Een woeste maalstroom aan taal kenmerkt de barokke roman Opera der doden van de Braziliaan Autran Dourado. De personages hebben allemaal een beperking, wat bijdraagt aan hun versplinterde wereldbeeld.

In zijn bespreking in de Volkskrant van Autran Dourado’s roman Opera der doden wijt Maarten Steenmeijer de onbekendheid van de auteur deels aan het feit dat hij niet in het Spaans maar de Braziliaanse variant van het Portugees schreef.

Dat is waarschijnlijk zo, maar Machado de Assis liftte in de jaren tachtig, toen de Arbeiderspers zeven schitterende delen van zijn werk schitterend uitgaf, toch maar mooi mee met ‘de boom’ aan Latijns-Amerikaanse literatuur. En naderhand vonden Paulo Coelho, wat je er ook van vindt, en recenter Clarice Lispector een geïnteresseerd publiek. Dus aan de Braziliaanse taal ligt niet het alleen.

Wat opvalt is dat de grote namen van ‘de boom’ – Márquez, Cortázar, Vargas Llosa, Fuentes – in Nederland allemaal werden uitgegeven door Meulenhoff. Ook internationaal is dit kwartet het bekendst. Andere auteurs, uitgeven in Nederlandse vertaling, bereikten zelden veel lezers. Zo blijft het eeuwig zonde dat uitgeverij Coppens & Frenks nooit de credits heeft gekregen voor het uitgeven van Juan Filloy en Roberto Arlt, beiden Argentijn. Wat hier dan wel weer meespeelt is beide schrijvers aan ‘de boom’ vooraf gingen. Filloy werd geboren in 1894 (maar werd meer dan 100) en Arlt in 1900, en stierf in 1942. Voorvaderen zoals Jorge Luis Borges (1899 – 1986).

Ook de laatste schrijver die in de vorige eeuw tot ‘boom’-hoogte reikte, Roberto Bolano (1953-2003), werd bij Meulenhoff uitgegeven. Het is allemaal te verklaren, maar behalve een goede, uitgebreide scouting speelt ook marketing mee, vermoed ik.

Coppens & Frenks bestaat niet meer. Gelukkig duikt soms een oude uitgave van deze illustere uitgeverij op als herdruk en dat is nu dus het geval met Opera der doden van Autran Dourado (1926-2012). Deze vertaling van Harrie Lemmens verscheen eerder in 1997, de roman was al in 1967 verschenen. Zoals ook Márquez’s Honderd jaar eenzaamheid, in 1967 verscheen, zoals Steenmeijer nog benadrukte.

Opera der doden is ook nu, na al die jaren, nog een vitale, vibrerende, zoals dat heet ‘niet neer te leggen’ roman. Dourado grijpt de lezer bij de stropdas, vestje, sjaal of wat die lezer ook maar draagt en laat niet gaan voordat de vrouw om wie het drama allemaal draait met de auto ‘naar verre oorden’ vertrekt.

Rosalina heet ze. Dochter en – al net zo belangrijk – kleindochter. Van een vader en grootvader die het na elkaar voor het zeggen hadden in de Braziliaanse kustplaats waar het verhaal zich voltrekt. Grootvader regeerde met harde hand, vader al wat milder, maar bij allebei geldt dat hun tijd was gekomen. Zo bezien zijn ze de laatsten van hun soort. Wat rest is hun huis, hun dubbele huis. De vader van Rosalina, Joan Capistrano Honório Cota – zelf sprak hij altijd zijn naam helemaal uit, anderen noemen hem onderling kolonel Honório – bouwde een extra verdieping op het pand dat zijn vader in de stad had laten bouwen. Letterlijk voortbouwen op.

Na haar vader’s dood woont Rosalina er alleen, dat wil zeggen: samen met haar stomme, maar niet dove, dienstmeid Quiquina die alles bestiert en regelt – de onbetwiste andere vrouwelijke hoofdpersoon van de roman.

