Schrijver Thomas Rosenboom (69) is voor het eerst sinds vele jaren weer in boekwinkels te zien. Hij heeft een nieuw boek om over te spreken, dertien jaar na de roman De rode loper: een autobiografisch verhaal nu hij drie jaar geleden vader is geworden: Late vader. Hier fragmenten uit het eerste interview, vorige week in de vestiging van Boekhandel Broekhuis in Deventer.

Tegen het einde van het gesprek komt Thomas Rosenboom met een prachtige vergelijking waarin de grote auteur van Gewassen vlees en Publieke werken te herkennen is.

Zie je jezelf als een groot stilist? Daar ben je voor geprezen. Terwijl je in Late vader toch ook een schampere opmerking maakt over een archaïsche stijl: ‘Ik deed aan dit spel niet mee: ik had me beroepshalve al te veel aan die stijl bezondigd.’
Thomas Rosenboom: ,,Daar doe ik wel mijn best op. Met een eigen stijl krijgt het verhaal iets bedwelmends. Als lezer voel je dat je in een aparte wereld bent. Het is net het Boekenbal. Zo’n gala met schouders in lange jurken. Met luister. Dat je eerst denkt: wat ziet iedereen er raar uit. In het begin stoot je elkaar aan: moet je daar eens kijken. Maar na een half uurtje ben je eraan gewend. Het enige dat dan nog overblijft, is een sprookjesachtige sfeer. Daarom stileer ik zo. Maar het belangrijkste vind ik toch eigenlijk altijd simpelweg het verhaal.”

Je bent qua romans gestopt in 2012 met De Rode Loper. Daarna heb je nog wel wat geprobeerd te schrijven, daar komen we nog op terug. En nu is er een nieuw boek: Late vader. Er staat geen genre op. Is het een roman in jouw ogen?
,,Nou, nee, geen roman. Maar ik ben het uiteindelijk toch wel echt een boek gaan vinden. En ook wel een goed boek. Ik was lang in gebreke gebleven als schrijver. Er kwam mij nooit wat bij mij op. En toen ontstond het idee dat ik over dat onderwerp van het latere vaderschap misschien iets kleins, onpretentieus zou kunnen schrijven.” 


OVER SPANNING

In de zomer van 2020 publiceerde je nog wel De grote ronde, een deeltje in de serie ‘Wandelingen’ bij uitgeverij Van Oorschot.
,,Iets in de geest van dat wandelboekje, dat zou nog wel kunnen lukken. Maar toen ik daarmee bezig was, begon ik me weer echt opgewonden te voelen tijdens het schrijven. En ik dacht ook ’s avonds, het wordt best goed. En ik kreeg ook weer diezelfde spanning die ik vroeger altijd had onder het schrijven.”

Maar die spanning vond je toch niet meer zo fijn, of wel?
,,Nee, maar goed, die spanning hield vroeger dan aan zolang als ik aan een boek bezig was. Dat duurde soms al vijf of zeven jaar. Een klein jaar schrijven zoals aan Late vader is natuurlijk wat anders. Maar ik had wel het idee dat ik echt aan het schrijven was.”

Wil dit ook zeggen dat dit makkelijker voor je was? Vergeleken met je grote romans?
,,De eerste paar hoofdstukken wel. Omdat ik toen dacht: het hoeft niets bijzonders te worden. Toen wilde ik het toch ook goed maken. Wat ik vroeger wel eens had. Iedere dag een bladzijde was ongeveer mijn productie. En dan had ik natuurlijk wel eens een dag dat ik een veel betere pagina had dan gemiddeld. Dus daar was ik dan eerst altijd heel blij mee. Ik dacht, nou, het is echt goed gegaan. Maar begon ik te denken dat eigenlijk al die eerdere bladzijdes ook zo goed moesten zijn. Dus in plaats van dat je dan nog blij bent over die één die erg goed is, begin je ontevreden te worden over die andere bladzijden die wat minder waren. En dat had ik met het schrijven hieraan ook zo. De eerste bouwstukken vond ik wel goed genoeg eigenlijk. Maar toen ik erin begon te komen en ik dacht: ik ben nu echt aan het schrijven. Dan moet je de eerdere stukken dan ook gaan optillen.”

