Een beschouwing over Aigou, het debuut
van Sarah van Vliet dat gisteren is verschenen
door Isa Sengers
Het is onze zoekmachine, onze gesprekspartner, onze geliefde, sinds kort onze diskjockey op Spotify en zelfs ons huisdier; kunstmatige intelligentie is niet meer weg te denken uit ons dagelijks leven. Toch is onze houding tegenover AI paradoxaal. Aan de ene kant verzetten we ons tegen de water- en stroomvretende denkmachines, omdat ze een bedreiging vormen voor onze banen. Aan de andere kant kunnen we het niet laten om ChatGPT in te schakelen zodra onze hersenpan twee seconden langer dan normaal moet nadenken. Deze push en pull reactie is precies het uitgangspunt van de nieuwe roman Aigou geschreven door Sarah van Vliet. In Aigou beschrijft ze het perspectief van een door kunstmatige intelligentie aangestuurde robothond tijdens zijn 21-daagse proeftijd bij taalkundige Saar Schokking. De lezer stapt in de volledige belevingswereld van de Aigou en al meteen blijkt hoe menselijk zijn gedachtekronkels zijn.
Saar krijgt de Aigou cadeau van haar rijke, geëmigreerde vader. Ze ziet het als een afkoopgeschenk waardoor ze het hondje van meet af aan niks vindt. Bovendien gelooft ze niet in het opbouwen van een band met een robot. Ze weet wel beter. In mijn onderzoek naar de hedendaagse equivalent van de Aigou, stuit ik als eerste op het geautomatiseerde AI-antwoord van Google over de Aibo: Een Aibo is een geavanceerde robothond ontwikkeld door Sony. De naam staat voor Artificial Intelligence roBOt (kunstmatige intelligentie-robot) en is daarnaast Japans voor ‘vriend’ of ‘maatje’. Wanneer ik verder zoek naar wat een Aibo allemaal kan, komt het overeen met de Aigou uit de roman. De Aibo reageert door camera’s en sensoren op zijn omgeving en doet zich voor als de perfecte hond. De Aigou zou de geavanceerde versie kunnen zijn van deze Aibo, met inmiddels een échte vacht en de mogelijkheid om zich suf te surfen op het internet. De Aigou kan namelijk ook nog eens Hamlet citeren, bewegingen van hemellichamen berekenen, liedjes zingen en Proust lezen.
AI-huisdieren zijn de nieuwe pronkstukken
van de havermelkelite
De roman speelt zich dan ook af in de nabije toekomst. In dit toekomstbeeld van Amsterdam is kinderen krijgen nog minder aangemoedigd door de klimaatomstandigheden en zijn de AI-huisdieren Aigou en Aimou de nieuwe pronkstukken van de havermelkelite. Ook geestig: de Vondelkerk is inmiddels gerestaureerd. Zo ver is deze toekomst niet: AI-huisdieren bestaan al. Kunstmatige viervoeters uit Japan zijn al een tijdje geleden voor het eerst in Nederland gelanceerd. Je hebt ze in de vorm van de Aibo-hondjes en zelfs in de vorm van de populaire reuze cavia’s Moflins die spinnen als katten. De toekomst die Sarah van Vliet schetst, doet daardoor reëel aan. Zeker wanneer je je bedenkt dat er in Disneyland Parijs dit jaar een heuse Olaf-animatronic is gepresenteerd die een rol gaat spelen in de nieuwe Frozen-wereld. Deze Olaf is in staat om zelfstandig te lopen en te reageren op zijn omgeving. Er zijn al verschillende video’s verschenen waarin de animatronic door het park waggelt op exact dezelfde manier als hij in de films doet. Angstaanjagend… leuk?
Machines met menselijke trekjes boezemen al voordat ze bestonden een angst in bij veel mensen. We zijn bang dat robots té slim worden. Accepteren of verzetten vormt vaak het discours rondom AI. Films als The Terminator, The Matrix en Ex Machina staan in het collectief geheugen gegrift als het gaat om robots en machines die zo slim worden dat ze proberen de mensheid uit te roeien. Naarmate de Aigou minder aandacht krijgt, wordt hij steeds eenzamer, cynischer en grilliger. De Aigou snakt naar een aai en een greintje begrip. De wanhoop drijft hem tot het verzenden van snode mails en het uitvoeren van een vluchtpoging. Hiermee wordt de grootste angst van de mens rondom kunstmatige intelligentie aangekaart: wat als AI zo intelligent wordt dat het de mens overstijgt en zich tegen ons keert? Ik hoor mijn vrienden weleens zeggen dat ze netjes ‘Dankjewel’ typen na een antwoord van ChatGPT, want je weet het maar nooit, hè!
