In de loop van 2026 verschijnt het boek De Ontzamelaar – de Collectie Vlasblom en de gekte van de kunstmarkt van kunsthistoricus en journalist IJsbrand van Veelen. Op Vers Twee een voorpublicatie in drie delen van het eerste hoofdstuk. Deel 3: van verzamelen tot hoarden – en wanneer en hoe bouw je een verzameling af?
door IJsbrand van Veelen
Terwijl de drie schatrijke Amerikanen Morgan, Frick en Mellon destijds enorme bedragen konden spenderen aan vooral klassieke, gevestigde kunst, waardoor in de negentiende en vroege twintigste eeuw een ongekende stroom historische meesterwerken van Europa naar de Verenigde Staten verhuisde, ontstond in Europa een nieuw type verzamelaar waartoe honderd jaar later ook iemand als Vincent Vlasblom kan worden gerekend.
Het gaat dan om collectioneurs die niet over enorme budgetten beschikken en die zodoende nooit ‘terug’ maar altijd ‘vooruit’ moeten kijken om te kopen. ‘Terugkijken’ betekent in dit verband kijken naar kunst die zich al bewezen heeft, en daarvoor geldt: alles wat gevestigd is heeft een daarbij behorende prijs. Simpel gezegd: als je geld genoeg hebt, is het niet al te ingewikkeld om een Picasso of een Warhol aan te schaffen.

Maar voor verzamelaars met een beperkter budget is dat geen optie en daarom kijken ze vooruit, naar de Picasso’s en Warhols van de toekomst. Dat betekent speuren, ontdekken, risico nemen en in het diepe stappen met het aankopen van werk van nieuwe, nog onbekende kunstenaars, zonder enige, door de kunstmarkt gesteunde financiële garantie.
Deze verzamelaars zijn de ontdekkingsreizigers onder de collectioneurs, avonturiers die als een Indiana Jones naar de onontdekte gebieden van de kunst reizen, met als belangrijkste wapens hun ogen, overtuiging en gevoel voor de tijdgeest. Ze zijn eerder te vinden in de ateliers van kunstenaars of in kleine, vooruitstrevende kunstinstellingen, academies en galeries, dan op rode lopers die leiden naar fonkelende glazen Moët & Chandon in museale kunstruimtes.
Zoeken naar kunstenaars die breken met het verleden
Vincent Vlasblom en al die andere avontuurlijke verzamelaars hebben – in tegenstelling tot verzamelaars die collecties opbouwen met klassieke meesterwerken waardoor ze de geschiedenis van het menselijk creatieve vermogen vastleggen – een andere, specifiekere focus. Ze zijn zich zeker bewust van het verleden, van de culturele en artistieke geschiedenis, maar ze richten zich daar niet op. Dit zijn collectioneurs die eerder zoeken naar kunstenaars die juist radicaal breken met het verleden. Kunstenaars die zoeken naar nieuwe, eigentijdse vormen en oplossingen om de wereld en het leven te kunnen begrijpen, te bekritiseren of te bevragen. Kunstenaars kortom die een nieuwe blik op het menselijk bestaan bieden.
“Ik zal het hier niet hebben over hen die louter uit winstbejag verzamelen, die soms zelfs schilderijen in partijen kopen om ze in een pakhuis op te slaan totdat ze in waarde zijn gestegen. Deze soort, die recentelijk is toegenomen met de koortsachtige groei van de kunsthandel in de afgelopen jaren, verzamelt geen kunst omwille van de kunst. Ik wil mijn aandacht vestigen op de verzamelaar wiens motieven in de eerste plaats niet-monetair zijn.”
Dat schreef de Amerikaanse psychiater en verzamelaar Frederick Baekeland in een essay uit 1981, getiteld Psychological Aspects of Art Collecting.
Verzamelaars met ‘niet-monetaire motieven’, zoals Vlasblom, zijn essentieel voor de ontwikkeling van de kunst, want ze staan aan het begin van de artistieke voedselketen. Door nog onontdekte talenten te ondersteunen, hen vertrouwen te geven en de mogelijkheid te bieden door te breken naar een groter publiek, zijn deze verzamelaars van levensbelang voor experiment, vernieuwing en doorstroming in de kunst.