OVER STOPPEN EN OPNIEUW BEGINNEN


Ben je weer schrijver nu?
,,Nee, dat niet. Mensen denken altijd: als je schrijver bent, dat je dat serieus altijd bent. Stop je, dan vragen ze zich af: brandde dat vuur dan eerder eigenlijk wel zo heilig? Toen ik jong was had je het verschijnsel van de uittredende priesters. Ik vroeg me af hoe spiritueel die mannen eigenlijk waren. Net als schrijver is het een beroep waarvan je denkt dat het hoort bij een bepaald soort mensen, bij een bepaald karakter en dat dat niet verandert.

Maar een schrijver kan toch ook altijd weer opnieuw beginnen? Ik kan me herinneren dat ik ooit interview deed met Koos van Zomeren, heel lang geleden. En dat hij nieuws voor mij had. Hij stopte met schrijven. Moet je kijken wat hij daarna nog weer geschreven heeft. Dus je kunt toch ook weer beginnen.
,,Ja, maar kijk, je wordt ook ouder. En ik kan gelukkig toch wel met een bepaalde voldoening terugkijken op een paar boeken die ik schreef. En je wilt die reputatie natuurlijk niet onderuit gaan halen met een slecht boek. Ik dacht niet nog in staat te zijn me zoveel jaren achter elkaar zo geconcentreerd met één ding bezig te houden. Als ik erop terugkijk is het toch een onnatuurlijke manier van leven. Dus toen ik vastliep in een boek heb ik het, in plaats van daar enorm gefrustreerd over te raken gewoon erbij laten zitten.”

DE MONDRIAAN

Rosenboom heeft een tijd gewerkt aan een roman met de werktitel De Mondriaan.
,,Een boek dat ik niet helemaal hoefde te verzinnen. Over een man die had geïnvesteerd in een Mondriaan en daar geen afstand van wilde doen toen het doek veel geld waard was geworden, terwijl de mede-investeerders hun aandeel al wel hadden afgestaan. Dit boek kon niet mislukken. Want het verhaal was er al, ik hoefde het niet te verzinnen. Iemand vertelde het aan mij en ik kreeg het hele dossier in handen. Op de een of andere manier kreeg ik dat niet voor mekaar. Maar het is er niet meer van gekomen. Het komt er ook niet meer. Ik heb alle aantekeningen weggegooid. Ik ben echt een verwoede weggooier.”

Een weggooier ben je zeker. Als speelgoed van jouw dochter Anne te lang ergens ligt, gooi je het in de prullenbak.
,,Toen ik nog mijn eigen huishouden had, had ik een systeem. Als ik een overhemd kocht, gooide ik een andere weg. En met schoenen en broeken al net zo. Want ik wilde niet dat er nog meer spullen in mijn huis kwamen. Daar word ik zenuwachtig van, van te veel spullen. Ik ben gaan samenwonen, een jaar of tien geleden. Met mijn vrouw en moeder van mijn dochter. En ja, dan is het anders natuurlijk. Want die wil altijd apparaten in huis. En ik denk, daar hebben wij geen plaats voor. Dus dan krijg je al zo’n rolverdeling… Dat ik altijd tegen iedere aanschaf ben en zij voor.”

Wat mij als muziekliefhebber enorm steekt, is dat je op een gegeven moment zelfs je hele vinylverzameling aan straat hebt gezet.
,,Ik wilde er gewoon van af. Ik was een hele fanatieke platenkoper vanaf mijn zestiende ongeveer. Maar altijd klein behuisd. En toen kwam de cd-speler. Met een klein apparaatje en die schijfjes kon ik met veel minder ruimte toe. Zonder aarzeling en zonder verdriet heb ik alles buiten gezet.”

SCHAAMTE EN HEBZUCHT

In NRC stond een heel mooi interview met jou. Ik haal er een quote uit: ‘Je bent pas goed aan het schrijven als je je schaamt voor wat je schrijft.’ Kun je zeggen wat je daarmee bedoeld hebt?
,,Het is misschien te vergelijken met een sportman die denkt dat hij pas goed aan het sporten als het pijn doet. Ik heb altijd gezocht naar schaamte. Als je een boek schrijft over bijvoorbeeld hebzucht, dan is je hoofdpersoon een hebzuchtig figuur. Maar je maakt hem alleen maar hebzuchtig als je dat trekje zelf ook hebt. En dan vergroot je dat uit.”

Om over hebzucht te kunnen schrijven, moet je hebzucht kennen.
,,Ja.”

Bij een interview, lang geleden, bij een van je grote romans zei je dat je niet over oudere personages kon schrijven omdat je zelf nog niet oud genoeg was. Is dat hetzelfde ongeveer?
,,Ja, een oud personage moet een bepaalde wijsheid hebben.”