Verteller gebruikt soms de wij-vorm

Rosalina is even mooi als breekbaar, denkt de bevolking, een oordeel dat is gebaseerd op de zeldzame keren dat ze zich heeft laten zien. Ze blijft een enigma, wat de nieuwsgierigheid naar haar, en de roddel over haar, alleen maar doet toenemen. Dourado verwoordt het meesterlijk door in delen van de roman een verteller op te voeren die de wij-vorm gebruikt. Zo wordt de bevolking het koor dat het huis en de bewoners beloert en becommentarieert.

Ziet ‘wij’ haar een keer, bij de dood van haar vader, dan merkt de verteller dit op: ‘Er was niets dat we niet zagen, ook al zagen we niets. Je kon de ademhaling horen, het kleinste geluid, alles product van de verbeelding’.

Het is deze bravoure die het zo’n verrukkelijke roman maakt. Dourado is een woeste schrijver, hij is even onversaagd als de kolonel en zijn vader en hij deinst nergens voor terug, als de vertelling maar voortstuwt. Innerlijke monologen wisselt hij moeite- en achteloos af met perspectiefwisselingen. Het is deze ‘de dood of de gladiolen-mentaliteit’ die de Latijns-Amerikaanse romans kenmerkt. Het is geen continent voor bange schrijvers.

Een man, nee, Rosalina moet er niet aan denken. Ze maakt kunstbloemen en drinkt ’s avonds stiekem – maar voor wie stiekem? De bevolking weet het niet, alleen Quiquina, want het is de dienstmeid immers die die flessen moet kopen. Voor haar, Rosalina, staat de tijd stil, gesymboliseerd – vrij opzichtig – door de horloges en klokken die na de dood van grootvader en vader in het huis zijn stilgezet.

Stukken samenvoegen tot een verhaal

Waar Quiquina stom is, maar niet doof, heeft José Feliciano (niet de zanger van ‘Windmills of your mind’ en ‘Felix navidad’) een oog waarmee hij bijna niets mee ziet. En zo hebben alle personages hun eigen beperking die ook maakt dat hun wereld klein is. Bij herlezing valt op hoe vaak Dourado niet schrijft over een geschakeerd, versplinterd wereldbeeld. Al vroeg in de roman: ‘Het is nu eenmaal zo dat mensen de stukken samenvoegen tot een uitgebalanceerd verhaal, er gewicht en maat aan geven, alles ordenen volgens een schema, proporties, symmetrie, een ritme zoeken.’ Het bijeen brengen van beelden, van splinters, van ideetjes heeft op alle lagen in de roman plaats.

Maar bedenk:  ‘Er was niets dat we niet zagen, ook al zagen we niets (…), alles product van de verbeelding’.

Feliciano is de enige die tot het huis weet door te dringen, door simpelweg aan te bellen, wat verder niemand durft. Quiquina wil hem meteen wegsturen, maar Rosalina geeft hem een kans als tuinman en manusje-van-alles. Feliciano deelt de fascinatie voor Rosalina met de bevolking, maar hij zwijgt over haar als hij kroegen, markten en bordelen bezoekt. In zijn ene oog wordt ze steeds mooier – alles product van de verbeelding.

Woeste paringen en een zwangerschap

Op een avond vindt hij de achterdeur open – foutje van Quiquina – en sluipt naar boven. Zijn geregelde bezoekjes nadien monden uit in een aantal woeste paringen en die weer in een zwangerschap. Dan is het tijd voor Quiquina om de macht te grijpen.

De avonden die resulteren in de zwangerschap en de zwangerschap zelf, de beschrijvingen daarvan koken en kolken. In een maalstroom van barokke lange en soms kortademige korte zinnen is Dourado op zijn best. Een verademing tussen de aangeharkte perkjes en veilige binnen-de-lijntjesliteratuur die vandaag de dag zo gebruikelijk is. Dit dampende leesavontuur is bijna zestig jaar oud, maar is moderner dan menig roman van nu.

Autran Dourado: Opera der doden. Vertaling en nawoord Harrie Lemmens. 260 p’s. Koppernik.

Foto: In Memoriam Day