over We moeten ‘misschien’ blijven denken van Esther Jansma
door Kamiel Choi
De laatste bundel van een dichteres, die zich ervan bewust was dat het de laatste werd, is door dat gegeven reeds ontroerend. Toen ik mezelf door een gelukkige samenloop van omstandigheden in de gelegenheid zag om We moeten ‘misschien’ blijven denken van Esther Jansma te bespreken, greep ik deze kans, en haar bundel, met beide handen aan.
In mijn handen houd ik de afbeelding van een gebarsten eierschaal op het omslag. Het eitje leren we kennen in het gedicht ‘Zoek’ uit de afdeling Eitje en het universum. Het is een brutale vrager die niet tevreden is met het agnostische antwoord (‘ik weet niet waar we zijn’), noch met het sciëntistische antwoord (‘We zijn meervoud, met velen, we zijn massa’s / geworpen door oneindig toevallig zwart’). Het eitje blijft vragen: wie ben ik.
We weten het niet. We kunnen niet anders dan ‘misschien’ blijven denken. De manier waarop Jansma dat doet is de splitsing van het zelf in verschillende personages, zodat we nooit in zelfzekerheid geheel met eentje samenvallen. Dietske Geerlings noemt die personages ‘ikken’ in haar prachtige recensie van deze bundel. Ik [sic] denk dat dat tekort schiet: voor ‘hoofd’ zijn ‘Oud’ en de ‘Romanticus’ net zo ander als andere mensen. De zin van de splitsing in meerdere persona’s is dat het de vele stemmen in onze ‘binnenwereld’ niet verikt, maar juist als vreemden herkent, zodat we kunnen ervaren hoe nabij vreemden ons zijn.
Een van de mooiste gedichten uit de bundel is ‘Ga’, waarin het oudere zelf naar het dodenrijk vertrekt.
Ik stuur haar naar de overkant als er geen brug is
het ravijn in de helling van de doornen af
over de grijze keien van de uitgedroogde beek
de oneetbare lijken van talloze vissen
steil omhoog weer dwars door de stekels omhoogen daar staat ze nu. In de kaalste verste staat ze.
O, wat wilde ik dat alles anders voor haar was.
O, wat ben ik blij als ik haar iets kan geven
hier middenin het leven aan de goede kant.Wat staat ze daar met haar armen naar me te zwaaien?
Wil ze daar in haar wildernis nog een gesprek?
Denkt ze dat iemand van ons haar nog kan verstaan?
Is haar vertrek wel tot haar doorgedrongen?
Antwoord: misschien. In mijn bespreking van haar bundel Rennen naar het einde van honger citeerde ik uit een interview dat ze gaf met de Groene Amsterdammer: ‘Misschien is dat wel mijn persoonlijke benadering van zowel het schrijven als de wetenschap: verzet tegen een diep besef van machteloosheid.’
Dat verzet krijgt in deze bundel vorm door de splitsing in drie personages: het hoofd, de Romanticus en Oud. Het hoofd zou kunnen staan voor tijdloosheid, de Romanticus voor het kind (‘En met jullie goedvinden ga ik nu weer gewoon een kind zijn’) en Oud is het personage dat in ‘Ga’ naar de overkant wordt gestuurd. Maar de dodenrivier Styx is uitgedroogd, we hoeven de veerman Charon niet meer te betalen om door het giftige water naar de overkant te komen. In plaats daarvan kwellen we ons zelf door de ‘helling van de doornen’, over de grijze keinen van de uitgedroogde beek en weer omhoog aan de andere kant. Een zeer pijnlijke oversteek, maar onze verbeelding blijft overeind: we kunnen ons die persoon ‘in de kaalste verte’ voorstellen en dat ze naar ons zwaait.
In de laatste afdeling, Vloeibaar landschap, schrijft Jansma:
Je beweegt door het leven
tot je daar weg benten het hele leven blijft en begint.
Dit herinnert mij aan Gerrit Komrij’s gedicht Alles blijft: “Er was een vriend aan wie ik heb geschreven, / Een rots waar ik mijn naam in heb gekerfd. / Je bent een deel van alles bij je leven / En alles blijft bestaan wanneer je sterft.” (toevallig heet de poëziepodcast van Human ook ‘wat blijft’ en maakten zij een mooie aflevering over Esther)
Het grootste contrast tussen deze twee gedichtflarden, en de poëtica’s erachter, zit in het ritme. De muziek in Esther Jansma’s woorden is weerbarstiger omdat het geen eenvoudig metrum heeft. Komrij’s letterlijk lichtvoetige vers is een barokorkest en Jansma klinkt meer als het Adagietto van Mahler. Ervaar dat in het slot van het gedicht ‘Word’:
en weet: de wolken weten niet van de regen
het water weet niet van de bladeren
waaruit het muziek slaat, ritmes, taalen de snelle zilveren aanrakingen
die leven heten en beweging
kennen de druppels op mijn gezicht nieten straks ben ik dit alles allemaal.
Toch is lichtvoetigheid nodig. Het nieuwsgierige kind, het piepende kuiken, ‘Esthertje’ met wie ze op sociale media een dialoog voerde: stemmen die verlichten. Niet voor niets sluit de dichteres op 28 september 2024 haar epiloog af met een gedicht uit Rennen naar het einde van honger, ‘Dit is niet een giraffe’ waaruit ik hier slechts dit citeer:
Hij ging dat ook doen, omdat er maar één ding op zit,
leven, dit ene leven, dit alles tegelijk.
Op 17 juni 2024 schreef ze op sociale media:
Esthertje: ‘Ben je zo verdrietig?’
Grote Esther: ‘Ja, ik wilde niet weg.’
Esthertje: ‘Wacht even, nu zijn we er nog.’
Op het gevaar af dat het zalvend of kitscherig klinkt: in deze prachtige bundel is Esther Jansma er nog en door haar te lezen zijn we allemaal een beetje kleine Esthertjes.
Esther Jansma: We moeten ‘misschien’ blijven denken
2025, Uitgeverij Prometheus, 72 blz, isbn 978 90 446 5833 0
Kamiel Choi is dichter en schrijver. Hij studeerde filosofie in Tilburg en Berlijn en woont met zijn vrouw en dochter in Den Bosch. Hij verzorgt poëzielessen en organiseert een maandelijkse literaire salon.