Ze verzamelen voor zichzelf en niet voor de bühne en koesteren grote zorg en liefde voor de verzamelde werken en hun makers. Daarin onderscheiden ze zich van het machismo dat vaak zichtbaar is bij collectioneurs met peilloos diepe zakken. De avonturiers lopen voor de troepen uit, in plaats van er achteraan. Hun aankopen zijn gebaseerd op eigen kennis, inzicht en overtuiging, en niet op wat de goegemeente acceptabel of en vogue vindt.
Dergelijke verzamelaars zijn redelijk zeldzaam, want, zoals wijlen Milco Onrust van de gelijknamige Amsterdamse galerie ooit zei: “De meeste mensen kopen met hun oren.” Waarmee hij bedoelde dat het merendeel van de kopers een aanschaf laat afhangen van het oordeel van anderen en van rumoer in de kunstscène, zonder zelf hun ogen te gebruiken.
Zesde zintuig voor kwaliteit
Een avontuurlijke manier van verzamelen vereist durf en oprechte liefde voor kunst en kunstenaars, iets wat bij Vincent Vlasblom altijd aanwezig is geweest. Bij de beslissing tot aankoop zijn hoofd en hart eerder leidend dan de inhoud van de portemonnee.
Eigenzinnigheid, geloof in het eigen oordeel en een zesde zintuig voor het herkennen van kwaliteit, verrassing en innovatie zijn een absolute voorwaarde, want het gaat dikwijls om kunstenaars die nog volslagen onbekend zijn, behalve voor een handvol insiders, zoals bevriende kunstenaars, een getalenteerde galeriehouder en in een enkel geval een opmerkzame docent aan een academie.
Niet zelden ontdekken avontuurlijke collectioneurs vervolgens dat er nog meer kunstenaars zijn die zich, net als hun eerdere ontdekking, met eenzelfde invalshoek, benaderingswijze of thematiek bezighouden, waardoor er zoiets als een stroming of een tendens aan het licht komt die door anderen nog niet is waargenomen.
Victor Chocquet en de impressionisten
Een illustere voorganger van Vlasblom, die niet uitzonderlijk gefortuneerd was en die op een ware artistieke goudmijn stuitte, was de Franse negentiende eeuwer Victor Chocquet (1821 – 1891). Chocquet was weliswaar afkomstig uit een rijke familie, maar als eenvoudige beambte bij de douane beschikte hij niet over een uitzonderlijk groot budget om kunst te kopen. Desondanks bouwde hij een imposante collectie op, die na zijn dood verspreid raakte over voornamelijk Amerikaanse musea.
Chocquet was al in bezit van wat werken van Delacroix, Courbet en Daumier, maar een ommekeer kwam in 1875 toen hij in Hôtel Drouot te Parijs een veiling bezocht die de impressionisten van hun werk hadden georganiseerd. Hij raakte er onder de indruk van de werken van zijn tijdgenoten die slechts een jaar eerder voor het eerst naar buiten waren getreden met een gezamenlijke expositie.
Ook al hoonde het overgrote deel van pers en publiek de impressionisten weg, Chocquet begon hun werk te kopen, raakte goed bevriend met een aantal van hen en bleef tot aan zijn dood zijn impressionistische vrienden te vuur en te zwaard verdedigen. Hij was vooral gegrepen door het werk van Monet en Renoir. Kort na de veiling bestelde hij bij Renoir geschilderde portretten van zichzelf, van zijn vrouw en op basis van een foto ook van zijn dochtertje dat op vijfjarige leeftijd was overleden.
Later bouwde hij met Paul Cézanne een speciale band op, die op bijzondere wijze tot uitdrukking kwam in het feit dat Cézanne eigenlijk nooit zijn signatuur aanbracht op zijn schilderijen, behalve op de doeken die hij verkocht aan Chocquet. Het zouden er uiteindelijk 32 zijn.

Auguste Renoir – Dance a la moulin de la Galette
Wikimedia Commons
Door zijn aankopen werd Chocquet een van de grote steunpilaren van de impressionisten. Het verhaal gaat dat de bezetenheid waarmee hij zijn enorme collectie impressionistische en post-impressionistische schilderijen aanschafte hem soms dusdanig in financiële problemen bracht dat hij geen geld had voor een overjas en soms ook niet om te kunnen eten. Op zijn zesenvijftigste ging hij met vervroegd pensioen om zich volledig aan zijn verzameling te kunnen wijden. Pas vier jaar later, toen hij het fortuin van zijn moeder erfde, kon hij zich daar echt helemaal aan overgeven.
