Pas honderd pagina’s voor het einde komt Hari Kunzru met de echte naam van het hoofdpersonage. Een sleutelmoment in zijn roman Blue Ruin.

Natuurlijk denken schrijvers bij alle bordjes die ze draaiende moeten houden ook na over hoe ze de naam van het hoofdpersonage bekend kunnen maken. Een eenvoudige, beroemde aanpak is deze van Gerard Reve in De avonden:
‘Het was nog donker, toen in de vroege morgen van de tweeëntwintigste december 1946 in onze stad, op de eerste verdieping van het huis Schilderskade 66, de held van deze geschiedenis, Frits van Egters, ontwaakte.’

Zo weet de lezer niet alleen meteen dat Frits van Egters een held is, maar ook dat de verteller een stevige vinger in de pap heeft en de lezer direct aanspreekt – zie ook dat ‘onze’. Vroege ochtenden in december zijn sowieso donker, maar dit terzijde.

Geregeld krijgen de hoofdpersonages/helden in romans geen namen. De naamloze hoofdfiguur moet het maar zonder doen. Zeker als de lezer het hele verhaal in het hoofd van de held bivakkeert en haar of zijn gedachten leest, kan zo’n naam ook ontbreken. Hoe vaak noem je tegen jezelf je eigen naam?

Ik vermoed maar zo dat schrijvers niet plompverloren de naam willen laten vallen, maar er een serieus spel van maken. Nelleke Noordervliet heeft een aardig moment gevonden om de heldin van haar brandend actuele roman Het bewind van de gelukkigen een naam te geven – afgezien van het feit dat de lezer die naam al weet omdat die op de achterkant van het boek staat vermeld, wat verboden of in ieder geval vermeden zou moeten worden.

De vrouw is verhuisd naar een dorp en al snel belt de knorrige buurman aan. Desgevraagd zegt hij dat hij Bob heet. Zij antwoordt: ‘Goeiemorgen, Bob. Ik ben Sophie Roth en ik woon hier. Sinds gisteren.’

We zijn dan op pagina 14, dus Nelleke Noordervliet had geen zin het moment te rekken. Hoe anders is dat bij Hari Kunzru. Zijn roman Blue Ruin kan niet genoeg geprezen worden. Om allerlei redenen – verhaal, actualiteit, subtiliteit, theorieën over kunst, tijdbeeld – en zeker ook om het moment dat de lezer achter de naam van de hoofdfiguur komt. De lezer kent hem al 142 pagina’s als Jay, een verlopen kunstenaar die in de coronadagen voedselpakketten en boodschappen aflevert in en om New York. Al op de eerste pagina wordt hij herkend door zijn oude liefde Alice, ze hebben elkaar twintig jaar niet gezien. Zij woont in een afgelegen landhuis met haar man Rob, een oude vriend en con-collega van Jay. Ook Rob’s galeriehouder en kunstkenner is er, Marshall. Deze man heeft Jay eerst onder schot gehouden, maar Alice zorgt ervoor dat haar ex binnen mag komen. Er ontspint een gesprek – ook zo goed, de dialogen – en dan komt het moment dat Marshall Jay herkent zonder hem eerder te hebben gezien.

‘Oh my God! I think I know who you are!” He turned to Nicole (een vriendin – T.H.). “You know who that is?”
“No.”
“Jason something. Gaines. Gates.”
“Who?”

Het is voor het eerst in vele jaren dat Jay zijn eigen naam hoort. ‘I felt disoriented. For years, I had lived away from the art-world. Now this man I’d never met, a New York gallerist, was saying my name as if someone ought to know who I was.’

Dat Marshall hem vervolgens vergelijkt met de verdwenen en doodverklaarde Nederlandse kunstenaar Bas Jan Ader is een apart verhaal waard. De introductie van Jay’s volledige naam is briljant gedaan. Op een essentieel moment voor hem – en daarmee de roman – wordt Jay op zijn eigen vergeten dan wel afgelegde vroegere identiteit gewezen.

Foto: Maarten Raaphorst