Op 26 december is Leonard Nolens overleden. Hij werd zijn leven lang gezien als een van de grootste dichters van het taalgebied. In 2012 werd hem de Prijs der Nederlandse Letteren toegekend. Hier de herdruk van een interview ter gelegenheid daarvan uit november van dat jaar.


door Theo Hakkert


Dichter Leonard Nolens ontvangt vrijdag uit handen van de koningin de Prijs der Nederlandse Letteren. “Ik kan me niet voorstellen dat mensen overleven zonder te schrijven.”

Hij schuift een dik gordijn opzij. “Het hangt er om de warmte binnen te houden.” De schrijfkamer van Leonard Nolens (geb. 1947) in Antwerpen heeft iets van een monnikencel. Een sobere ruimte is het. Vierkant, witte muren – op een boekenkast na. Een houten tafel, zijn eenvoudige stoel. Niets leidt de dichter af.

Aan u is de Prijs der Nederlandse Letteren toegekend, de belangrijkste prijs in ons taalgebied. Een grote eer.
“Ik ben uiteraard blij, maar ik ben ook bang voor de aandacht. De aandacht houdt mij weg van deze tafel en hier moet het gebeuren. Je bent bang dat er in de buitenwereld een beeld van je ontstaat en dat je daaraan gaat beantwoorden op den duur. Terwijl ik iemand ben die, zoals een ambachtsman, ’s morgens naar zijn studio gaat en hier zo goed mogelijk zijn werk tracht te doen. Misschien klinkt het raar, maar leven als een dichter houdt voor mij in dat je elk moment van de dag bereid bent om iets te maken. Dat niemand jou van je tafel weghoudt.”

De dichter als vakman, nadrukkelijk als beroep.
“Ik ken schrijvers die zeggen: toen ik zestien was, wist ik dat ik schrijver zou worden. Dat had ik helemaal niet. Ik had nooit kunnen denken of dromen dat dit mijn leven zou worden. Ik heb een beetje gestudeerd. Ik heb ontdekt dat ik niet in staat was in deze samenleving een beroep uit te oefenen, een functie te hebben. Het is bijna door eliminatie van de andere mogelijkheden het enige geworden – het dichter zijn – wat overbleef.”

Leonard Nolens praat over zijn werk graag in termen van ambacht. Dan kunnen mensen zich gemakkelijker voorstellen wat hij doet. Kwam hij eens voor een routineonderzoek in het ziekenhuis en gaf hij ‘schrijver’ als professie op, dan vroeg de verpleegster: ‘Voor welke krant?’ 
In 1980 ontmoette hij in een hotelbar in Chicago een dame. Toen hij zich ‘dichter’ noemde, zette ze haar glas op de toog en liep schaterend weg. “Voor mij is het dichterschap een realiteit. Voor de meeste mensen niet.”

Hoe belangrijk is de ambachtelijke techniek voor het dichten zelf?
“Laat ik het zo zeggen: in Manieren van leven, de bundel met gedichten van 1975 tot nu, zijn de eerste bundels niet opgenomen omdat ik toen te weinig afstand had tot mijn woorden en mijn leven. Mijn eerste bundel heb ik gepubliceerd toen ik 22 was. De liefde voor de woorden was nog kalverliefde. Ik had wel woorden, maar geen taal, nog geen eigen stijl. Ik had mijn poot, zoals de schilders zeggen, nog niet gevonden. Maar ik heb die nog altijd niet gevonden – en dat is goed, want anders ga je op routine. Dan zeg je: ‘Ik maak straks wel een sonnetje’.”

Groepen gedichten hebben bij u soms wel een repeterende, vaste vorm.
“Je brengt zelf een vorm aan, niet een door de traditie aangereikte vorm. Het ene gedicht zet een mechaniek in werking, waardoor vijf, zeven, tien, soms twintig gedichten ontstaan. Als ik straks een gedicht krijg en als ik vind dat er verder nog muziek in zit, ontstaan ze achter elkaar. In een periode van weken, soms maanden.”

De dagboekpagina’s heb ik lang beschouwd
als incubatietijd voor de gedichten

Op tafel liggen twee bijna even dikke boeken. Het een is rood, het ander blauw. Het rode is het dagboek dat Leonard Nolens heeft bijgehouden tussen 1979 en 2007. Het blauwe is Manieren van leven. Zijn gedichten. Hoe ziet hij het verband tussen zijn dagboek en poëzie? 
“De dagboekpagina’s heb ik lang beschouwd als incubatietijd voor de gedichten. Het was een manier om, ook als je geen dichtregel krijgt of bezig bent, toch de aandacht gaande te houden. Wat Ida Gerhardt noemt: de aandachtigheid. Een dagboek bijhouden is ook een manier om vorm te geven aan je leven. Het is niet de anekdotische neerslag van wat ik heb meegemaakt, het is ook een creatie. Je zet een denkbeweging op gang. Om dingen aan de weet te komen die je nog niet wist.”