Chocquet was zeker niet de enige die tot de grenzen van zijn financiële mogelijkheden ging om kunst te kopen. Zelfs John Pierpont Morgan met zijn enorme rijkdom gaf tijdens zijn kunstkoop-strooptochten in het buitenland zo veel geld uit dat zijn accountants het altijd weer benauwd kregen als hij weer op reis ging.
Verzamelstoornis: de hoarders
De wens van al deze fervente kunstverzamelaars om zich te omringen met bijzondere, mooie of prikkelende kunst die door anderen is gemaakt, zou je kunnen afdoen als een opschepperige manier om te pronken met andermans veren. Vaak is dat misschien ook het geval, maar nog veel verder reikt de vraag: zijn deze mensen ziek? Of beter gesteld: hoe dicht staat hun gepassioneerde verzameldrift eigenlijk bij de ziekelijke, obsessief-compulsieve vorm van verzamelwoede die hoarding wordt genoemd?
Het standaardwerk DSM-5, het Amerikaanse classificatiesysteem voor psychische stoornissen, vermeldt ‘hoarding disorder’ – een begrip dat je in het Nederlands zou kunnen vertalen als ‘verzamelstoornis’ – als een psychische aandoening.
In de inleiding van hun boek Problematische Verzamelaars schrijven José van Beers en Kees Hoogduin daarover:
“Verzamelen kan een leuke hobby zijn. Problematische verzamelaars zijn geen mensen die ‘leuk’ verzamelen. Ze verzamelen spullen in zulke hoeveelheden dat zij eronder bedolven dreigen te worden. Om al deze spullen te kunnen bewaren, nemen zij desnoods grote financiële, sociale en functionele beperkingen voor lief. Vaak bewaren problematische verzamelaars ook heel veel spullen waarin wij geen waarde zien. Als buitenstaander begrijpen wij dat niet. Waarom zou je jezelf zo tekortdoen ten behoeve van waardeloze spullen? Problematische verzamelaars kennen geen grenzen in het verzamelen.”
Met problematische verzamelaars bedoelen zij dus mensen die hun huis van onder tot boven blijven volstouwen met spullen “waarin wij geen waarde zien”. Maar is dat bij verzamelaars van hedendaagse kunst ook niet vaak het geval? Hoeveel van hen stouwen hun huis niet van onder tot boven vol met kunstwerken waar anderen absoluut de waarde niet van inzien? Hoe vaak krijgen zij niet te horen, “Wat? Heb je daar zoveel voor betaald?”
Toegegeven, een belangrijk onderscheid tussen het aanleggen van een kunstverzameling en hoarding is dat de hoarder veel minder onderscheidend en minder gestructureerd te werk gaat dan een verzamelaar. Een verzamelaar kiest voor specifieke objecten, een hoarder wil alles. Maar dat roept nog steeds de vraag op: wat drijft kunstverzamelaars om zoveel kunstwerken te verwerven? En: is die drang eigenlijk wel normaal?
Frederick Baeckeland schrijft daarover in zijn eerdergenoemde essay Psychological Aspects of Art Collecting:
“Kunsthistorici hebben deze vraag stelselmatig de rug toegekeerd, en psychiaters en psychoanalytici hebben ook niet veel te zeggen over deze kwestie. Patiënten doen immers geen beroep op psychiatrische hulp omdat ze verzamelaar zijn. Maar voor iedereen die kunstverzamelaars kent, is het duidelijk dat hun redenen om te verzamelen zowel divers als complex zijn.”
Die complexiteit is bijvoorbeeld te zien in de verbeten bezetenheid en het rupsje-nooit-genoeg-gedrag die leiden tot eeuwig ruimte- en geldgebrek en nijpende problemen met opslag, conservering, transport en verzekering.
