In de loop van 2026 verschijnt het boek De Ontzamelaar – de Collectie Vlasblom en de gekte van de kunstmarkt van kunsthistoricus en journalist IJsbrand van Veelen. Van Veelen beschrijft in De Ontzamelaar hoe grafisch vormgever Vincent Vlasblom (Amsterdam, 1947) sinds 1970 een uitzonderlijke collectie internationale hedendaagse kunst bijeenbracht met veel liefde, een scherpe blik en een klein budget. Maar hij beschrijft ook de perikelen die Vlasblom tegenkomt op de kunstmarkt sinds hij op zijn 75ste besloot om afstand te doen van zijn collectie. Dit is, in drie delen, een voorpublicatie van het eerste hoofdstuk. Deel 1: ‘der holländische Designer’.


door IJsbrand van Veelen


Als je het huis van grafisch vormgever Vincent en zijn vrouw Els Vlasblom zou betreden – een ruime penthouse in de stad Hoorn in Noord-Holland – zou je in de hal mogelijk fotowerken aantreffen van onder meer Nobuyoshi Araki, Paul Blanca, Anton Corbijn, Daan van Golden en André Villers, de huisfotograaf van Pablo Picasso. En een vitrine op een sokkel met daarin een ragfijn, kwetsbaar werk van de Tsjechische Mária Bartuszová.

In een zijgang hangt waarschijnlijk een meerluik van James Lee Byars aan de muur, terwijl in de slaapkamer erachter misschien nog net een Mao van Andy Warhol is te zien. Loop je in de richting van de woonkamer dan passeer je werken van Thierry De Cordier en in het woongedeelte zelf hangen wellicht een paar grote doeken van Hervé di Rosa of Robert Combas, of misschien van Blade, van Nedko Solakov en Marcel Pinas.

Het is vol in het huis, maar niet overvol. Het aanwezige werk geeft aan dat de bewoners zeer goed op de hoogte zijn van wat er speelt in de wereld van de hedendaagse kunst, maar wekt nu niet direct de indruk dat we met een omvangrijke collectie te maken hebben. Dat kan ook niet, want het appartement is ruim, zoals gezegd, maar niet gigantisch. Dat was vroeger anders, toen hun twee dochters nog thuis woonden en het gezin in een voormalig schooltje woonde in een dorpje verderop.

“Der holländische Designer” Vincent Vlasblom

In het decembernummer van het Duitse economietijdschrift Capital uit 1983 – vol advertenties met beige, bonkige, op floppy-disks draaiende computers – staat een artikel van de Duitse kunstjournalist Willi Bongard over graffiti, getiteld ‘Spray-Art: Protestkunst aus USA’.

In het artikel raadt Bongard verzamelaars aan om graffiti te kopen omdat dat nog een zeer goed betaalbare kunstvorm is, en hij wijst op “der holländische Designer” Vincent Vlasblom, “graffiti-verzamelaar van het eerste uur”, die in een klein schooltje woont. “Waar hij ook kijkt, overal valt zijn oog op schilderijen uit de spuitbus,” schrijft Bongard.

Ten bewijze voegt hij foto’s bij het artikel, waarop Vlasblom is te zien met rossig haar, een rossige baard en een enorme jaren tachtig bril, terwijl hij in de grote woonkamer naar de televisie kijkt met zijn vrouw Els en hun dochters Floor (1975) en Femke (1977). Achter hen, boven hen, overal om hen heen hangen enorme doeken van Amerikaanse graffiti-kunstenaars.

‘Verzamelaar als gewone man’

Een aantal jaar later, in september 1992, schrijft Riki Simons in het artikel ‘Kunstbaronnen’ voor het blad Money: “Kunstverzamelaars zijn er te kust en te keur. Money zocht de top-collectioneurs: zij die het niet meer thuis kunnen ophangen.” Simons opent haar artikel met een quote van Vlasblom:

‘Ik zat laatst in Duitsland in een forum over verzamelen met de Duitse verzamelaar Reiner Speck. Die man vertelde dat zijn collectie nu tweehonderd miljoen mark waard is. Toen ik vertelde dat mijn budget vijfentwintigduizend gulden per jaar is, klapte en joelde het publiek. Je bent dan de ‘verzamelaar als gewone man’.” 

