door Jona Lendering


Het was niet Napoleon die, toen hij een team geleerden meenam naar het front, Egypte ontdekte. Al eerder waren er Griekse reizigers, zoals Herodotos van Halikarnassos, die een priester interviewde over de bronnen van de Nijl. Er was de Romeinse officier Ammianus Marcellinus, die een correcte vertaling wist te geven van de hiëroglyfen. Er was kalief Al-Ma’mun, die de Grote Piramide opende en daar een mummie vandaan haalde. En er zijn altijd Egyptenaren geweest die naar de aloude monumenten keken, zich afvroegen wat dat waren en zo grondslagen legden voor wat nu egyptologie heet.

Egypte als ontdekking

Het is dan ook terecht dat de huidige expositie in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden, gewijd aan het ontdekken van Egypte, begint met Egyptische visies op het antieke Egypte, en pas daarna de West-Europeanen voorstelt aan de museumbezoekers: eerst kunstenaars als Cornelis de Bruijn, later ook wetenschappers. Die laatsten vormen een rode draad door de tentoonstelling, waarin veel filmpjes zijn te zien van onderzoekers die hun werk uitleggen: onderzoek naar de volksverhalen waarmee de geïslamiseerde bevolking de faraonische monumenten duidde, opgravingen, röntgenonderzoek naar een krokodillenmummie, de chemische analyse van goud, museale ethiek.

Ik ben blij met deze uitleg. Een kwart van de vragen die het publiek stelt, komt namelijk neer op “hoe weet je wat je zegt te weten?” Als een geesteswetenschappelijke instelling een publicitaire storm te verwerken krijgt, zoals de laatste tijd regelmatig gebeurt, is daaraan strijk en zet ruimte geboden doordat is verzuimd het wetenschappelijk proces en zijn methoden proactief uit te leggen.

(tekst gaat onder de foto verder)

De mummiekisten van Amenhotep
Foto: Jona Lendering


Antiquarisme

Behalve aandacht voor de ontdekkers is een deel van de Leidse expositie gewijd aan wat nu eigenlijk is ontdekt. In feite wordt de museumbezoeker hier zelf ontdekker, maar helaas is juist dit deel wat fantasieloos. Het gaat om de traditionele thema’s die zijn te vinden in vrijwel elk museum met een egyptologische collectie. Dagelijks leven in het oude Egypte (in Leiden nu uitgelegd aan de hand van de opgraving van het dorp Shokan). Religie in het oude Egypte (uitgelegd aan de hand van een voorspelbare verzameling bronzen godenbeeldjes). De dood in het oude Egypte (uitgelegd met mummiekisten).

De meeste van de getoonde voorwerpen behoren niet tot de vaste Leidse opstelling; ze komen uit het rijke depot. Voor een fanatieke oudheidliefhebber is hier dus veel nieuws te zien, en aangezien ik een fanatieke oudheidliefhebber ben, heb ik hier een aangenaam anderhalf uur doorgebracht. Vooral fijn is dat voorwerpen die bij elkaar horen maar verdeeld zijn geraakt over de collecties Leiden en het Louvre in Parijs, nu samen komen. Maar het gekozen thema’s zijn dus meer van hetzelfde.

Om precies te zijn: meer traditioneel antiquarisme. Daarmee bedoel ik dat egyptologische collecties nogal eens aspecten van het leven documenteren, maar er geen sociaalwetenschappelijk verhaal van brouwen, terwijl archeologen toch beweren dat ze een sociale wetenschap beoefenen. Dit komt beter uit de verf in de musea uit het voormalige Oostblok, die minder kunsthistorisch georganiseerd zijn en de oude culturen plaatsen in de opvolging van maatschappijtypen. Zij benadrukken bijvoorbeeld handel en de internationale context in plaats van de weinig verrassende grafcultuur.

(tekst gaat onder de foto verder)

Een model van een graanopslagplaats, meegegeven in een graf.
Foto: Jona Lendering


Sterke punten

Ik zou zelf dus andere doelen hebben gesteld, maar denk ook dat de conservatoren de doelen die zij stelden, hebben gehaald. De expositie heeft bovendien een paar heel sterke kanten. Om te beginnen zijn, zoals ik al opmerkte, stukken samengebracht die samen horen en zelden samen zijn. Dat kan een grafensemble zijn of een verzameling gouden sieraden. Het ruimhartige internationale leenbeleid van de musea werpt vruchten af.

Een tweede sterk punt, dat ik ook al noemde, is uitleg van wat oudheidkundigen nou eigenlijk doen. Daar had weliswaar uitleg bij gemoeten van het proces van hypothesevorming en -toetsing, maar het is een stap in de goede richting. Oudheidkundigen doen echter meer dan ontdekken en onderzoeken: ze verzamelen ook, en het is goed dat het museum aandacht besteedt aan verzamelgeschiedenis. Superslim gekozen was de verwijzing naar de mummies die ooit hingen in het Leidse Theatrum Anatomicum. Dat is immers slechts 500 meter verderop te zien in het Boerhaavemuseum.