Baeckeland gebruikte in zijn essay uit 1981, toen hoarding nog niet werd gezien als een aandoening en het begrip nog niet in die zin bestond, het woord “accumulator” (dat zoveel betekent als ‘stapelaar’) voor mensen die compulsief verzamelen:
“We moeten duidelijk zijn over wat een verzamelaar wel en niet is. Zijn of haar gelijkenis met een accumulator lijkt niet voor de hand liggend, maar is er in sommige gevallen wel degelijk. Terwijl de stapelaar passief en kritiekloos een bonte verzameling aanlegt van dingen die op zijn weg komen, zoekt de verzamelaar actief naar slechts bepaalde soorten voorwerpen waarin hij geïnteresseerd is. De stapelaar beweert dat de voorwerpen die hij verzamelt ooit van pas kunnen komen, verstopt ze, en vindt ze een bron van ongenoegen en lichte schaamte.
Daar tegenover stelt hij de verzamelaar:
“De verzamelaar kan ofwel niet verklaren waarom hij verzamelt, of zegt dat hij kunst koopt omdat het hem plezier verschaft, of rationaliseert het verzamelen als een vorm van investering. In plaats van zijn verzameling te verbergen, toont hij die doorgaans graag. De accumulator heeft moeite zichzelf te definiëren, en kan geen keuzes maken. De dingen die hij verzamelt hebben geen duidelijke symbolische betekenis. De verzamelaar daarentegen is vaak meer gehecht aan bepaalde voorwerpen dan aan andere vanwege hun symbolische waarde, en hij heeft de neiging zijn collectie en zijn activiteiten als verzamelaar te gebruiken om zijn zelfdefinitie en identiteit te versterken.”
Baeckeland maakt onderscheid tussen mensen met een dwangmatige verzamelstoornis en ‘gewone’ verzamelaars, maar hij wijst er ook op dat sommige van die ‘gewone’ verzamelaars hun grenzen uit het oog verliezen en soms zo onkritisch en in zulke grote hoeveelheden kopen, dat hun gedrag op dat van stapelaars begint te lijken. En voor hem komen ze er niet mee weg te zeggen dat ze kunstliefhebbers zijn, want
“de meeste doorsnee kunstliefhebbers, zelfs als ze het zich zouden kunnen veroorloven, zijn tevreden met kijken en niet met bezitten. Anderen kopen wel eens kunstvoorwerpen, maar brengen minder tijd door bij kunsthandelaren of op veilingen en bezitten zeker nooit meer stukken dan ze tegelijkertijd kunnen exposeren. De verzamelaar niet. Die kan alles opofferen aan de uitbreiding en verbetering van zijn collectie, die vaak zo groot wordt dat op een zeker moment een deel ervan moet worden verbannen naar de opslag.”
Hoarder is niet in staat afstand te doen
En er zijn nog wel wat meer verschillen te noemen tussen een kunstverzamelaar en een hoarder. Verzamelaars kunnen besluiten om een of meerdere werken te verkopen, omdat ze zijn uitgekeken op die werken, in geldnood zitten of om geld vrij te maken voor andere aankopen. Een hoarder is daarentegen niet in staat om afstand te doen van zijn bezittingen, want de aanwezigheid van al die spullen verschaft zekerheid. In extreme gevallen hebben hoarders zo’n grote verzameling dat hun huis amper nog bewoond kan worden. In het geval van verzamelaars daarentegen – ook al puilen niet alleen hun woonruimtes maar ook hun opslagplaatsen uit van de kunstwerken – zal zelden een onveilige of onleefbare woonsituatie ontstaan.
Kortom, niet bij iedereen die op grote schaal spullen verzamelt, is er sprake van een stoornis. En ook al zijn er behoorlijke verschillen tussen verzamelen en hoarding, toch is de scheidslijn soms moeilijk te trekken. En soms overlappen de twee.
Otis Laubert en Frank F. Catelyns
Zo kocht Vincent Vlasblom werken van de Slowaakse kunstenaar Otis Laubert (1946) en van de Belg Frank F. Castelyns (1942 – 2016), die niet zoveel van elkaar verschillen wat betreft focus en aanpak. Beiden verzamelden tijdens lange strooptochten door de stad enorme hoeveelheden afval en waardeloze spullen en ze stouwden hun huis ermee vol. Toch zijn het eerder ogenschijnlijke dan echte hoarders. Ze hebben wel degelijk eigenschappen van problematische hoarders met een obsessieve verzamelwoede en hun huizen stonken van het afval dat ze van straat meenamen.