Zelfonderzoek op een leeftijd van twijfel. Wie was Leonard Nolens nou eigenlijk in 1979, vroeg hij zich af. ,,Het was in de eerste plaats een manier om te overleven. Je bent 32, je hebt een aantal bundels gepubliceerd waarvan je vindt dat ze te weinig – laten we dat commerciële woord maar gebruiken – respons hebben gekregen. En al helemaal in Nederland. Je verliest kennissen en vrienden, die op de klassieke manier een baan en zo een identiteit verwerven. En jij, jij vereenzaamt. Rond je dertigste wordt van je verwacht dat je de aanzet tot een functioneren in de samenleving bereikt hebt. Ik had het gevoel dat ik niks bereikt had en niemand was. Vanuit dat gebrek aan identiteit, denk ik, ben ik begonnen aan dat dagboek. Wat wil je nou eigenlijk met je leven? Je bent 32 en je staat nergens.”

Mettertijd is het mijn droom geworden dat ik zo veel mogelijk disciplines – het verhalende, het beschouwende, het beeldende, het muzikale – bij elkaar kon brengen in mijn gedichten

Vijf jaar geleden heeft u het afgesloten. Waarom?
“Ik wilde dat dagboekachtige, als het zich aandient of voordoet, integreren in mijn gedichten. Mettertijd is het mijn droom geworden dat ik zo veel mogelijk disciplines – het verhalende, het beschouwende, het beeldende, het muzikale – bij elkaar kon brengen in mijn gedichten. Zo dat het de summa werd van verschillende disciplines. En dat is iets wat ik zelden tegenkom in onze poëzie. Ik vind weinig generatiegenoten die dat ook proberen. Dat een gedicht niet alleen poëtisch is, maar dat het ook veel meer is. Dat het je aan het denken zet, je een verhaal vertelt. Dat je een redenering volgt.” 
Leonard Nolens slaagde daar in met de bundel Bres, waar hij, met onderbrekingen, tien jaar aan heeft gewerkt. ,,In Bres is alles samengestroomd. Het heeft niet het ‘ik-gerichte’ en intimistische wat poëzie vaak heeft.”

Terwijl ‘het ik’ in al uw werk wel degelijk belangrijk is.
“Ik schrijf ergens in een gedicht dat ik het persoonlijk voornaamwoord het voornaamste woord vind. Toch kun je nooit alleen voor jezelf spreken en voor jezelf schrijven. Op het moment dat je woorden gebruikt neem je automatisch andere mensen in de mond. Op het moment dat ik praat, gebruik ik woorden die ik van andere mensen cadeau heb gekregen. Die taal heb ik niet zelf uitgevonden. Datgene wat ik zeg hier, in de aandachtige stilte van mijn werkkamer, die taal is van anderen. Dus als ik die gebruik, richt ik me automatisch ook tot anderen. Zelfs al heb ik het over heel intimistische dingen.” 
Het woord ‘afgerond’ valt. Leonard Nolens kan er niets mee. “Een kunstenaar kan niet achterover leunen en zeggen: nu is het voltooid. Ik kan me niet voorstellen dat mensen overleven zonder te schrijven.”

Je wilt iets maken dat jou overleeft. Zoals ik altijd zeg:
ik wil niet dat er rotzooi op mijn grafsteen staat

Philip Roth is gestopt.
“Ik wist niet wat ik las. Het werk is nooit af. Een gedicht is al nooit af. Je staat het af, omdat je het beu bent. Je wilt het de deur uit hebben. Het heeft altijd te maken met doorgeven. Ik heb het sterke besef van een traditie. Dichten doe je onder de koepel van de voorgangers waar je hoe dan ook onder zit. Je wilt iets maken dat jou overleeft. Zoals ik altijd zeg: ik wil niet dat er rotzooi op mijn grafsteen staat. Maar terwijl je werk nooit af is, wordt het achteraf bekeken als een entiteit. Het wordt dan hopelijk voortgeschreven door de lezer. En als het goed is, neemt die zelf wellicht de pen ter hand en zet het voort. Echte erkenning zou zijn als er een antwoord zou komen. Want eigenlijk zijn alle boeken die je schrijft vragen.”

Over erkenning gesproken, u bent officieus kandidaat voor de Nobelprijs.
“Is dat zelfs tot in Nederland doorgedrongen? Wat moet je met zo’n bericht? Ik vind het eigenlijk jammer dat u erover begint, want ik denk er nooit aan, nooit. De wereld mag je niet dwingen op je lauweren te rusten.”

(uit Tubantia en andere GPD-bladen, 24 november 2012)

foto: Herman Schartman