In het artikel schaart zij Vlasblom desondanks onder “de grote vijftien”: de destijds grootste verzamelaars van Nederland. Het is een indrukwekkende lijst met namen als Frits Becht, Martijn Sanders, Martin Visser, Christian Braun, Jo Eyck en Freddie Heineken. Vlasblom is van hen zonder twijfel degene met het kleinste budget. Simons omschrijft hem als een “impulsief en eclectisch verzamelaar”, wat door Vlasblom wordt onderstreept met de uitspraak “het is hier in huis een soort kunst-pretpark”.

Het schooltje is volgens Simons “een merkwaardige maar sympathieke warboel van allerlei stijlen” en ze noemt werken van onder meer Guillaume Bijl, Combas, Keith Haring, Servaas en James Lee Byars. “Wat de collectie waard is, weet ik niet precies,” zegt Vlasblom in het artikel. “Ik moet hem binnenkort weer eens laten taxeren voor de verzekering. De Combas en de Haring zijn al ieder zo’n 50.000 gulden waard geworden en ik heb zeven Warhols, die verschillen in waarde op veilingen tegenwoordig van 30.000 tot 200.000 dollar. Maar het interesseert me niet echt, want ik verkoop nooit iets.”

Verzamelen een ziekte, een verslaving, een passie

In een derde artikel uit december 1997, getiteld ‘Liefdesverklaring aan de kunst’ in Elle Wonen, zegt Vlasblom dat hij op dat moment waarschijnlijk ruim 250 werken bezit. Het artikel is rijkelijk geïllustreerd met foto’s die tonen wat er in huize Vlasblom zoal hangt en staat. Kunstenaars die worden genoemd zijn Michal Kern, Dennis Oppenheim, Carl Andre, Jan Knap, Jeff Koons, A.R. Penck, René Daniëls, Rosemarie Trockl en Ronald Berning.

Kortom: in de wereld van de kunst is Vlasblom een grote jongen met een kleine beurs. Maar waar zijn al die werken die in deze artikelen worden genoemd? En al die grote installaties die hij in de loop der jaren aanschafte van Guillaume Bijl en anderen? Zijn die allemaal al verkocht? Nee, er is nog niets verkocht.

Zou je een aantal verdiepingen met de lift afdalen naar het souterrain waar Vincent de ruime dubbele garage voor je opende, dan zou je mond openvallen, want die garage is van onder tot boven en van links tot rechts afgeladen met kunstwerken. “En zo is er nog een garage,” zal hij zeggen. “En nog een. En nog een andere opslag.” Als je hem dan verbluft aankijkt zal hij een beetje schaapachtig lachen en onhandig zijn schouders ophalen. Tegen Riki Simons zei hij daarover: “Ik hoef niet alles te zien wat ik bezit.” En: “Ik noem verzamelen een ziekte, een verslaving, een passie.”

Ook nu nog zegt hij, “Ja, het is een ziekte, absoluut.” En hij is niet de enige die aan die ziekte lijdt; velen gingen hem voor. Maar toen Vlasblom (geboren op 26 april 1947 te Amsterdam) begin jaren zeventig van de vorige eeuw zijn eerste kunstwerk kocht, waren er twee dingen die hij niet wist. Ondanks zijn grote interesse in de visuele kunsten wist hij toen nog niet dat hij verzamelaar zou worden en in ruim vijftig jaar tijd, met een feilloze blik en altijd voor de troepen uit lopend, een indrukwekkende collectie radicale en baanbrekende kunst zou verwerven. Evenmin stond hij erbij stil dat hij in die hoedanigheid deel zou uitmaken van een lange geschiedenis. Een geschiedenis die zo oud is als de mensheid.

Deel 2: Griekse gekte