Maar ze deden ook nog iets met hun spullen en dat is ongebruikelijk voor hoarders die in de DSM-5 categorie vallen. Zo maakte Otis Laubert – die zichzelf “verzamelaar en jager” noemt – tal van collages, assemblages, objecten en installaties met de door hem gevonden en gesystematiseerde “oude dingen die niemand mist”. Hij schiep nieuwe, associatieve en poëtische werelden door composities te maken van op papier geplakte, gelijksoortige, op straat gevonden knopen, of van propjes papier die dezelfde grootte hebben.

Ook Castelyns gebruikte gevonden spullen voor collages, assemblages en composities, legde ze soms fotografisch vast, of maakte er tekeningen van. ooit zei hij daarover: “Ik heb al heel dikwijls ervaren dat mijn werk vijandige reacties opwekt, maar dan zeg ik: ok, al is het dan misschien vies, zie ook eens de schoonheid die daar in zit.”
Steeds meer werken verdwijnen uit zicht
Het is de vraag of de manier van stapelen door Laubert en Castelyns anders, vreemder of zorgelijker is dan de neiging van kunstverzamelaars om maar te blijven kopen terwijl hun huis al boordevol is en ze nergens meer plek hebben om de aangekochte kunst uit te stallen. Steeds meer werken verdwijnen uit het zicht, worden opgeslagen in garageboxen en pakhuizen, of komen soms – in het geval van Vincent Vlasblom – terecht in huizen en kantoren van vrienden en bekenden. Wat is daar eigenlijk ‘normaal’ aan? Zijn dergelijke verzamelaars minder obsessief en minder problematisch dan hoarders? Is het een meer acceptabele, andere, ‘betere’ verslaving? Want ja, dat verzamelen op grote schaal een verslaving is staat wel vast.
Zowel de roes van de jacht als de bevrediging na het verkrijgen van een bepaald object, spelen voor verzamelaars een belangrijke rol, mogelijk zelfs de hoofdrol. Zodra een missie is geslaagd en het bezitsverlangen is vervuld, maken de hersenen net als bij andere verslavingen, stoffen aan die een geluksgevoel verschaffen zoals dopamine en serotonine. Het gevoel dat die neurotransmitters veroorzaken is bijzonder prettig maar ook kortstondig. Dus als de jacht op het ene object voorbij is, is het alweer tijd voor de volgende, om dat prettige gevoel maar zo snel mogelijk weer te krijgen.
‘Ik ben op aarde om te verzamelen’
Behalve de verslaving aan neurotransmitters die een geluksgevoel verschaffen, hebben kunstverzamelaars en hoarders nog iets gemeen, en dat is de drang tot veelheid en volledigheid en de wens om te behouden en te conserveren. En het maakt daarbij helemaal niets uit of gaat om peperdure kunstvoorwerpen of ‘waardeloze’ objecten. Uiteindelijk gaat het erom dat bezit en de voortdurende uitbreiding ervan een gevoel bieden van controle over de chaos van het bestaan. Verzamelen biedt de illusie dat we niet hulpeloos hoeven af te wachten wat het noodlot nu weer voor ons in petto heeft, maar dat we de mogelijkheid hebben om doelgericht te handelen en daardoor de dingen op een bepaalde manier naar onze hand te zetten. Het bezitten van dingen, van veel dingen, verschaft niet alleen aanzien, tevredenheid of een geluksgevoel, maar biedt ook zekerheid in de onzekerheid van het bestaan. Jezelf ‘verzamelaar’ noemen, of zeggen dat je ‘spaart’, geeft het leven een helder doel en biedt een identiteit: ik ben op aarde om te verzamelen. En dat alles met het uiteindelijke doel om… Tja, om wat eigenlijk? Dat blijft een raadsel.
Met een groots gebaar de dood verdringen
Is het uiteindelijke doel misschien wel om angst voor de dood te bezweren, zoals sommige denkers beweren? Misschien is die gedachte niet zo gek, want welbeschouwd zijn nagenoeg alle mensen, bewust of onbewust, uiteindelijk bezig ‘om iets na te laten’ en zo op een bepaalde manier de dood te bezweren en ‘onsterfelijk’ te worden. In de woorden van Frits van Egters waarmee Gerard Reve zijn roman De Avonden afsloot: “Het is gezien, het is niet onopgemerkt gebleven.” Oftewel: ik wás er, ik heb bestaan, het bewijs is er en ik zal voortbestaan in wat ik nalaat.
