Geen afscheid maar een afronding. Dat is Departure(s), het nieuwste boek van Julian Barnes. Hij sprak met Ian McEwan in Londen over oude honden, lezen en doodgaan. 


door Kari-Anne Fygi


‘Ik sprak een man in het vliegtuig en hij zei dat de Derde Wereldoorlog eraan komt. He was very knowledgeable,” zegt de vrouw achter mij in de rij tegen haar vriendin.
Gelukkig heeft Julian Barnes zijn laatste roman alvast geschreven, denk ik. Dat scheelt gemist plezier als de toekomst korter blijkt dan gedacht.
Binnen in de kerk waar we voor in de rij staan, wacht wel een soort van einde. Die van een schrijver die zijn oeuvre afrondt. Maar de 80-jarige gaat niet uit als een nachtkaars, hij doet een mooie promotie-ereronde met Departure(s), een toepasselijke titel voor zo’n laatste boek. In het Nederlands vertaald als Vertrek(punt).

Officieel verschijnt het op 22 januari, maar in Londen liggen al dagen daarvoor gesigneerde exemplaren in de winkels. Zoveel, dat een ongesigneerde eerste druk wellicht zeldzamer is in de toekomst. Als die nog komt, natuurlijk.

De grote aftrap voor het laatsteboekgebeuren is een gesprek met collega Ian McEwan in Union Chapel in Londen. Dat is een kerk waar ook events worden georganiseerd. Een gesprek tussen twee grote Britse auteurs dus, die al zo’n 50 jaar met elkaar bevriend zijn. Met 850 luisteraars in de kerkbanken.
Het is geen zwaar afscheid, daar in Union Chapel op 20 januari. Net zo min als het boek dat is. Er gaat nog niemand dood en Barnes zal blijven schrijven, al zijn het geen romans meer. 

‘Alleen als ik schreef, was ik zelfverzekerd’

Hij blikt terug op zijn carrière: 45 jaar, 15 romans, talloze essays en meer. “In het begin had ik niet het idee dat iemand op mij zat te wachten”, zegt Barnes. En dat terwijl hij in 1983 onder het kopje ‘Best of Young British Novelists’ werd geschaard. 20 schrijvers die een generatie zouden definiëren. Martin Amis hoorde daar ook bij, net als Salman Rushdie, Pat Barker en Ian McEwan.

“Ik was pijnlijk verlegen”, zegt hij. “Nooit iets van gemerkt!”, veinst McEwan verbaasd. Barnes: “Alleen als ik schreef, was ik zelfverzekerd. En daarnaast, Martin stal alle zelfverzekerdheid in die tijd.” Martin krijgt geen achternaam in de kerk mee. Dat is ook niet nodig.

(tekst gaat verder onder de foto)

Julian Barnes staand, Ian McEwan zit. Foto: Kari-Ann Fygi

Eerste zinnen

McEwan haalt een zin aan die hij als perfect beschouwt: “The old man stood as close to the window as the soldier would allow.” Het is de eerste zin van Barnes’ The Porcupine (Het Stekelvarken 1992). De schrijver van de zin kijkt verbaasd. “Is dat zo?” Hij weet het écht niet meer.
Voor McEwan zijn eerste zinnen als het binnenkomen in een drukke kamer: “Iedereen valt stil, en de schrijver begint te spreken”. Barnes knikt.

McEwan meent dat Barnes’ romans gedoopt zijn in diens leeservaringen. Iemands lezen wordt iemands ervaring en dat geeft het schrijven vorm. Dat heeft Barnes regelmatig gezegd, weet hij. Barnes: “Maar het schrijven moet natuurlijk net zo doordrenkt zijn van de feiten van het leven.”
Toch is het wel zijn tip als McEwan vraagt of hij advies heeft voor jonge schrijvers in deze tijd van ontlezing: “Lees, lees en lees.” 
Hij leest zijn eigen werk vóór publicatie vijf keer: pas dan weet hij of het goed is. “Niemand anders leest het vijf keer”, zegt hij droogjes.

De hond die niet wist dat hij een hond was

Wanneer het gesprek verschuift naar Jimmy, Barnes’ oude Jack Russell in Departure(s), blijkt dat Barnes een uitspraak van zijn vriend in het boek heeft verwerkt.
“Toen Jimmy tijdens een bezoek brutaal en ongegeneerd de etensbak van jouw hond leeg at, zei ik: ach, hij weet niet dat hij een oude hond is. ‘Een oude hond?” riep jij, ‘hij weet überhaupt niet dat hij een hond is!’
McEwan: “Maar het was dan ook een hele bijzondere hond.” Barnes: “Hij wist wel precies hoe zich te gedragen als een hond.” 

Sterven

Is het erg om te sterven? “If death is the unequivocal and permanent end of our existence, the question arises whether it is a bad thing to die”, citeert McEwan de Amerikaanse filosoof Thomas Nagel. “Ja”, zegt Barnes die een zeldzame vorm van bloedkanker heeft. “Ik schreef al eerder (in Nothing to be Frightened of, (2008) red.): I wouldn’t mind dying so long as I didn’t end up dead afterwards.” Barnes wil in ieder geval niet sterven als hij bezig is met een boek, zegt hij. Hij wil de regie in eigen handen houden.

McEwan twijfelt of Barnes écht gaat stoppen: “Je mag altijd op je woorden terugkomen.” Maar Barnes lijkt opgelucht dat hij zijn oeuvre kan afronden zonder losse einden.
Als Barnes de laatste zinnen uit Departure(s) aan het kerkpubliek heeft voorgelezen, zijn dankwoord aan de lezer, duurt het applaus lang. Voor een schrijver die weet hoe je een kamer binnen treedt en weer verlaat. Net als bij een echt einde.

Julian Barnes: Vertrek(punt)
Vertaling van Departure(s) door Jelle Noorman
192 p’s, hardcover met omslag
Uitgeverij Atlas Contact