Menselijke resten ophangen: zo nonchalant gaan musea nu niet meer om met zulke delicate voorwerpen. Ze ontbreken dan ook op de Leidse expositie, en daar ben ik blij mee. Niet alleen getuigt die keuze van respect – “het gebod tot naastenliefde strekt zich uit tot het verleden, tot de tot geschiedenis gewordenen”, zoals de Nederlandse historicus Arie van Deursen weleens zei – maar je boekt ook kenniswinst door in plaats van een mummie een röntgenfoto te tonen.

(tekst gaat onder de foto verder)

Een model van een schip, meegegeven in een graf.
Foto: Jona Lendering

Nederlandse diepgang

En dan is er het modieuze thema van de inclusiviteit. Ik heb daar een uitgesproken mening over, namelijk dat een tentoonstelling zich kan richten op specifieke doelgroepen, maar dat het gebouw toegankelijk moet zijn voor iedereen. Een museum heeft een invalidentoilet en ontsluit hogere verdiepingen voor rolstoelers, en het jaagt astmatici en hyperacusispatiënten niet weg met rook- en geluidseffecten. Dat zit in Leiden wel goed.

Ik voor mij ben ook blij dat de Engelstalige uitleg beperkt is gebleven, zodat er voldoende ruimte is voor Nederlandstalige diepgang. Te vaak blijft museale uitleg, doordat ruimte wordt benut om inclusief te zijn voor Engelstaligen, op het onbenullige af oppervlakkig. Niet iedereen zal het eens zijn met mijn prioritering van goede Nederlandstalige informatie boven algemene informatie in de taal van buitenlandse bezoekers, maar ik was nu in mijn nopjes. Al erken ik dat degene die zou zeggen dat de uitleg ook wel in het Arabisch had gemogen, een houtsnijdend argument heeft.

(tekst gaat onder de foto verder)

Faience; 3,5 x 4,3 x 0,5 cm.; Nieuwe Rijk – Derde Tussenperiode (ca. 1550-700 v.Chr.); uit Egypte (verworven tussen 1818 en 1840).
Het wedjat-oog, of het Oog van Horus, is een krachtig symbool van bescherming
en heling. Het amulet werd gebruikt om zowel in het leven als het hiernamaals te ondersteuning te bieden.
Collectie: Rijksmuseum van Oudheden, inv. no. EG-ZM2881
Foto credit © Rijksmuseum van Oudheden (of: © RMO)


Tot slot

Aan het einde leggen verschillende geleerden in een geluidloos filmpje nog even uit wat het belang is van het oude Egypte. Arabiste Petra Sijpesteijn, werkzaam in Leiden, verwoordt het mijns inziens het best: omdat je de wereld leert zien vanuit een ander perspectief.

Het is krek zo. Dat is waarvoor we geesteswetenschappen hebben en waarom er musea zijn voor oudheidkundige en etnografische collecties: om te herkennen dat ons eigen perspectief ook maar een mening is, dat andere visies bestaan en – vooral – dat er redenen zijn waarom anderen denken zoals zij denken en waarom wij denken zoals wij denken. Door het constateren van cultureel verschil en overeenkomst, begrijpen we onszelf beter. De bestudering van de cultuur van de oude wereld, hartstikke voorbij en leerzaam doordat ze hartstikke voorbij is, is welbeschouwd een narcistische bezigheid, maar ik weiger dat belachelijk te vinden.

PS

De expositie in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden duurt nog tot medio maart. Meer informatie hier. Er zijn, zoals gezegd, geen menselijke resten te zien, en die ontbreken ook in de vaste opstelling in de Egyptische afdeling. Dat maakt het ook voor kinderen wel zo toegankelijk. Voor hen is er momenteel ook een niet enge tentoonstelling over antieke monsters, die in elk geval de door mij meegenomen deskundige nog een treinreis lang inspireerde tot meer verhalen.

Discovering Ancient Egypt
T/m 15 maart Rijksmuseum voor Oudheden, Leiden

Info bij de voethuls:
Beschilderde cartonnage (linnen met pleisterlaag), bladgoud, hout; 11 x 23 x 24 cm.; Grieks-Romeinse Periode, 300 v.Chr.-400 na Chr.; uit Sakkara, Egypte (aankoop 1968).
Deze hoes voor de voeten van een gemummificeerde persoon toont diens voeten met sandalen. Aan elke kant van de basis zorgt een afbeelding van het Oog van Horus voor heling en bescherming.
Collectie: Rijksmuseum van Oudheden, inv. no. F 1968/3.2
Foto credit © Rijksmuseum van Oudheden (of: © RMO)