Sommige mensen vinden troost in de gedachte dat ze zullen voortbestaan in hun kinderen, anderen in de productie van kunstwerken, boeken, gebouwen of muziekstukken en weer anderen in het verzamelen van kunstvoorwerpen.
Iemand die in dit verband vaak wordt geciteerd is de Amerikaanse cultureel-antropoloog Ernest Becker. In zijn boek The Denial of Death, waarvoor hij in 1974 postuum de prestigieuze Pulitzer Prize kreeg, betoogt hij dat de mens diep in zich een permanente doodsangst draagt en die angst probeert te verdringen om de noodzakelijke geestelijke rust te vinden om met het leven om te kunnen gaan:
“Het menselijke dier wordt door niets zozeer in beslag genomen als door het denkbeeld van de dood, de angst ervoor; het is een van de voornaamste bronnen van menselijke activiteit, een activiteit die er grotendeels op is gericht aan de fatale dood te ontkomen, deze te overwinnen en te ontkennen dat hij het noodlot van de mens is.”
En hoe proberen we die dood te verdringen of eraan te ontkomen, volgens Becker?
“De moderne mens drinkt en drogeert zichzelf buiten bewustzijn, of brengt zijn tijd door met winkelen, dat is hetzelfde.”
Consumeren, dingen kopen, bezit nastreven – volgens Becker doen we dat ter bezwering van de dood. Aangezien verzamelen doelgericht en grootschalig consumeren is, zou – op grond van wat Becker beweert – een verzamelaar dus iemand zijn die met een groots gebaar de dood probeert te verdringen.
De ontzamelaar
Wat de diepste beweegredenen van Vincent Vlasblom zijn geweest om ruim vijftig jaar lang intensief te verzamelen blijft misschien wel altijd in nevelen gehuld – zelf zegt hij het antwoord erop niet te weten. Hij kijkt zelfs enigszins verwonderd als hem de vraag wordt gesteld.
Wat wel duidelijk is, is dat voor elke verzamelaar ooit het moment van stoppen aanbreekt. Dat betekent: eerst het wat rustiger aan doen, dan minder kopen, dan nog minder en dan afbouwen en uiteindelijk stoppen. Op dat moment gebeurt er nogal wat.
Een verzamelaar die stopt met het kopen van kunstwerken, ziet allereerst de betekenis van het netwerk van kunstrelaties en van zijn activiteiten in de kunstwereld veranderen. In galeries, op beurzen en veilingen is hij opeens een bezoeker als alle anderen. De spanning is er aan beide kanten af. Bij de verzamelaar omdat hij niets meer zal kopen en zich dus niet langer iets zal toe-eigenen; bij de verkopende partijen omdat er aan de verzamelaar niets meer valt te verdienen.
Ondertussen verdwijnt de dynamiek uit de collectie, want er komt niets meer bij. En zo doet zich dan een wonderlijke gedaanteverandering voor: de verzamelaar bezit nog steeds een verzameling, maar is niet langer verzamelaar. Activiteit en identiteit als verzamelaar zijn tot een einde gekomen.
Ook voor Vincent Vlasblom is het zover, want hij nam toen hij 75 werd de beslissing om te stoppen met verzamelen en zijn collectie van de hand te doen door te gaan ontzamelen, mede door het feit dat zijn dochters geen interesse hebben om zijn collectie voort te zetten.Wat dat ontzamelen voor hem betekent wordt later in dit boek duidelijk.
Eerst is het zaak om de Collectie Vlasblom een plek te geven in de menselijke geschiedenis van tienduizend jaar verzamelen. Hoe is zijn collectie hedendaagse kunst tot stand gekomen, welke overwegingen speelden daarbij een rol, welke bijzondere mensen kwamen er voorbij en welke fraaie verhalen hebben die meer dan vijftig jaar verzamelen opgeleverd?
IJsbrand van Veelen: De Ontzamelaar – de Collectie Vlasblom en de gekte van de kunstmarkt verschijnt in de loop van 2026.
Zie ook: deel 1: ‘Ja, het is een ziekte
deel 2: Griekse gekte