval, de Engelse schrijver George Gissing (1857-1903), schrijver van tweeëntwintig romans en daarnaast essays en dagboeken. In literaire kringen werd hij erkend, maar een groot lezerspubliek bereikt hij nooit.
(tekst gaat onder de foto door)

In 1989 al was Het Gissing-syndroom de titel van het nawoord bij de vertaling die Meijsing had gemaakt van Gissing’s enige (postuum) succesvolle boek, de ‘gefictionaliseerde autobiografie’ De intieme geschriften van Henry Ryecroft, oorspronkelijk verschenen in 1903. In 2010 verschenen fragmenten van de roman onder de titel Het Gissing-syndroom bij uitgeverij Flanor.
Wanneer het hem allemaal te veel wordt, schrijft Meijsing in het nawoord, grijpt hij als troost naar ‘de beschrijvingen van getourmenteerde levens’ van schrijvers. Frederick Rolfe is er daar een van, George Gissing de andere. ‘Onder de meest kommervolle omstandigheden hebben zij volhard in hun schrijverschap, bleven tegen de klippen op schrijven, en stierven in ballingschap zonder hun zorgen ooit achter zich gelaten te hebben.’
Het klopt vast wat hij schrijft. Dat wie schrijvers vertaalt zich met ze vereenzelvigt. Het sterkst heeft Meijsing dat met George Gissing. ‘Over Gissing – zo lang mogelijk heb ik het uitgesteld – moet ik nu te schrijven komen, en dat kan ik alleen in de allerpersoonlijkste bewoordingen. Over het leven van deze man te schrijven, maar vooral over zijn gedachtengoed en gemoedsleven, is mij als moest ik mijn eigen doopceel lichten – zozeer vind ik mijn ontgoochelingen, bitterste gevoelens en geheime ressentimenten terug in zijn dagboekuitspraken, brieven en romanwerken.’
Dit is uit 1989.
Nog in 1996 schrijft hij aan Nanne Tepper:
‘Mijn Gissing-boek schiet niet erg op; het voorwerk vind ik altijd erg prettig, maar zodra het op schrijven (…) aankomt, ben ik meestal niet thuis, wend ik zelfmoord voor (de afgelopen week stond ik werkelijk voor de poort), of bedenk ik om het even wat om uitstel te krijgen.’
En nu is R.I.P. Gissing – hier past de kwalificatie ‘dan eindelijk’ – verschenen. En de roman is precies dat wat in dit laatste citaat staat: een in allerpersoonlijkste bewoordingen beschrijving van niet alleen Gissing’s leven, maar ook dat van Meijsing zelf. Hij licht daadwerkelijk zijn doopceel, zich spiegelend aan Gissing, tot het syndroom zo overheersend wordt dat hij zich van hem moet afkeren omdat hij niet blind is voor ’s mans feilen.
Meteen in de proloog van R.I.P. Gissing wordt duidelijk hoe hij Gissing op het spoor is gekomen. Hij trof hem in een boek van Norman Douglas*, Old Calabria, waarvan drie van de veertig hoofdstukken aan Gissing zijn gewijd. Door de jaren heen is hij zich steeds dieper in leven en werk van Gissing gaan verdiepen. Hij meldt aan Tepper in 1996 dat hij de acht delen correspondentie heeft besteld.
Het is sappelen, het is lijden, er is altijd
geldgebrek en successen zijn er zelden
Meer en meer heeft Meijsing zich in hem herkend. Geerten Meijsing mag dan niet als Gissing tweeëntwintig romans hebben geschreven, het is ook bepaald niet zo dat hij een gering oeuvre op zijn naam heeft, eerst als Joyce & Co, later onder zijn eigen naam (en dan is er nog onder pseudoniem de roman Een meisjesleven van Eefje Wijnberg). En waar Gissing pas postuum zoiets als een bestseller bleek te hebben geschreven, is Meijsing al eens een grote literatuurprijs ten deel gevallen – wat hij in R.I.P. Gissing overigens niet vermeldt. Maar de vereenzelviging met de Engelsman is groot. Het is sappelen, het is lijden, er is altijd geldgebrek en successen zijn er zelden.
Tegen het einde van de roman: ‘En is een omvangrijk, oeverloos oeuvre niet vaak een teken van zwakte?’
Die vereenzelviging is er niet op alle terreinen. Hun omgang met vrouwen bijvoorbeeld verschilt nogal. Bigamie heeft Gissing’s leven sterk bepaald. Hij raakte verslingerd aan een verslaafde prostituee. Misogynie was hem daarnaast niet vreemd. Bij Meijsing is de vrouw – vaak, niet altijd – een onbereikbaar ideaal.
De kritische zelfreflectie ontbreekt niet. Iets over de helft van R.I.P. Gissing vraagt hij zich af waarom hij Gissing tot leven wil brengen.
‘En als ik nu moet concluderen dat mijn leven in menig opzicht lijkt op dat van mijn voorbeeld, is dan de les niet dat ook ik beter met schrijven kan ophouden, omdat een heel leven van pennen en krassen toch in mijn geval geen verbetering heeft kunnen brengen in benarde omstandigheden.’
In een kelner van Caffè del Duomo in Siracusa ziet hij de incarnatie van Gissing, een man die een verleden en leven zou kunnen hebben waar hij als schrijver iets mee zou kunnen. ’s Mans stijl, houding, kleding, maar in plaats daarvan verliest hij zich in een flirt. Om dan toch weer bij Gissing uit te komen, met wie hij in gesprek zou willen. Hoewel? ‘Zou ik werkelijk in hem een dubbelganger herkennen, is dat dan niet, volgens de romantische mythen, een aanzegging van mijn eigen dood?’
(tekst gaat door onder de foto)