Die jij toen nog niet bezat?
,,Nee, dat dacht ik.”

ZE TREKT ZO NAAR HAAR MOEDER

Waar Rosenboom vroeger in grote eenzaamheid alle tijd aan schrijven kon wijden, veranderde dat volledig toen zijn vrouw en hij drie jaar geleden een dochter kregen. Anne. Rosenboom was toen 66 jaar.

,,Het is niet zo dat ik met het schrijven in de knoei kwam, want daar was ik al mee gestopt. Ik kon mijn volledige aandacht aan mijn kind gaan geven.”

En hoe is het je bevallen?
Een lange stilte. ,,Ja, nou ja. Ik weet wel, voor de meeste mensen is het de meest alledaagse onderwerp wat er bestaat. Maar voor mij, voor mij is het heel bijzonder. Ik vind het altijd het fijnst om met mijn dochter te zijn als mijn vrouw er niet bij is.”

Ja? Waarom?
,,Omdat zij zo trekt zo naar haar moeder. Dus als wij met ons drieën samen zijn. Maar mijn dochter, misschien omdat zij nog de borst krijgt, in ieder geval, die wil altijd met haar moeder. En als die moeder er dan niet bij is, dan wil ze pas met mij. En dat zijn voor mij de fijnste dagen. Het deed mij af en toe wel pijn. Gingen we met z’n drieën naar buiten met de wagen. Dan pakte ik de beugel vast. En dan hoorde je van onder die kap: ‘Mama duwen’.”

DE ANDERE VERHAALLIJN IN LATE VADER

Thomas Rosenboom werkte met Arie, een man uit hetzelfde trappenhuis, aan een theatertekst op basis van een boek van Arthur van Schendel. Hij werd daarop uitgenodigd deel te nemen aan de jaarlijkse Heerenwandeling met vrienden van Arie.
,,Een vriendenclub, maar het waren niet mijn vrienden. Ik kwam die mensen nooit nader en ik dacht, dat ligt aan dat verschil, dat zij onderling bevriend zijn. Totdat ik veel later, dertig jaar of zo, vertelde dat mijn vrouw zwanger was. Opeens hoorde ik erbij. Die afstand tussen mij en die jongens was niet dat ik in een andere hoek werkte dan zij, maar dat was omdat zij allemaal vader waren.”
Alleen de theaterman Arie niet. En uitgerekend hij vertelde dat hij een kinderwens had. ,,Dus het was niet omdat zijn vrouw dat wilde, hij wilde dat echt zelf. Hij heeft nooit een kind gekregen. Als ik daaraan denk en over spreek word ik daar altijd verdrietig van.”

Arie is overleden toen jouw dochter net een maand oud was. Er was een herdenkingsbijeenkomst voor Arie.
,,Daar wilde ik natuurlijk naar toe, maar toen was mijn baby zo overstuurd dat ik mijn vrouw niet met haar alleen kon laten. Dus ik moest thuis blijven, maar op de rouwkaart stond dat het op een livestream te volgen was. En dat was de keer dat ik die vriendengroep voor het laatst heb gezien. Zij konden mij niet zien natuurlijk en na de plechtigheid en de toespraak verliet men dan de aula. De verbinding hield op. Gewoon afgelopen. Maar omdat ik voor dat scherm zat, het werd zwart, leek het voor mij alsof daar iemand het licht uit had gedaan. Alsof ik nog alleen in die donkere ruimte aanwezig was. Ik vond me daardoor juist enorm aanwezig. Ik dacht: ik ben achtergebleven, die anderen zijn naar buiten gegaan, en ik ben hier nog alleen achtergebleven.”

Je kunt deze scene literair symbolisch duiden. Aan het eind is er nog altijd een afstand en hoor je er niet bij.
,,Ja, want ik dacht: als ik daar naar naartoe ga, dat zou weleens het begin kunnen zijn van vriendschap met hun. Dat ze zouden zeggen van: goh, laten we nog eens afspreken. Ik heb een heel beperkte vriendengroep, ik zou het hartstikke leuk hebben gevonden. Maar dat is er niet meer van gekomen Een van die jongens woont dichtbij. Als ik dan weleens door die straat loop, dan hoop ik altijd dat ik hem tegenkom.”

Maar aanbellen doe je niet.
,,Nee, nee, nee, nee.”

Thomas Rosenboom: Late vader. Prometheus