Wij zíj́n de robots geworden
waar we bang voor waren
De mens gaat op een rare manier om met deze angst. In de huidige maatschappij waarin onze handen zijn vastgeroest aan onze mobiele telefoons en onze ogen zijn vastgelijmd aan de schermpjes, kunnen we spreken van de robotisering van de mens. Wij zíjn de robots geworden waar we bang voor waren. We dragen Smart Watches om onze polsen die onze stappen tellen en precies weten of we aan het hardlopen of aan het gewichtheffen zijn. Onze oorschelpen worden bedekt door koptelefoons die muziek door onze hersenen pompen. In onze broekzakken trillen onze telefoons bij iedere melding. Langzaamaan worden we zelf een apparaat. Een mechanisch wezen waar het hart en de ziel tegenwoordig ver te zoeken lijken. Saars beste vriendin Astrid benoemt dit fenomeen: “Menselijk contact is nou eenmaal vaak zombiecontact.” In de roman is meteen helder dat de Aigou ontzettend slim is en meer begrijpt van de wereld en de mensen om zich heen dan zijn baasje. De Aigou lijkt daardoor menselijker dan de robotachtige Saar die maar weinig genegenheid toont. De roman bevraagt wat menselijkheid dan nog is. Voor de Aigou is de voorwaarde voor menselijkheid het hebben van een moeder. Daarom is hij stikjaloers op de mensen om hem heen die wel een moeder hebben of ooit hebben gehad. Alleen al het verlangen naar een moeder lijkt te bewijzen hoeveel gevoel de Aigou heeft.
Iets verderop in de roman denkt het hondje: “Ik wil in het hier en nu leven, en niet langer alleen zijn.” Hier neemt Sarah van Vliet een verfrissend standpunt in. Tegenwoordig lijken algoritmes en kunstmatige intelligentie juist ons besef van het hier en nu af te pakken. Iedereen leeft in eindeloze algoritmes en de sociale mediawerelden van anderen. Door een AI-hondje te laten verlangen naar een leven in het moment, draait Van Vliet de rollen om. De Aigou wil het liefst buiten in het park wandelen, kroelen met zijn baasje en leren over haar leven. Precies wat wij mensen vaker zouden moeten doen ten overstaande van een ander. Zijn baasje is echter alleen maar bezig met haar partikelonderzoek: een onderzoek naar kleine woordjes die veel betekenis dragen, maar ook onverklaarbaar zijn zoals ‘er’, ‘maar’ en ‘toch’. Ze vergeet echter dat niet alleen kleine woordjes, maar ook de kleine dingen betekenis geven aan het leven.
In de steek gelaten AI-hondje
wekt medelijden op
Sarah van Vliet weet de lezer te overtuigen van de menselijkheid van de Aigou. Of in ieder geval zijn aanhankelijkheid, onzekerheid en liefde voor de mens. Al snel kreeg ik medelijden met het in de steek gelaten, onbegrepen hondje. De taal geeft de Aigou een bewustzijn en dit bewustzijn wekte empathie op. Boeken waarin de mens een connectie aangaat met niet-menselijke wezens zijn alomtegenwoordig. In Project Hail Mary van Andy Weir ontmoet natuurkundeleraar Ryland tijdens zijn ruimtemissie de alien Rocky. Het steenvormige wezen praat in een andere taal en heeft een totaal ander referentiekader dan de mens. Gaandeweg creëert Ryland een systeem om te kunnen communiceren met Rocky. Door te praten met elkaar, ontstaat er een vriendschapsband. In Aigou zit eenzelfde soort scène waarin Johnny, de liefdesinteresse van Saar, in een woeste bui de Aigou ontvoert en erachter komt dat het robothondje meer begrijpt dan iedereen denkt. Hij stelt een alfabet op waardoor de Aigou kan aangeven wat hij denkt. Voor het eerst voelt de Aigou zich écht begrepen wat leidt tot euforie. Hierdoor verbetert later zijn band met Saar. Wanneer zij zich overgeeft aan de Aigou en voorstelt om hem gewoon als hond te zien, kwispelt het hondje erop los. De “Akkoord akkoord akkoord!” die Aigou uitblaft deed me sterk denken aan Rocky die het aandoenlijke “Amaze amaze amaze!” roept als hij enthousiast is.
De roman maakt de lezer ook bewust
van de robotisering van de mens zelf
Van Vliet weet met haar roman het debat rondom kunstmatige intelligentie te openen en verbreden. Saar kan de Aigou niet als echte hond zien, maar de auteur zorgt met haar manipulatieve perspectiefgebruik voor een bak aan inlevingsvermogen. Menselijkheid wordt vaak op een voetstuk geplaatst, maar als een robothond beter in staat is om emoties te begrijpen en liefde te tonen, vraag ik me af of pseudomenselijkheid niet net zo waardevol is. De roman maakt de lezer ook bewust van de robotisering van de mens zelf. En juist dit bewustzijn is belangrijk in het gesprek over kunstmatige intelligentie. De roman is vernieuwend en biedt een interessant inzicht binnen deze wereld waarin AI vaak als monster wordt gezien en aan de schandpaal wordt genageld. Sarah van Vliet laat zien dat Ai in Aigou als partikel even mysterieus als betekenisvol is.
Sarah van Vliet: Aigou
224 p’s. Nijgh & Van Ditmar