Italiaanse woonplaats van de schrijverFoto: VersTwee
Zelfreflectie zit ook in de uitleg waarmee Meijsing rekenschap aflegt waarom hij voor de roman deze biografische vorm heeft gekozen. Hij vindt dat betrokkenheid (cursivering van Meijsing) van de biograaf een noodzakelijk ingrediënt is. ‘Waaruit volgt dat de biograaf ook een en ander over zichzelf dient te vertellen, en de lezer vooral moet uitleggen waarom (idem) hij zijn boek geschreven heeft, en waaruit precies de fascinatie voortkomt die hem zoveel jaren aan zijn onderwerp heeft gekluisterd.’
Lange passages tussendoor, uit mei 2025, over het leven van Meijsing zelf passen in deze aanpak. Altijd zijn die wel op enige manier verbonden met Gissing. Zo komt het verhaal van Lily weer langs, de jonge vrouw met borderline uit de roman Dood meisje, uit 2000. Hier heet ze Layla. Het verhaal van Dood meisje spiegelt dat van Gissing, in die zin dat in de roman een hoogleraar verslingerd raakt aan een escortmeisje. Ook bij Joyce & Co staat hij stil – en weer zijn er die parallellen.
‘Ik ben niet bang om dood te gaan, nooit
geweest; het zijn de laatste passen naar
de oever van de Styx die me angst inboezemen’
Zo ongeveer op het punt dat de doodsstrijd van deze roman begint, keert Meijsing zich steeds meer af van zijn voorbeeld. ‘Hoewel ik altijd een bewonderaar heb willen zijn, mij hem als schrijver ten voorbeeld heb gesteld en hem altijd heb willen navolgen, als ware hij de voorbeeldige schrijver, vraag ik me, hoe verder ik kom in mijn Gissing-boek, steeds vaker af of ik daar goed aan gedaan heb.’
Voordat we in deel XII, met de titel ‘Exitus’, het doodsbed van Gissing in detail krijgen uitgelicht, moet het, omdat de vorm van de biografische roman het verlangt, over de tijd gaan die Meijsing nog is gegund. ‘Ik ben niet bang om dood te gaan, nooit geweest; het zijn de laatste passen naar de oever van de Styx die me angst inboezemen.’
Hij denkt te weten dat niet alles op zijn verlanglijstje mogelijk zal zijn. Zijn laatste woorden over Gissing zullen krabbels zijn – ‘wat het voordeel heeft dat ik niet te lang kan ingaan op mijn inmiddels volgroeide weerzin tegen de man in wiens voetstappen ik wilde lopen.’ Of rest er toch ook waardering?
Verderop nog dit ene mooie zinnetje: ‘Ik ben achter hem aangelopen.’
Waarvan akte. Een schitterend boek.
Maar is het dit ook wat Geerten Meijsing betreft? Hij schrijft dat hij nog altijd één boek heeft dat hij per se moet schrijven. Waar hij enorm tegenop ziet, maar ook van weet dat het voor hem het ultieme verplichte boek is wil hij zijn oeuvre op waardige wijze afronden. In R.I.P. Gissing klaagt hij vaak over zijn gestel en gezondheid. Laten we hopen dat het hem gegeven is de kracht te vinden voor die ene laatste.
Geerten Meijsing: R.I.P. Gissing
360 p’s. hardcover, Arbeiderspers

Literatuur:
Geerten Meijsing: Brieven aan Nanne Tepper
Bezorgd en van een voorwoord voorzien door Jack van der Weide
MMXV, 358 p’s. Statenhofpers
Geerten Meijsing: Het gewicht van woorden. Brieven aan mijn uitgever
2024, 648 p’s. Privé-domein nr. 327. Arbeiderspers
George Gissing: De intieme geschriften van Henry Ryecroft
Vertaald en van een nawoord voorzien door Geerten Meijsing.1989, 263 p’s. Prive-domein nr. 155. Arbeiderspers
*In 1984 verscheen Looking back van Norman Douglas als het Privé-domeindeel Terugblik. Een autobiografie in visitekaartjes. Vertaald en van een nawoord voorzien door Joyce & Co, het nawoord is ondertekend met: Geerten Maria Meijsing.